Leerstuk · ondernemingsrecht

Het stakeholdermodel voor bestuurders van de vennootschap

Bestuurders richten zich niet naar het belang van de aandeelhouders maar naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, en moeten daarbij zorgvuldigheid betrachten jegens al degenen die bij die onderneming zijn betrokken.

Het Nederlandse vennootschapsrecht kent geen aandeelhoudersprimaat. De wet draagt bestuurders en commissarissen op zich bij de vervulling van hun taak te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, en de rechtspraak heeft daaraan een zorgvuldigheidsnorm jegens alle betrokkenen gekoppeld: werknemers, crediteuren, afnemers en aandeelhouders. Dat is wat doorgaans het stakeholdermodel wordt genoemd, al komt die term in de rechtspraak zelf niet voor. De norm geeft het bestuur een eigen verantwoordelijkheid die het ook heeft tegenover een aandeelhouder met feitelijke machtsmiddelen, en zij wordt institutioneel geborgd door de tegenstrijdigbelangregeling. De scherpe kanten zitten in de weging: er is geen wettelijke rangorde tussen de betrokken belangen en de rechter toetst de afweging terughoudend, zodat de norm in de praktijk vooral bijt via de procedurele eisen aan de besluitvorming en via de vraag of belangen onnodig of onevenredig zijn geschaad. Het sluitstuk is tweeledig: wanbeleid in de enquêteprocedure en interne aansprakelijkheid met de maatstaf van het ernstig verwijt, twee oordelen die niet samenvallen.

Wettelijk kader

  • art. 2:129 BW Bestuurstaak bij de NV; lid 5 verplicht bestuurders zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, lid 6 bevat de tegenstrijdigbelangregeling.

    Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap. Voor een vennootschap waarvan de aandelen of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, is daaronder in ieder geval begrepen het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. Besluiten van het bestuur kunnen bij of krachtens de statuten slechts worden onderworpen aan de goedkeuring van een orgaan van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een orgaan van de vennootschap die de algemene lijnen van het te voeren beleid op nader in de statuten aangegeven terreinen betreffen. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.

  • art. 2:239 BW Bestuurstaak bij de BV; naast dezelfde norm bepaalt het dat het bestuur een statutaire aanwijzing niet hoeft op te volgen als die in strijd is met het vennootschappelijk belang.

    Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. Besluiten van het bestuur kunnen bij of krachtens de statuten slechts worden onderworpen aan de goedkeuring van een ander orgaan van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap. Het bestuur is gehouden de aanwijzingen op te volgen, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.

  • art. 2:140 BW Commissarissen bij de NV richten zich bij de vervulling van hun taak naar hetzelfde belang, wat de norm ook voor het toezicht verankert.

    Tenzij toepassing is gegeven aan artikel 129a kan bij de statuten worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. De raad bestaat uit een of meer natuurlijke personen. De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Hij staat het bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad en van zijn leden bevatten. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide commissaris meer dan één stem wordt toegekend. Een commissaris kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere commissarissen tezamen. Een commissaris neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 2. Wanneer de raad van commissarissen hierdoor geen besluit kan nemen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.

  • art. 2:250 BW Het equivalent voor de raad van commissarissen bij de BV.

    Tenzij toepassing is gegeven aan artikel 239a kan bij de statuten worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. De raad bestaat uit een of meer natuurlijke personen. De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Hij staat het bestuur met raad ter zijde. Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De statuten kunnen aanvullende bepalingen omtrent de taak en de bevoegdheden van de raad en van zijn leden bevatten. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide commissaris meer dan één stem wordt toegekend. Een commissaris kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere commissarissen tezamen. Een commissaris neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 2. Wanneer de raad van commissarissen hierdoor geen besluit kan nemen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.

  • art. 2:8 BW Redelijkheid en billijkheid tussen de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen; dwingend recht en de brug tussen de bestuursnorm en de positie van aandeelhouders onderling.

    Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

  • art. 2:9 BW Behoorlijke taakvervulling jegens de rechtspersoon; de grondslag voor interne aansprakelijkheid wanneer de norm wordt geschonden.

    Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.

  • art. 2:345 BW Het enquêteverzoek, waarmee de naleving van de norm extern kan worden getoetst.

    Op schriftelijk verzoek van degenen die krachtens de artikelen 346 en 347 daartoe bevoegd zijn, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of een bepaald tijdvak. Onder het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon zijn mede begrepen het beleid en de gang van zaken van een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma waarvan de rechtspersoon volledig aansprakelijke vennoot is. De advocaat-generaal bij het ressortsparket kan om redenen van openbaar belang een verzoek doen tot het instellen van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid. Hij kan ter voorbereiding van een verzoek een of meer deskundige personen belasten met het inwinnen van inlichtingen over het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De rechtspersoon is verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en desgevraagd ook inzage in zijn boeken en bescheiden te geven aan de deskundigen.

  • art. 2:350 BW Toewijzingsmaatstaf voor het onderzoek: gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.

    De ondernemingskamer wijst het verzoek slechts toe, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Indien de ondernemingskamer het verzoek afwijst, en daarbij beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan, kan de rechtspersoon tegen de verzoeker of verzoekers bij de ondernemingskamer een eis instellen tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het verzoek lijdt. Voor de instelling van een vordering tegen een verzoeker geldt als diens woonplaats mede de woonplaats die hij voor de indiening van het verzoek heeft gekozen. Wordt het verzoek toegewezen, dan stelt de ondernemingskamer het bedrag vast dat het onderzoek ten hoogste mag kosten. De ondernemingskamer kan hangende het onderzoek dit bedrag op verzoek van de door haar benoemde personen verhogen, na verhoor, althans oproeping van de oorspronkelijke verzoekers. De ondernemingskamer bepaalt de vergoeding van de door haar benoemde personen. De rechtspersoon betaalt de kosten van het onderzoek alsmede de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de met het onderzoek belaste personen terzake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege de uitvoering van het onderzoek of het verslag van de uitkomst van het onderzoek; in geval van geschil beslist de ondernemingskamer op verzoek van de meest gerede partij. De ondernemingskamer kan bepalen dat de rechtspersoon voor de betaling der kosten zekerheid moet stellen. De ondernemingskamer benoemt, tegelijk met de met het onderzoek belaste personen, een raadsheer-commissaris. Indien de goede gang van zaken van het onderzoek dit vereist, kan de raadsheer-commissaris op verlangen van verzoekers of belanghebbenden aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. De raadsheer-commissaris beslist niet dan nadat hij de met het onderzoek belaste personen in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze aangaande het verlangen te geven. De raadsheer-commissaris kan ook de met het onderzoek belaste personen op hun verlangen een aanwijzing geven. De raadsheer-commissaris beslist niet dan nadat hij de rechtspersoon die in de procedure is verschenen in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze aangaande het verlangen te geven. De raadsheer-commissaris kan ook anderen in de gelegenheid stellen hun zienswijze te geven. Tegen beslissingen van de raadsheer-commissaris als bedoeld in dit lid staat geen beroep in cassatie open. Artikel III van Stb. 2012/274 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.

  • art. 2:355 BW Tweede fase van de enquête, waarin de Ondernemingskamer wanbeleid kan vaststellen en voorzieningen kan treffen.

    Indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken, kan de ondernemingskamer op verzoek van de oorspronkelijke verzoekers en, indien het verslag voor hen ter inzage ligt, op verzoek van anderen die aan de in artikel 346 of 347 van dit Boek gestelde vereisten voldoen, of op verzoek van de advocaat-generaal, ingesteld om redenen van openbaar belang, een of meer van de in het volgende artikel genoemde voorzieningen treffen, welke zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht. Het verzoek moet worden gedaan binnen twee maanden na nederlegging van het verslag ter griffie. De artikelen 348 en 349a zijn van overeenkomstige toepassing. In het geval, bedoeld in artikel 348 , neemt de ondernemingskamer geen beslissing, alvorens de in dat artikel genoemde, op de rechtspersoon toezichthoudende instelling in de gelegenheid te hebben gesteld over het verzoek te worden gehoord. De ondernemingskamer kan haar beslissing voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien de rechtspersoon op zich neemt, bepaalde maatregelen te treffen die een einde maken aan het wanbeleid of die de gevolgen welke daaruit zijn voortgevloeid, zoveel mogelijk ongedaan maken of beperken.

  • art. 2:354 BW Verhaal van de onderzoekskosten op een functionaris die verantwoordelijk is voor onjuist beleid, met een lichtere maatstaf dan aansprakelijkheid.

    De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag op verzoek van de rechtspersoon beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. De laatste zin van het tweede lid van artikel 350 van dit Boek is van toepassing.

Wettelijk kader

De kern staat in twee vrijwel gelijkluidende bepalingen: bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (art. 2:129 BW voor de NV, art. 2:239 BW voor de BV). Voor commissarissen geldt hetzelfde (art. 2:140 BW, art. 2:250 BW). De wet noemt dus niet de aandeelhouders als degenen wier belang moet worden gediend, en dat is precies wat het onderscheid uitmaakt met een aandeelhoudersmodel. De term stakeholdermodel is een doctrinaire aanduiding; de rechtspraak zelf spreekt van het belang van de vennootschap en van zorgvuldigheid jegens de betrokkenen.

Rondom die kernnorm liggen drie bepalingen die haar bruikbaar maken. Art. 2:8 BW verplicht de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich jegens elkaar te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd; die bepaling is van dwingend recht en bindt niet alleen het bestuur maar ook aandeelhouders onderling en jegens de vennootschap, ook als wet, statuten en aandeelhoudersovereenkomst een handeling toestaan (ECLI:NL:HR:2014:808). Art. 2:9 BW verplicht elke bestuurder tot een behoorlijke vervulling van zijn taak jegens de rechtspersoon en levert de interne aansprakelijkheidsgrondslag. En de tegenstrijdigbelangregeling van art. 2:129 lid 6 BW en art. 2:239 lid 6 BW haalt de bestuurder met een persoonlijk tegenstrijdig belang uit de beraadslaging en besluitvorming.

Bij de BV komt daar een bepaling bij die het model scherp illustreert. De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich moet gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan, maar het bestuur is gehouden die aanwijzingen op te volgen tenzij zij in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Zelfs waar de aandeelhouders zich formeel instructiemacht hebben voorbehouden, blijft het vennootschappelijk belang dus de bovengrens.

Wat het vennootschappelijk belang inhoudt

Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Is aan de vennootschap een onderneming verbonden, dan wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming (ECLI:NL:HR:2014:797). Die formulering doet twee dingen tegelijk. Zij verankert de norm in de onderneming en niet in de kapitaalverschaffer, en zij geeft haar een tijdshorizon: bestendig succes is iets anders dan het resultaat van het lopende boekjaar of de koers van vandaag.

Bij een joint venture wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. Hebben de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel, dan kan dat meebrengen dat ook het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen hen, zodat die verhoudingen niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is. Dat betekent niet dat gelijkwaardige verhoudingen te allen tijde behouden of hersteld moeten worden; de betekenis van de opzet van de samenwerking wordt beoordeeld op de omstandigheden van het concrete geval (ECLI:NL:HR:2014:808).

Het vennootschappelijk belang is bovendien niet uitsluitend een materieel belang bij een goede uitkomst. De rechtspersoon heeft daarnaast een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen, en normen die voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid, op juiste wijze worden nageleefd; daaronder vallen uitdrukkelijk de procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming (ECLI:NL:HR:2023:199). Een bestuurder die zich op het vennootschapsbelang beroept, kan dus niet volstaan met de stelling dat de uitkomst goed was voor de onderneming.

De kring van betrokkenen en de zorgvuldigheidsnorm

Naast het richten op het vennootschapsbelang staat een tweede, zelfstandige norm: bestuurders moeten, mede op grond van art. 2:8 BW, zorgvuldigheid betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Die zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat de belangen van die betrokkenen niet onnodig of onevenredig worden geschaad (ECLI:NL:HR:2014:797). Dat is de scherpste formulering van het model: niet dat elk deelbelang moet worden gehonoreerd, wel dat schade aan een deelbelang moet worden gerechtvaardigd door noodzaak en proportionaliteit.

De kring is breed en contextafhankelijk. In een joint venture kan de zorgvuldigheidsplicht een bijzondere zorgplicht meebrengen jegens een aandeelhouder wiens belang is verwaterd of dreigt te verwateren. Jegens aandeelhouders in het algemeen brengt art. 2:8 BW mee dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders, waarbij mag meewegen dat het gaat om een minderheid tegenover een meerderheid (ECLI:NL:HR:2013:BZ9145). Bij een dreigende overname behoort tot het vereiste beleid dat het bestuur ervoor zorgt dat zowel de partij die de zeggenschap tracht te verkrijgen als de overige aandeelhouders voldoende worden geïnformeerd over de wederzijdse standpunten (ECLI:NL:HR:2003:AF2161).

Buiten de kapitaalverschaffers om is het beeld hetzelfde. In een enquête naar een vennootschap van nationaal belang sloeg de Ondernemingskamer uitdrukkelijk acht op wat de ondernemingsraad en de Staat als belanghebbenden naar voren brachten, en oordeelde zij dat in alle stadia een integrale afweging van de uiteenlopende belangen van de rechtspersoon en de verschillende belanghebbenden moet plaatsvinden (ECLI:NL:GHAMS:2025:2752). Bij een zorginstelling stond het belang van de cliënten bij een veilige en passende continuering van de zorg centraal, zowel bij het oordeel over het beleid als bij de vraag of een onderzoek moest volgen (ECLI:NL:GHAMS:2026:2222).

Eigen verantwoordelijkheid en instructiemacht

Uit de norm volgt dat het bestuur een eigen verantwoordelijkheid heeft. Het bepalen van het beleid en de strategie is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur, de raad van commissarissen houdt daarop toezicht, en de algemene vergadering kan haar opvattingen alleen tot uitdrukking brengen door uitoefening van de haar in wet en statuten toegekende rechten. Het bestuur legt achteraf verantwoording af, maar is behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen niet verplicht de algemene vergadering vooraf te betrekken of te consulteren over handelingen waartoe het bevoegd is (ECLI:NL:HR:2007:BA7972, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, ECLI:NL:HR:2018:652). Dat aandeelhouders het oneens zijn met het beleid maakt het bestuur nog niet gehouden op hun visie in te gaan.

De scherpste toepassing is dat het bestuur ook niet gebonden is aan instructies van de algemene vergadering of van individuele aandeelhouders wanneer een statutaire aanwijzingsbevoegdheid ontbreekt, en dat dit niet anders is indien de aandeelhouders op grond van de machtsverhoudingen binnen de vennootschap feitelijke instructiemacht hebben. Elke bestuurder is gehouden zich te richten naar het vennootschapsbelang en zorgvuldigheid te betrachten jegens alle betrokkenen, ongeacht of hij is benoemd door of op voordracht van een bepaalde aandeelhouder of soort aandelen, en ook indien de aandeelhouders nauw betrokken zijn bij de vennootschap (ECLI:NL:HR:2014:797).

Die norm laat zich niet wegcontracteren via de inrichting van het bestuur. Een trustbestuurder die volgens de instructies van de aandeelhouders diende te handelen, wordt daarom in beginsel niet aan lichtere of andere eisen onderworpen dan een gewone bestuurder: ook hij is gehouden zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en zorgvuldigheid te betrachten jegens al degenen die bij de onderneming zijn betrokken, ongeacht op wiens voordracht hij is benoemd (ECLI:NL:GHAMS:2020:1790).

Tegenstrijdig belang als institutionele borging

Een norm die vraagt om onbevooroordeelde afweging heeft een regel nodig voor het geval de afweger zelf partij is. Dat is de tegenstrijdigbelangregeling: een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, en kan het besluit dan door de raad van commissarissen of bij ontbreken daarvan door de algemene vergadering worden genomen (art. 2:129 lid 6 BW, art. 2:239 lid 6 BW).

De maatstaf is ontwikkeld onder de eerdere regeling, die aan de bevoegdheid tot vertegenwoordiging was gekoppeld, maar de kern ervan is inhoudelijk en werkt door. De strekking is te voorkomen dat de bestuurder zich bij zijn handelen laat leiden door zijn persoonlijk belang in plaats van door het belang van de vennootschap dat hij heeft te dienen. Beslissend is of de bestuurder door de aanwezigheid van een persoonlijk belang, of door zijn betrokkenheid bij een ander met dat van de rechtspersoon niet parallel lopend belang, niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming te bewaken op een wijze die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Niet vereist is dat de rechtshandeling daadwerkelijk tot benadeling zal leiden; voldoende is dat de bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich uitsluitend heeft laten leiden door het vennootschapsbelang. Of daarvan sprake is, kan slechts worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval, en binnen een groep waarin bestuur en aandeelhouderschap in één persoon zijn verenigd zal daarvan niet spoedig sprake zijn, juist omdat de afweging van alle bij de groepsvennootschappen betrokken belangen dan bij die persoon is geconcentreerd (ECLI:NL:HR:2007:BA0033).

Discretie en toetsing

De wet geeft geen rangorde tussen de betrokken belangen en dus ook geen rekenregel. Dat maakt de norm in hoge mate een norm van behoorlijke afweging, met een ruime beoordelingsmarge voor het bestuur en een terughoudende rechter. Bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen, past terughoudendheid (ECLI:NL:HR:2013:BZ9145). Een formele eis dat een bepaald belang in het voorgeschreven vooroverleg uitdrukkelijk ter sprake is gebracht, kan niet worden gesteld op straffe van vernietigbaarheid; ook zonder dat kan met dat belang voldoende rekening zijn gehouden.

Daartegenover staat dat de rechter juist wel toetst hoe de besluitvorming is ingericht. Het zelfstandige belang bij naleving van procedurele normen betekent dat gebrekkige voorbereiding, ontoereikende informatievoorziening en het ontbreken van onderbouwing zelfstandig gewicht krijgen, ook waar de uitkomst verdedigbaar is. Dat is de praktische kant van het model: bestuurders worden zelden afgerekend op de gekozen uitkomst en vaak op de weg ernaartoe.

Ook het enquêterecht zelf is een afweging. Zijn er gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, dan volgt daaruit niet automatisch dat een onderzoek wordt gelast; de bevoegdheid is discretionair en vergt een afweging van de betrokken belangen die steunt op de feiten van het concrete geval, waarbij het belang van de rechtspersoon vooropstaat (ECLI:NL:GHAMS:2026:2222). Op dezelfde lijn ligt dat een wanbeleidsoordeel geen automatisme is, ook niet bij ernstige formele en materiële gebreken waarbij onvoldoende oog is geweest voor het belang van de vennootschap en haar minderheidsaandeelhouders (ECLI:NL:HR:2026:403).

Van norm naar sanctie, en open vragen

De norm heeft twee sanctiesporen die niet samenvallen. Het eerste is de enquête: wordt vastgesteld dat is gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap, dan is sprake van wanbeleid (ECLI:NL:HR:2014:808), en kan de Ondernemingskamer voorzieningen treffen en de onderzoekskosten verhalen op een functionaris die verantwoordelijk is voor onjuist beleid (art. 2:354 BW). Het tweede is interne aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW, waarvoor een ernstig verwijt is vereist, te beoordelen aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de activiteiten en de daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken, en het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult (ECLI:NL:HR:1997:ZC2243).

De verhouding tussen beide sporen is inmiddels uitgekristalliseerd. Gaat het om de algemene gang van zaken, dan leidt een ernstig verwijt tot collectieve aansprakelijkheid van alle bestuurders, behoudens individuele disculpatie. Maar het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van wanbeleid brengt niet zonder meer mee dat een bestuurder aansprakelijk is of dat dit voorshands moet worden aangenomen; dat oordeel dient in de aansprakelijkheidsprocedure in aanmerking te worden genomen en kan bewijsrechtelijke betekenis hebben, ook wanneer de betrokkene in de kosten van het onderzoek is veroordeeld (ECLI:NL:GHAMS:2020:1790). Wie een aansprakelijkheidsclaim op een wanbeleidsoordeel wil bouwen, heeft dus een vertrekpunt en geen eindpunt. Voor de aansprakelijkheidsleer zelf is het aparte lemma over bestuurdersaansprakelijkheid de plaats.

Open blijft vooral wie de norm kan afdwingen en namens wie. De zorgvuldigheidsnorm strekt zich uit tot alle betrokkenen, maar de handhavingsroutes zijn beperkt: art. 2:9 BW geeft een vordering aan de rechtspersoon, en het enquêterecht is voorbehouden aan een afgebakende kring van verzoekers, terwijl werknemers en crediteuren daar veelal buiten vallen. Een tweede open vraag is hoe niet-financiële belangen zich verhouden tot het bestendige succes van de onderneming, nu de rechtspraak wel de tijdshorizon benoemt maar geen weegfactoren geeft. Een derde is de betekenis van de norm in concernverband, waar de belangen van de dochter, de moeder en de groep als geheel uiteen kunnen lopen en de vraag is welk vennootschapsbelang een bestuurder van de dochter precies dient.

Rechtspraaklijn

  1. 10 januari 1997, Hoge Raad Arrest Staleman/Van de Ven (ECLI:NL:HR:1997:ZC2243) Voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW is een ernstig verwijt vereist, te beoordelen aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de activiteiten, de daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur en de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken.
  2. 18 april 2003, Hoge Raad Rodamco North America N.V. in liquidatie en anderen/Vereniging van Effectenbezitters en anderen (ECLI:NL:HR:2003:AF2161) Tot het beleid dat een beschermingsmaatregel rechtvaardigt behoort in het bijzonder dat het bestuur ervoor zorgt dat zowel de aandeelhouder die de zeggenschap tracht te verkrijgen als de overige aandeelhouders voldoende worden geïnformeerd over de wederzijdse standpunten. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2003:AF2161
  3. 29 juni 2007, Hoge Raad Bruil-Kombex-arrest (ECLI:NL:HR:2007:BA0033) Van een tegenstrijdig belang is sprake als de bestuurder door een persoonlijk of niet parallel lopend belang niet in staat moet worden geacht het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming te bewaken zoals van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2007:BA0033
  4. 13 juli 2007, Hoge Raad Bank of America Corporation/Vereniging van Effectenbezitters (VEB) c.s., ABN AMRO Holding N.V., ABN AMRO Bank N.V., The Royal Bank of Scotland Group PLC, Fortis N.V., Fortis S.A./N.V., Banco Santander Central Hispano S.A., Barclays PLC (ECLI:NL:HR:2007:BA7972) Het bepalen van de strategie is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur, dat behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen niet verplicht is de algemene vergadering vooraf te betrekken bij of te consulteren over handelingen waartoe het bevoegd is. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2007:BA7972
  5. 9 juli 2010, Hoge Raad ASMI (ECLI:NL:HR:2010:BM0976) Het bestuur behoort bij de vervulling van zijn taken het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming voorop te stellen en de belangen van alle betrokkenen, waaronder die van de aandeelhouders, bij zijn besluitvorming in aanmerking te nemen. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2010:BM0976
  6. 12 juli 2013, Hoge Raad Vereniging VEB NCVB en Emarcy B.V./Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. en Air France-KLM S.A. (ECLI:NL:HR:2013:BZ9145) Art. 2:8 BW verplicht de vennootschap zorgvuldigheid te betrachten jegens de belangen van al haar aandeelhouders, terwijl de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2013:BZ9145
  7. 4 april 2014, Hoge Raad Cancun (ECLI:NL:HR:2014:797) Bestuurders richten zich naar het vennootschapsbelang, dat bij een verbonden onderneming in de regel vooral wordt bepaald door het bevorderen van haar bestendige succes, en moeten zorgvuldigheid betrachten jegens alle betrokkenen zodat hun belangen niet onnodig of onevenredig worden geschaad, ongeacht op wiens voordracht een bestuurder is benoemd. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2013:1826
  8. 4 april 2014, Hoge Raad Cancun (parallelzaak) (ECLI:NL:HR:2014:808) Art. 2:8 BW is van dwingend recht en bindt aandeelhouders ook jegens elkaar en jegens de vennootschap wanneer wet, statuten en aandeelhoudersovereenkomst de handeling toestaan; wanbeleid vergt handelen in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.
  9. 20 april 2018, Hoge Raad Boskalis Holding B.V./Fugro N.V. (ECLI:NL:HR:2018:652) Het bestuur heeft een eigen verantwoordelijkheid om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, wat de bevoegdheden begrenst die aandeelhouders tegenover het bestuur kunnen inroepen. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2018:14
  10. 3 juli 2020, Gerechtshof Amsterdam CANCUN HOLDING II B.V./TMF NETHERLANDS B.V. (ECLI:NL:GHAMS:2020:1790) Een wanbeleidsoordeel brengt niet zonder meer aansprakelijkheid mee maar kan bewijsrechtelijke betekenis hebben, terwijl een trustbestuurder die volgens instructies van aandeelhouders handelt in beginsel aan dezelfde eisen is onderworpen als iedere andere bestuurder.
  11. 10 februari 2023, Hoge Raad Bab-Al Mustaqbal Real Estate Co./Cordial N.V., Turnham N.V., Intertrust (Curaçao) B.V., Mahmoud Haider & Sons Trading & Contracting Co. (ECLI:NL:HR:2023:199) De rechtspersoon heeft een zelfstandig belang erbij dat wettelijke, statutaire en uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen worden nageleefd, waaronder de procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2022:535
  12. 14 oktober 2025, Gerechtshof Amsterdam Nexperia Holding B.V. en Nexperia B.V./Nexperia Holding B.V. en Nexperia B.V. (ECLI:NL:GHAMS:2025:2752) In alle stadia van de enquêteprocedure moet een integrale afweging plaatsvinden van de uiteenlopende belangen van de rechtspersoon en van alle belanghebbenden, waaronder de ondernemingsraad en de Staat.
  13. 13 maart 2026, Hoge Raad ICTS International (ECLI:NL:HR:2026:403) Ook bij ernstige formele en materiële gebreken waarbij onvoldoende oog is geweest voor het belang van de vennootschap en haar minderheidsaandeelhouders is de Ondernemingskamer niet steeds gehouden wanbeleid vast te stellen, en zij mag daarbij acht slaan op herstelmaatregelen van na de eerste fase. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:916
  14. 13 augustus 2026 Zorginstelling (Wmcz) (ECLI:NL:GHAMS:2026:2222) Gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen leiden niet automatisch tot een onderzoek: de bevoegdheid is discretionair en vergt een op de concrete omstandigheden steunende belangenafweging waarin het belang van de rechtspersoon vooropstaat.

Verwante leerstukken

Bijgewerkt 3 september 2026