Beperking van aandeelhoudersrechten in het belang van de vennootschap
Aandeelhoudersrechten zijn niet absoluut: de wet, de bevoegdheidsverdeling tussen de organen en de redelijkheid en billijkheid begrenzen wat een aandeelhouder kan afdwingen zodra het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming in het geding is.
Een aandeelhouder heeft stemrecht, vergaderrecht, een recht op inlichtingen in de algemene vergadering, een agenderingsrecht, een voorkeursrecht bij uitgifte en aanspraak op gelijke behandeling. Geen van die rechten is onbegrensd. Het bestuur is belast met het besturen en richt zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, en die taakopdracht trekt de belangrijkste grens: beleid en strategie zijn in beginsel een aangelegenheid van het bestuur, zodat de algemene vergadering daarover niets kan afdwingen wat de wet en de statuten haar niet toekennen. Daarbovenop kunnen de vennootschap zelf, een beschermingsstichting of de Ondernemingskamer aandeelhoudersrechten actief inperken, van een beschermingsemissie tot het schorsen van stemrecht. De scherpe kanten zitten in de rechtvaardiging: noodzaak, adequaatheid, proportionaliteit en tijdelijkheid van de maatregel, en de zorgvuldigheid en informatievoorziening jegens de aandeelhouder die de beperking treft. Het vennootschappelijk belang is namelijk geen blanco volmacht, want de rechtspersoon heeft ook een zelfstandig belang bij naleving van de procedurele normen die goede besluitvorming waarborgen.
Wettelijk kader
- art. 2:8 BW Redelijkheid en billijkheid tussen de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen; normeert de uitoefening van aandeelhoudersrechten en kan op grond van lid 2 een geldende regel buiten toepassing laten.
Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
- art. 2:129 BW Bestuurstaak bij de NV; rekent voor beursvennootschappen het bepalen van beleid en strategie uitdrukkelijk tot het besturen, en verplicht bestuurders zich te richten naar het vennootschappelijk belang.
Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap. Voor een vennootschap waarvan de aandelen of met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, is daaronder in ieder geval begrepen het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. Besluiten van het bestuur kunnen bij of krachtens de statuten slechts worden onderworpen aan de goedkeuring van een orgaan van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een orgaan van de vennootschap die de algemene lijnen van het te voeren beleid op nader in de statuten aangegeven terreinen betreffen. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.
- art. 2:239 BW Bestuurstaak bij de BV; het bestuur hoeft een statutaire aanwijzing niet op te volgen als die in strijd is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. Besluiten van het bestuur kunnen bij of krachtens de statuten slechts worden onderworpen aan de goedkeuring van een ander orgaan van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap. Het bestuur is gehouden de aanwijzingen op te volgen, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.
- art. 2:107 BW Restbevoegdheid van de algemene vergadering en haar recht op inlichtingen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet.
Aan de algemene vergadering behoort, binnen de door de wet en de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheid, die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend. Het bestuur en de raad van commissarissen verschaffen haar alle verlangde inlichtingen, tenzij een zwaarwichtig belang der vennootschap zich daartegen verzet.
- art. 2:107a BW Begrensde goedkeuringsplicht: alleen besluiten die de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming belangrijk veranderen, behoeven goedkeuring van de algemene vergadering.
Aan de goedkeuring van de algemene vergadering zijn onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming, waaronder in ieder geval: overdracht van de onderneming of vrijwel de gehele onderneming aan een derde; het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de vennootschap of een dochtermaatschappij met een andere rechtspersoon of vennootschap dan wel als volledig aansprakelijke vennote in een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de vennootschap; het nemen of afstoten van een deelneming in het kapitaal van een vennootschap ter waarde van ten minste een derde van het bedrag van de activa volgens de balans met toelichting of, indien de vennootschap een geconsolideerde balans opstelt, volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de laatst vastgestelde jaarrekening van de vennootschap, door haar of een dochtermaatschappij. Het ontbreken van de goedkeuring van de algemene vergadering op een besluit als bedoeld in lid 1 tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuur of bestuurders niet aan. Indien de vennootschap krachtens wettelijke bepalingen een ondernemingsraad heeft ingesteld, wordt het verzoek om goedkeuring niet aan de algemene vergadering aangeboden, dan nadat de ondernemingsraad tijdig voor de datum van oproeping als bedoeld in artikel 114 in de gelegenheid is gesteld hierover een standpunt te bepalen. Het standpunt van de ondernemingsraad wordt gelijktijdig met het verzoek om goedkeuring aan de algemene vergadering aangeboden. De voorzitter of een door hem aangewezen lid van de ondernemingsraad kan het standpunt van de ondernemingsraad in de algemene vergadering toelichten. Het ontbreken van dat standpunt tast de besluitvorming over het verzoek om goedkeuring niet aan. Voor de toepassing van lid 3 wordt onder de ondernemingsraad mede verstaan de ondernemingsraad van de onderneming van een dochtermaatschappij, mits de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam zijn. Is er meer dan één ondernemingsraad, dan wordt de bevoegdheid door deze raden gezamenlijk uitgeoefend. Is voor de betrokken onderneming of ondernemingen een centrale ondernemingsraad ingesteld, dan komt de bevoegdheid toe aan de centrale ondernemingsraad. Met dien verstande dat de bij deze wet aan de ondernemingsraad toegekende rechten niet kunnen worden uitgeoefend met betrekking tot algemene vergaderingen die gehouden worden binnen negentig dagen na 1 juli 2010.
- art. 2:114a BW Agenderingsrecht van aandeelhouders en certificaathouders met ten minste drie procent van het geplaatste kapitaal bij de NV.
Een onderwerp, waarvan de behandeling schriftelijk is verzocht door een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk tenminste drie honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, wordt opgenomen in de oproeping of op dezelfde wijze aangekondigd indien de vennootschap het met redenen omklede verzoek of een voorstel voor een besluit niet later dan op de zestigste dag voor die van de vergadering heeft ontvangen. In de statuten kan het vereiste gedeelte van het kapitaal lager worden gesteld en de termijn voor indiening van het verzoek worden verkort. Voor de toepassing van dit artikel worden met de houders van aandelen gelijkgesteld de houders van de certificaten van aandelen die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven. Tenzij de statuten anders bepalen, wordt aan de eis van schriftelijkheid van het verzoek als bedoeld in lid 1 voldaan indien dit verzoek elektronisch is vastgelegd. Artikel VI van Stb. 2012/588 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
- art. 2:224a BW Het equivalent van het agenderingsrecht bij de BV.
Een onderwerp, waarvan de behandeling schriftelijk is verzocht door een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, wordt opgenomen in de oproeping of op dezelfde wijze aangekondigd indien de vennootschap het verzoek niet later dan op de dertigste dag voor die van de vergadering heeft ontvangen en mits geen zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. In de statuten kan het vereiste gedeelte van het kapitaal lager worden gesteld en de termijn voor indiening van het verzoek worden verkort. Voor de toepassing van dit artikel worden met de houders van aandelen gelijkgesteld anderen aan wie het vergaderrecht toekomt. Tenzij de statuten anders bepalen, wordt aan de eis van schriftelijkheid van het verzoek als bedoeld in lid 1 voldaan indien dit verzoek elektronisch is vastgelegd. Artikel V.1 van Stb. 2012/300 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Treedt volgens Stb. 2012/300 in werking.
- art. 2:92 BW Gelijke rechten per aandeel als regelend recht, met het dwingende gebod aandeelhouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden op dezelfde wijze te behandelen.
Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, zijn aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen verbonden. De naamloze vennootschap moet de aandeelhouders onderscheidenlijk certificaathouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden, op dezelfde wijze behandelen. De statuten kunnen bepalen dat aan aandelen van een bepaalde soort bijzondere rechten als in de statuten omschreven inzake de zeggenschap in de vennootschap zijn verbonden.
- art. 2:206a BW Voorkeursrecht bij uitgifte, dat per uitgifte kan worden beperkt of uitgesloten.
Voor zover de statuten niet anders bepalen, heeft iedere aandeelhouder bij uitgifte van aandelen een voorkeursrecht naar evenredigheid van het gezamenlijke bedrag van zijn aandelen, behoudens de beide volgende leden. Hij heeft geen voorkeursrecht op aandelen die worden uitgegeven aan werknemers van de vennootschap of van een groepsmaatschappij. Het voorkeursrecht kan, telkens voor een enkele uitgifte, worden beperkt of uitgesloten bij besluit van de algemene vergadering, voor zover de statuten niet anders bepalen. Voor zover de statuten niet anders bepalen, hebben houders van aandelen die geen recht geven tot deling in de winst of reserves van de vennootschap of die niet boven een bepaald percentage van het nominale bedrag of slechts in beperkte mate daarboven delen in de winst, of die niet boven het nominale bedrag of slechts in beperkte mate daarboven delen in een overschot na vereffening, of waaraan ingevolge een statutaire regeling op grond van artikel 228 lid 5 geen stemrecht is verbonden, geen voorkeursrecht op uit te geven aandelen. Voor zover de statuten niet anders bepalen, hebben de aandeelhouders geen voorkeursrecht op uit te geven aandelen in een van de in lid 2 onder a, b en c omschreven soorten. De vennootschap kondigt de uitgifte met voorkeursrecht en het tijdvak waarin dat kan worden uitgeoefend, aan in een schriftelijke mededeling aan alle aandeelhouders aan het door hen opgegeven adres. Tenzij de statuten anders bepalen, wordt aan de eis van schriftelijkheid voldaan indien de mededeling elektronisch is vastgelegd. Het voorkeursrecht kan worden uitgeoefend gedurende ten minste vier weken na de dag van de verzending van de aankondiging. Voor zover de statuten niet anders bepalen, hebben de aandeelhouders een voorkeursrecht bij het verlenen van rechten tot het nemen van andere aandelen dan de in lid 2 onder a, b en c omschreven soorten; de vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing. Aandeelhouders hebben geen voorkeursrecht op aandelen die worden uitgegeven aan iemand die een voordien reeds verkregen recht tot het nemen van aandelen uitoefent. Artikel V.1 van Stb. 2012/300 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging. Treedt volgens Stb. 2012/300 in werking.
- art. 2:201a BW Uitkoopregeling met limitatieve afwijzingsgronden, waarmee een minderheid gedwongen uit de vennootschap kan worden gehaald.
Hij die als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de vennootschap verschaft en ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering kan uitoefenen, kan tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders een vordering instellen tot overdracht van hun aandelen aan de eiser. Hetzelfde geldt, indien twee of meer groepsmaatschappijen dit deel van het geplaatste kapitaal samen verschaffen en dit deel van de stemrechten samen kunnen uitoefenen en samen de vordering instellen tot overdracht aan een hunner. Over de vordering oordeelt in eerste aanleg de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Van de uitspraak staat uitsluitend beroep in cassatie open. Indien tegen een of meer verweerders verstek is verleend, moet de rechter ambtshalve onderzoeken of de eiser of eisers de vereisten van lid 1 vervullen. De rechter wijst de vordering tegen alle verweerders af, indien een verweerder ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht, een verweerder houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden of een eiser jegens een verweerder afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid de vordering in te stellen. Indien de rechter oordeelt dat de leden 1 en 4 de toewijzing van de vordering niet beletten, kan hij bevelen dat een of drie deskundigen zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen. De eerste drie zinnen van artikel 350 lid 3 en de artikelen 351 en 352 zijn van toepassing. De rechter stelt de prijs vast die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. Zo lang en voor zover de prijs niet is betaald, wordt hij verhoogd met rente, gelijk aan de wettelijke rente, van die dag af tot de overdracht; uitkeringen op de aandelen die in dit tijdvak betaalbaar worden gesteld, strekken op de dag van betaalbaarstelling tot gedeeltelijke betaling van de prijs. De rechter die de vordering toewijst, veroordeelt de overnemer aan degenen aan wie de aandelen toebehoren of zullen toebehoren de vastgestelde prijs met rente te betalen tegen levering van het onbezwaarde recht op de aandelen. De rechter geeft omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als hij meent dat behoort. Een verweerder die geen verweer heeft gevoerd, wordt niet verwezen in de kosten. Staat het bevel tot overdracht bij gerechtelijk gewijsde vast, dan deelt de overnemer de dag en plaats van betaalbaarstelling en de prijs schriftelijk mee aan de houders van de over te nemen aandelen van wie hij het adres kent. Hij kondigt deze ook aan in een landelijk verspreid dagblad, tenzij hij van allen het adres kent. De overnemer kan zich altijd van zijn verplichtingen ingevolge de leden 6 en 7 bevrijden door de vastgestelde prijs met rente voor alle nog niet overgenomen aandelen te consigneren, onder mededeling van hem bekende rechten van pand en vruchtgebruik en de hem bekende beslagen. Door deze mededeling gaat beslag over van de aandelen op het recht op uitkering. Door het consigneren gaat het recht op de aandelen onbezwaard op hem over en gaan rechten van pand of vruchtgebruik over op het recht op uitkering. Aan aandeel- en dividendbewijzen waarop na de overgang uitkeringen betaalbaar zijn gesteld, kan nadien geen recht jegens de vennootschap meer worden ontleend. De overnemer maakt het consigneren en de prijs per aandeel op dat tijdstip bekend op de wijze van lid 7. Artikel CIX van Stb. 2016/290 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
- art. 2:15 BW Vernietigbaarheid van besluiten wegens strijd met totstandkomingsvoorschriften of met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW.
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist; wegens strijd met een reglement. Tot de bepalingen als bedoeld in het vorige lid onder a , behoren niet die welke de voorschriften bevatten waarop in artikel 14 lid 2 wordt gedoeld. Vernietiging geschiedt door een uitspraak van de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon: op een vordering tegen de rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, of op vordering van de rechtspersoon zelf, ingesteld krachtens bestuursbesluit tegen degene die door de voorzieningenrechter van de rechtbank is aangewezen op een daartoe gedaan verzoek van de rechtspersoon; in dat geval worden de kosten van het geding door de rechtspersoon gedragen. Indien een bestuurder in eigen naam de vordering instelt, verzoekt de rechtspersoon de voorzieningenrechter van de rechtbank iemand aan te wijzen, die terzake van het geding in de plaats van het bestuur treedt. De bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Een besluit dat vernietigbaar is op grond van lid 1 onder a , kan door een daartoe strekkend besluit worden bevestigd; voor dit besluit gelden de zelfde vereisten als voor het te bevestigen besluit. De bevestiging werkt niet zolang een tevoren ingestelde vordering tot vernietiging aanhangig is. Indien de vordering wordt toegewezen, geldt het vernietigde besluit als opnieuw genomen door het latere besluit, tenzij uit de strekking van dit besluit het tegendeel voortvloeit.
- art. 2:349a BW Onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer, die aandeelhoudersrechten voor de duur van het geding opzij kunnen zetten.
De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. In afwijking van artikel 282 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de behandeling. De verzoekers en de rechtspersoon verschijnen hetzij bij advocaat, hetzij bijgestaan door hun advocaten. Alvorens te beslissen kan de ondernemingskamer ook ambtshalve getuigen en deskundigen horen. Indien gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek, kan de ondernemingskamer in elke stand van het geding op verzoek van de indieners van het in artikel 345 bedoelde verzoek een zodanige voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding. Artikel 357 lid 6 is van overeenkomstige toepassing. Ingeval nog geen onderzoek is gelast, wordt een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de ondernemingskamer gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. De ondernemingskamer beslist daarna binnen een redelijke termijn op het verzoek als bedoeld in artikel 345 . Artikel III van Stb. 2012/274 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
- art. 3:13 BW Misbruik van bevoegdheid; naast art. 2:8 lid 2 BW een grondslag om een op zichzelf bestaand aandeelhoudersrecht niet te honoreren.
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.
Wettelijk kader
De rechten van een aandeelhouder liggen verspreid over Boek 2. Naast stem- en vergaderrecht gaat het om het recht van de algemene vergadering op alle verlangde inlichtingen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet (art. 2:107 lid 2 BW), het agenderingsrecht (art. 2:114a BW voor de NV, art. 2:224a BW voor de BV), het voorkeursrecht bij uitgifte (art. 2:206a BW) en de aanspraak van aandeelhouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden om op dezelfde wijze te worden behandeld (art. 2:92 lid 2 BW). De algemene vergadering heeft bovendien alle bevoegdheid die niet aan het bestuur of aan anderen is toegekend (art. 2:107 lid 1 BW).
Daartegenover staat de taakopdracht van het bestuur. Het bestuur is belast met het besturen van de vennootschap en richt zich bij de vervulling van zijn taak naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (art. 2:129 BW, art. 2:239 BW). Voor beursvennootschappen rekent art. 2:129 lid 1 BW het bepalen van het beleid en de strategie uitdrukkelijk tot het besturen. Bij de BV geldt dat het bestuur een statutair verankerde aanwijzing niet hoeft op te volgen als die in strijd is met het vennootschappelijk belang.
Beperking van aandeelhoudersrechten loopt langs drie lijnen. De eerste is de wet zelf, die de rechten al begrensd formuleert: het inlichtingenrecht kent de uitzondering van het zwaarwichtig belang, de goedkeuringsplicht van art. 2:107a BW ziet alleen op besluiten die de identiteit of het karakter van de onderneming belangrijk veranderen, en de uitkoopregeling van art. 2:201a BW haalt een minderheid onder omstandigheden gedwongen uit de vennootschap. De tweede is de bevoegdheidsverdeling tussen de organen. De derde is art. 2:8 BW, dat zowel normeert (zorgvuldigheid jegens alle betrokkenen) als beperkt (lid 2 laat een geldende regel buiten toepassing waar toepassing onaanvaardbaar zou zijn), aangevuld door het verbod van misbruik van bevoegdheid van art. 3:13 BW. Sluitstukken zijn de vernietiging van besluiten (art. 2:15 BW) en het enquêterecht, waarin de Ondernemingskamer rechten tijdelijk opzij kan zetten (art. 2:349a lid 2 BW).
Het belang van de vennootschap als maatstaf
Wat het vennootschappelijk belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Is aan de vennootschap een onderneming verbonden, dan wordt dat belang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van die onderneming. Bij een joint venture wordt het mede bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking, wat kan meebrengen dat continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders zelf tot het vennootschapsbelang behoort en de verhoudingen niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is (ECLI:NL:HR:2014:797). Bestuurders moeten daarnaast, mede op grond van art. 2:8 BW, zorgvuldigheid betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, wat een bijzondere zorgplicht kan meebrengen jegens een aandeelhouder wiens belang verwatert of dreigt te verwateren.
Het beroep op het vennootschappelijk belang is geen blanco volmacht. De rechtspersoon heeft ook een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen, en normen die voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid, op juiste wijze worden nageleefd; daaronder vallen uitdrukkelijk de procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming. Daarbij komt dat het enquêterecht mede strekt ter bescherming van een minderheid van aandeelhouders of certificaathouders tegen mogelijk machtsmisbruik door de meerderheid, en dat die strekking ook moet kunnen worden gediend als de daaruit volgende maatregelen, waaronder vernietiging van besluiten, de rechtspersoon zelf nadeel of hinder berokkenen (ECLI:NL:HR:2023:199). Wie een aandeelhoudersrecht wil beperken, kan dus niet volstaan met de stelling dat de uitkomst de vennootschap goed uitkomt; ook de weg ernaartoe telt.
Strategie en de grenzen van het agenderingsrecht
De belangrijkste structurele beperking is de bevoegdheidsverdeling. Het bepalen van het beleid en de strategie van een vennootschap en de met haar verbonden onderneming is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur, de raad van commissarissen houdt daarop toezicht, en de algemene vergadering kan haar opvattingen daarover uitsluitend tot uitdrukking brengen door uitoefening van de haar in wet en statuten toegekende rechten. Het bestuur legt achteraf verantwoording af, maar is, behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen, niet verplicht de algemene vergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken of te consulteren wanneer het gaat om handelingen waartoe het bevoegd is (ECLI:NL:HR:2007:BA7972). Dat het aandeelhoudersbelang bij een zo hoog mogelijke verkoopprijs meespeelt, schept op zichzelf geen consultatieplicht, en zo'n plicht kan zonder wettelijke of statutaire regeling ook niet worden aanvaard omdat zij tot onaanvaardbare rechtsonzekerheid zou leiden. Het bestuur stelt het vennootschapsbelang voorop en neemt daarbij de belangen van alle betrokkenen, waaronder de aandeelhouders, in aanmerking; het is aan het bestuur, onder toezicht van de raad van commissarissen, te beoordelen of overleg met externe aandeelhouders wenselijk is, en dat aandeelhouders het oneens zijn met het beleid maakt het bestuur nog niet gehouden op hun visie in te gaan (ECLI:NL:HR:2010:BM0976).
Deze verdeling begrenst het agenderingsrecht. Een tijdig en met redenen omkleed verzoek op grond van art. 2:114a BW kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden geweigerd, en een grondslag voor weigering kan zijn gelegen in art. 2:8 lid 2 BW of art. 3:13 lid 1 BW. Het agenderingsrecht kan ook onderwerpen betreffen waarover de algemene vergadering geen besluitvormingsbevoegdheid heeft. Maar het geeft geen recht een onderwerp ter stemming te laten agenderen wanneer de algemene vergadering niet bevoegd is daarover te besluiten, en de vorm waarin de stemming wordt gegoten doet daarbij niet ter zake: een informele stemming, een aanbeveling, een motie of een peiling levert hetzelfde oordeel op, ook al heeft de uitkomst geen rechtsgevolg (ECLI:NL:HR:2018:652, in gelijke zin het bekrachtigde ECLI:NL:GHDHA:2016:1531). Ook de inrichting van de vennootschappelijke organisatie valt hieronder: voor zover bevoegdheden daaromtrent aan het bestuur toekomen, valt de uitoefening ervan samen met het bepalen van beleid en strategie. De Aandeelhoudersrichtlijn dwingt niet tot een ruimer agenderingsrecht.
Informatie en gelijke behandeling
Het recht op inlichtingen is een recht van de algemene vergadering als orgaan, verleend met het oog op vennootschappelijke rekening en verantwoording. Bestuur en raad van commissarissen zijn gehouden aan de vergadering alle verlangde inlichtingen te verschaffen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet, en iedere aandeelhouder heeft ter vergadering zelfstandig het recht vragen te stellen, ook buiten de agendapunten om. Daarbuiten hebben aandeelhouders echter geen recht op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie (ECLI:NL:HR:2010:BM0976). De individuele aandeelhouder die buiten de vergadering om een dossier opvraagt, stuit dus op een principiële grens; wie informatie wil, moet die in de vergadering vragen. Dat neemt niet weg dat het structureel onbeantwoord laten van legitieme vragen over essentiële onderwerpen gegronde redenen kan opleveren om aan een juist beleid te twijfelen.
Bij gelijke behandeling is het beeld gelaagd. Art. 2:92 lid 1 BW verbindt aan alle aandelen naar rato gelijke rechten en verplichtingen, maar uitdrukkelijk alleen voor zover de statuten niet anders bepalen; dwingend is het gebod van lid 2 om aandeelhouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden op dezelfde wijze te behandelen. Statutaire differentiatie is dus mogelijk, en die kan de positie van de gewone aandeelhouder wezenlijk uithollen. Waar een orgaan met bijzondere rechten, zoals de vergadering van houders van prioriteitsaandelen, de winst grotendeels reserveert en daarmee het dividend van de gewone aandeelhouders beperkt, brengt art. 2:8 BW mee dat de vennootschap zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders, waarbij mag meewegen dat het gaat om een minderheid tegenover een meerderheid. Een formele eis dat die belangen in het statutair voorgeschreven vooroverleg uitdrukkelijk ter sprake zijn gebracht, kan echter niet worden gesteld op straffe van vernietigbaarheid; ook zonder dat kan met die belangen voldoende rekening zijn gehouden (ECLI:NL:HR:2013:BZ9145).
Beschermingsmaatregelen
De meest zichtbare beperking is de beschermingsmaatregel tegen een ongewenste overname of een ongewenste invloed, doorgaans de uitoefening van een calloptie op beschermingspreferente aandelen door een onafhankelijke stichting. Zo'n maatregel kan gerechtvaardigd zijn als hij noodzakelijk is met het oog op onder meer de continuïteit van het beleid van de vennootschap en de belangen van de daarbij betrokkenen. Beslissend is of het bestuur van de doelvennootschap in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de maatregel nodig was om, in afwachting van de uitkomst van verder overleg, de status quo te handhaven en te voorkomen dat zonder voldoende overleg wijzigingen worden gebracht in de samenstelling van het bestuur of in het gevoerde beleid. De maatstaf is of de maatregel bij een redelijke afweging van de betrokken belangen nog valt binnen de marges van een adequate en proportionele reactie op het dreigende gevaar van een ongewenste overname. Handhaving gedurende onbepaalde tijd is in het algemeen niet gerechtvaardigd, en tot het vereiste beleid behoort in het bijzonder dat het bestuur ervoor zorgt dat zowel de aandeelhouder die de zeggenschap tracht te verkrijgen als de overige aandeelhouders voldoende worden geïnformeerd over de wederzijdse standpunten. Of aan die maatstaf is voldaan, kan pas na verloop van enige tijd worden beoordeeld, omdat het niet alleen aankomt op de eerste reactie maar vooral op het beleid dat daarna wordt gevoerd (ECLI:NL:HR:2003:AF2161).
De stichting die de maatregel uitvoert, heeft daarbij een eigen positie. Haar interventie dient beperkt te blijven tot het vooralsnog handhaven van de status quo en tot het creëren van omstandigheden waaronder vruchtbaar overleg mogelijk wordt; zij moet zich zelfstandig en onafhankelijk van bestuur en commissarissen opstellen, zonder noemenswaardig eigen belang, en waken tegen onaanvaardbare belangenvermenging binnen de overige organen (ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4688). Het uitoefenen van de optie om het zittende bestuur de hand boven het hoofd te houden valt daarbuiten. Niet iedere transactie in een overnamesituatie is overigens een verkapte beschermingsmaatregel: de verkoop van een belangrijk bedrijfsonderdeel tijdens een biedingsstrijd kan een op zichzelf staande zakelijke beslissing zijn die binnen de bestuursbevoegdheid valt (ECLI:NL:HR:2007:BA7972).
Ingrepen in het aandelenbelang zelf
De zwaarste categorie raakt niet de uitoefening van een recht maar de omvang van het belang. De Ondernemingskamer heeft de vrijheid onmiddellijke voorzieningen te treffen die tijdelijk inbreuk maken op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap, en aan het treffen daarvan hoeft niet zonder meer in de weg te staan dat zij tot onomkeerbare gevolgen kunnen leiden, mits de voorziening naar haar aard voorlopig is en een billijke afweging van de belangen van de betrokken partijen heeft plaatsgevonden (ECLI:NL:HR:2001:AD5138). Op die grondslag kan zij de emissiebevoegdheid van de algemene vergadering opzijzetten en het bestuur machtigen tot uitgifte met terzijdestelling van het voorkeursrecht, mits de noodzaak voldoende is gebleken en een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn (ECLI:NL:HR:2011:BO7067). Dat scenario is uitgewerkt in het lemma over noodzaakfinanciering.
Buiten de enquête om gelden vergelijkbare eisen langs de weg van art. 2:8 BW. Overweegt een vennootschap aandelen uit te geven terwijl op voorhand rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een minderheidsaandeelhouder niet naar rato zal participeren, dan is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering. Die zorgvuldigheidsplicht is erop gericht dat de uitgifte geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden: noodzaak en omvang moeten voldoende duidelijk zijn en de uitgiftekoers moet in een redelijke verhouding staan tot de waarde van de aandelen voorafgaand aan de uitgifte, waarvoor inschakeling van een onafhankelijke waarderingsdeskundige gewenst en soms geboden is. Het proces moet transparant zijn, met ruimhartige verstrekking van verifieerbare informatie aan de minderheidsaandeelhouder en, waar nodig, betrokkenheid bij de waardering (ECLI:NL:GHAMS:2024:3574).
Een belang kan ook langs vennootschapsrechtelijke herstructurering worden weggewerkt. Dat een meerderheidsaandeelhouder die minder dan 95 procent houdt via een fusie de toepasselijkheid van de uitkoopregeling bewerkstelligt, is niet zonder meer ongeoorloofd; met de mogelijkheid van zo'n gedaantewisseling moet een minderheidsaandeelhouder rekening houden. Of het gebruik van zo'n constructie onrechtmatig is, hangt af van de omstandigheden, waarbij meeweegt of de minderheid onevenredig wordt benadeeld; een fusiebesluit dat enkel en alleen de strekking heeft de minderheid uit te stoten, kan in strijd komen met art. 2:8 BW (ECLI:NL:HR:2007:BA4117).
Toetsing, remedies en open vragen
De aandeelhouder die zich onterecht beperkt acht, heeft drie routes. Hij kan het besluit aantasten op grond van art. 2:15 BW, wegens strijd met totstandkomingsvoorschriften of met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Hij kan in kort geding nakoming van een recht vorderen, zoals bij het agenderingsrecht is gebeurd. En hij kan een enquête verzoeken, waarin de Ondernemingskamer al in de eerste fase onmiddellijke voorzieningen kan treffen.
De rechterlijke toets is daarbij terughoudend. Bij de beoordeling of een orgaan alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen, past terughoudendheid (ECLI:NL:HR:2013:BZ9145). In cassatie kunnen de vaststelling en waardering van feiten en de daarmee samenhangende belangenafweging bovendien niet worden getoetst behoudens onbegrijpelijkheid. Ook binnen de enquête is de drempel hoog: schending van gedragsnormen die uit art. 2:8 BW voortvloeien brengt niet zonder meer wanbeleid mee, want daarvoor is strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap vereist, en gebrekkige voorbereiding van een emissie kan onvoldoende zijn als de betrokken aandeelhouder financieel niet is benadeeld (ECLI:NL:GHAMS:2024:3574).
Open blijft vooral de temporele dimensie. Dat handhaving van een beschermingsmaatregel voor onbepaalde tijd in het algemeen niet gerechtvaardigd is, geeft geen scherpe termijn, en de beoordeling kan pas na verloop van tijd plaatsvinden. Een tweede open vraag is waar de scheidslijn precies loopt tussen de structuur en de strategie van de vennootschap: het oordeel dat de inrichting van de organisatie samenvalt met beleid en strategie voor zover de bevoegdheid daarover bij het bestuur ligt, verschuift die vraag naar de statutaire bevoegdheidsverdeling in het concrete geval. Een derde is de reikwijdte van de verzwaarde zorgvuldigheid bij verwaterende emissies buiten de joint venture om, waar de feitenrechtspraak zich nog aan het zetten is.
Rechtspraaklijn
- 12 november 2001, Hoge Raad FTS FAULT TOLERANT SYSTEMS 2000 B.V./SkyTech B.V., SkyGate Holding B.V., SkyGate B.V. (ECLI:NL:HR:2001:AD5138) De Ondernemingskamer mag voorlopige voorzieningen treffen die tijdelijk inbreuk maken op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap en tot onomkeerbare gevolgen kunnen leiden, mits de voorziening naar haar aard voorlopig is en een billijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2001:AD5138
- 18 april 2003, Hoge Raad Rodamco North America N.V. in liquidatie en anderen/Vereniging van Effectenbezitters en anderen (ECLI:NL:HR:2003:AF2161) Een beschermingsmaatregel is gerechtvaardigd voor zover zij bij een redelijke afweging van de betrokken belangen valt binnen de marges van een adequate en proportionele reactie op het dreigende gevaar van een ongewenste overname, waarbij handhaving voor onbepaalde tijd in het algemeen niet gerechtvaardigd is. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2003:AF2161
- 13 juli 2007, Hoge Raad Bank of America Corporation/Vereniging van Effectenbezitters (VEB) c.s., ABN AMRO Holding N.V., ABN AMRO Bank N.V., The Royal Bank of Scotland Group PLC, Fortis N.V., Fortis S.A./N.V., Banco Santander Central Hispano S.A., Barclays PLC (ECLI:NL:HR:2007:BA7972) Het bepalen van de strategie is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur, zodat het bestuur behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen niet verplicht is de algemene vergadering vooraf te betrekken bij of te consulteren over handelingen waartoe het bevoegd is. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2007:BA7972
- 14 september 2007, Hoge Raad Centaurus Capital Limited, SG Amber Fund, Arnhold & S. Bleichroeder Advisers LLC, Mellon HBV Alternative Strategies Limited, Barclays Capital Securities Limited/Versatel Telecom International N.V., Tele2 Finance B.V., Talpa Capital B.V., Stichting Belangenbehartiging Aandeelhouders Versatel Telecom International, Vereniging van Effectenbezitters (ECLI:NL:HR:2007:BA4117) Een meerderheidsaandeelhouder mag door een fusie de toepasselijkheid van de uitkoopregeling bewerkstelligen, tenzij het fusiebesluit enkel en alleen de strekking heeft de minderheid uit te stoten of de minderheid daardoor onevenredig wordt benadeeld.
- 5 augustus 2009 ASMI (Ondernemingskamer) (ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ4688) Een beschermingsstichting mag haar optie slechts uitoefenen om de status quo te handhaven en vruchtbaar overleg mogelijk te maken, en moet zich daarbij zelfstandig en onafhankelijk van bestuur en commissarissen opstellen zonder noemenswaardig eigen belang.
- 9 juli 2010, Hoge Raad ASMI (ECLI:NL:HR:2010:BM0976) Het recht op nadere inlichtingen is een recht van de algemene vergadering als orgaan, zodat aandeelhouders buiten de vergadering geen recht hebben op door hen afzonderlijk verlangde informatie, en het is aan het bestuur te beoordelen of overleg met externe aandeelhouders over de strategie wenselijk is. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2010:BM0976
- 25 februari 2011, Hoge Raad Inter Access (ECLI:NL:HR:2011:BO7067) De Ondernemingskamer mag bij wijze van onmiddellijke voorziening de emissiebevoegdheid van de algemene vergadering opzijzetten en het bestuur machtigen tot uitgifte met terzijdestelling van het voorkeursrecht, mits de noodzaak voldoende is gebleken en de belangen billijk zijn afgewogen. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2011:BO7067
- 12 juli 2013, Hoge Raad Vereniging VEB NCVB en Emarcy B.V./Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. en Air France-KLM S.A. (ECLI:NL:HR:2013:BZ9145) Art. 2:8 BW verplicht de vennootschap zorgvuldigheid te betrachten jegens de belangen van al haar aandeelhouders, maar stelt niet de formele eis dat die belangen in statutair vooroverleg uitdrukkelijk ter sprake zijn gebracht, en de rechter past terughoudendheid bij de toetsing van de belangenafweging. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2013:BZ9145
- 4 april 2014, Hoge Raad Cancun (ECLI:NL:HR:2014:797) Het vennootschappelijk belang wordt bij een joint venture mede bepaald door de aard en inhoud van de overeengekomen samenwerking, wat kan meebrengen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan geboden is en dat een bijzondere zorgplicht geldt jegens een verwaterende aandeelhouder. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2013:1826
- 31 mei 2016 Boskalis/Fugro (hof) (ECLI:NL:GHDHA:2016:1531) Het agenderingsrecht verplicht de vennootschap een onderwerp slechts ter stemming te agenderen wanneer de algemene vergadering bevoegd is daarover een besluit te nemen; voor het overige volstaat agendering ter bespreking.
- 20 april 2018, Hoge Raad Boskalis Holding B.V./Fugro N.V. (ECLI:NL:HR:2018:652) Art. 2:114a BW geeft aandeelhouders en certificaathouders niet het recht de vennootschap te verplichten een onderwerp dat een aangelegenheid van het bestuur is ter stemming te agenderen, ook niet in de vorm van een informele stemming, aanbeveling, motie of peiling. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2018:14
- 10 februari 2023, Hoge Raad Bab-Al Mustaqbal Real Estate Co./Cordial N.V., Turnham N.V., Intertrust (Curaçao) B.V., Mahmoud Haider & Sons Trading & Contracting Co. (ECLI:NL:HR:2023:199) De rechtspersoon heeft een zelfstandig belang bij naleving van wettelijke, statutaire en uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen, waaronder procedurele normen voor goede besluitvorming, en het enquêterecht strekt mede tot bescherming van de minderheid tegen machtsmisbruik door de meerderheid, ook als de rechtspersoon daarvan nadeel ondervindt. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2022:535
- 18 februari 2025, Gerechtshof Amsterdam Simetra (ECLI:NL:GHAMS:2024:3574) Moet bij een voorgenomen uitgifte op voorhand rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat een minderheidsaandeelhouder niet naar rato participeert, dan geldt een verhoogde zorgvuldigheid in voorbereiding, besluitvorming en uitvoering, gericht op redelijke en marktconforme voorwaarden en een transparant proces.