Bestuur vennootschap hoeft aandeelhouders niet vooraf te raadplegen bij verkoop belangrijke activa.
ABN AMRO. Enquêteprocedure; OK heeft ten onrechte bij wijze van onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a lid 2 BW de verdere uitvoering van de LaSalle-transactie opgeschort. Bij het ontbreken van wettelijke of statutaire regeling bestaat géén goedkeuringsrecht van AvA of consultatieplicht van bestuur enkel op grond van regels van ongeschreven recht (art. 2:8-9 BW) in verband met in handelsverkeer vereiste rechtszekerheid, uitwerking van HR 21 februari 2003, nr. OK 101, NJ 2003, 182; toepasselijkheid van art. 2:107a BW, geen ruimte voor analoge uitleg; interne verhouding bestuur-AvA; verzuim bij bestuursbesluit in beginsel géén externe werking
Rechtsvraag
Of het bestuur van ABN AMRO Holding verplicht is de verkoop van LaSalle ter goedkeuring voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders.
Regel
- art. 2:107a BW (goedkeuring van algemene vergadering vereist voor belangrijke veranderingen van identiteit of karakter van de vennootschap)
- art. 2:8 BW (eisen van redelijkheid en billijkheid)
- art. 2:9 BW (behoorlijke taakvervulling door bestuurders)
- Code-Tabaksblat principe II en IV (corporate governance)
Toepassing
- art. 2:107a BW (goedkeuring van algemene vergadering vereist voor belangrijke veranderingen van identiteit of karakter van de vennootschap) De verkoop van LaSalle door ABN AMRO valt niet binnen de reikwijdte van art. 2:107a BW omdat het besluit niet kan worden aangemerkt als een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap. De transactie voldoet niet aan het kwantitatieve criterium van art. 2:107a lid 1, onder c, en verandert de aard van het aandeelhouderschap niet zodanig dat aandeelhouders kapitaal gaan verschaffen aan een wezenlijk andere onderneming.
- art. 2:8 BW (eisen van redelijkheid en billijkheid) De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen niet mee dat het bestuur van ABN AMRO Holding verplicht is de algemene vergadering van aandeelhouders goedkeuring te vragen voor de verkoop van LaSalle. De Hoge Raad benadrukt dat dergelijke verplichtingen niet zonder wettelijke of statutaire basis kunnen worden aangenomen vanwege de vereiste rechtszekerheid.
- art. 2:9 BW (behoorlijke taakvervulling door bestuurders) Het bestuur van ABN AMRO heeft zijn taak naar behoren vervuld door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming voorop te stellen. De verkoop van LaSalle is een strategische beslissing die binnen de bevoegdheid van het bestuur valt en hoeft niet vooraf te worden goedgekeurd door de aandeelhouders.
- Code-Tabaksblat principe II en IV (corporate governance) De principes van de Code-Tabaksblat vereisen niet dat het bestuur van ABN AMRO Holding de algemene vergadering van aandeelhouders raadpleegt over de verkoop van LaSalle. De Hoge Raad benadrukt dat dergelijke verplichtingen niet zonder wettelijke of statutaire basis kunnen worden aangenomen vanwege de vereiste rechtszekerheid.
Conclusie
De Hoge Raad concludeert dat het bestuur van ABN AMRO Holding niet verplicht is de verkoop van LaSalle ter goedkeuring voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders. De door de ondernemingskamer aangenomen verplichting van het bestuur om de transactie ter goedkeuring voor te leggen, vindt geen steun in het ongeschreven recht, art. 2:107a BW of de eisen van redelijkheid en billijkheid. De door VEB c.s. verzochte onmiddellijke voorzieningen worden afgewezen.
Partijen en standpunten
- Eiser: Bank of America Corporation
- Gedaagde: Vereniging van Effectenbezitters (VEB) c.s., ABN AMRO Holding N.V., ABN AMRO Bank N.V., The Royal Bank of Scotland Group PLC, Fortis N.V., Fortis S.A./N.V., Banco Santander Central Hispano S.A., Barclays PLC
Verzoek om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank vanaf 1 januari 2006, en onmiddellijke voorzieningen ter voorkoming van de uitvoering van de koopovereenkomst tussen ABN AMRO Bank en Bank of America zonder goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders.
Het verzoek van VEB c.s. is gebaseerd op de stelling dat de verkoop van LaSalle onrechtmatig is jegens de aandeelhouders en dat goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders vereist is. ABN AMRO betwist deze stellingen en verzoekt het verzoek af te wijzen.
Wetsartikelen
- art. 2:2:107a BW
- art. 2:2:8 BW
- art. 2:2:9 BW
- art. 2:2:359b BW
- art. 2:2:107a lid 2 BW
Tijdlijn
- 16-01-2007 De CEO van Bank of America verklaart in The Wall Street Journal dat zijn bank geïnteresseerd is in de verwerving van LaSalle.
- 20-02-2007 TCI, een aandeelhouder van ABN AMRO Holding, uit kritiek op de strategie van ABN AMRO en stelt voor om af te stappen van de acquisitiestrategie en actief te streven naar opsplitsing van ABN AMRO.
- 19-03-2007 ABN AMRO Holding bericht dat zij exclusieve inleidende besprekingen voert met Barclays over een mogelijke combinatie van de twee bankconcerns.
- 22-04-2007 ABN AMRO Bank en Bank of America sluiten een koopovereenkomst onder het recht van de Staat New York met betrekking tot de aandelen in LaSalle voor een koopprijs van maximaal $21 miljard.
- 23-04-2007 ABN AMRO Holding en Barclays maken bekend overeenstemming te hebben bereikt over een fusie en publiceren de hoofdlijnen van het fusieakkoord.
- 25-04-2007 RBS, namens het Consortium, zet de hoofdlijnen van de door het Consortium voorgestelde transactie uiteen en biedt €72,2 miljard voor ABN AMRO, onder de voorwaarde dat LaSalle onderdeel blijft van ABN AMRO.
- 26-04-2007 In de algemene vergadering van aandeelhouders van ABN AMRO Holding worden drie van de vijf door TCI voorgestelde agendapunten aangenomen, waaronder het voorstel om bepaalde of alle grotere bedrijfsonderdelen van ABN AMRO te verkopen, af te splitsen of te doen fuseren.
- 27-04-2007 VEB c.s. dienen een verzoekschrift in bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank vanaf 1 januari 2006.
- 03-05-2007 De ondernemingskamer geeft een beschikking waarin ABN AMRO Bank en ABN AMRO Holding wordt verboden om zonder goedkeuring van de aandeelhouders over te gaan tot verdere uitvoering van de koopovereenkomst met Bank of America.
- 13-07-2007 De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de ondernemingskamer van 3 mei 2007, wijst het verzoek van VEB c.s. af voor zover het strekt tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen en veroordeelt VEB c.s. in de kosten van het geding in cassatie.