Leerstuk · ondernemingsrecht

Deadlock tussen aandeelhouders en de positie van het bestuur

Waar aandeelhouders elkaar blokkeren en de besluitvorming stilvalt, blijft het bestuur belast met het besturen maar loopt het vast op gezamenlijke bevoegdheden, en moet de rechter de patstelling doorbreken met tijdelijke voorzieningen, een gedwongen aandelenoverdracht of, in het uiterste geval, ontbinding.

Een deadlock ontstaat typisch bij een 50/50-verhouding of een blokkerend belang: er komt geen besluit meer tot stand, in de algemene vergadering, in een gezamenlijk bevoegd bestuur of in beide tegelijk. De vennootschap wordt dan feitelijk stuurloos terwijl haar organen formeel intact zijn. Het bestuur blijft belast met het besturen en met het dienen van het vennootschappelijk belang, maar kan zijn taak niet meer uitoefenen zodra vertegenwoordiging of besluitvorming de medewerking vereist van de bestuurder met wie het conflict bestaat. De Ondernemingskamer beschikt over een gereedschapskist die daarop is toegesneden: een tijdelijke bestuurder met beslissende stem, schorsing van een bestuurder, en overdracht van aandelen ten titel van beheer, desnoods van één enkel aandeel om de stempatstelling te doorbreken. Sinds 1 januari 2025 kan zij daarnaast in eerste aanleg over uittreding en uitstoting oordelen, wat de structurele uitweg dichterbij brengt. De scherpe kanten zitten in de routekeuze tussen enquête, geschillenregeling en kort geding, en in de vraag hoever de rechter mag gaan zonder de regie van partijen over te nemen.

Wettelijk kader

  • art. 2:8 BW Redelijkheid en billijkheid tussen de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen; de norm waaraan blokkerend gedrag van een aandeelhouder wordt getoetst.

    Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

  • art. 2:239 BW Het bestuur blijft belast met het besturen en richt zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, ook wanneer de aandeelhouders elkaar blokkeren.

    Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat een met name of in functie aangeduide bestuurder meer dan één stem wordt toegekend. Een bestuurder kan niet meer stemmen uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen. Besluiten van het bestuur kunnen bij of krachtens de statuten slechts worden onderworpen aan de goedkeuring van een ander orgaan van de vennootschap. De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap. Het bestuur is gehouden de aanwijzingen op te volgen, tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang bedoeld in lid 5. Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.

  • art. 2:240 BW Vertegenwoordiging; de statutaire mogelijkheid te bepalen dat een bestuurder slechts met medewerking van een ander mag vertegenwoordigen is in de praktijk de motor van menige bestuurlijke impasse.

    Het bestuur vertegenwoordigt de vennootschap, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt mede aan iedere bestuurder toe. De statuten kunnen echter bepalen dat zij behalve aan het bestuur slechts toekomt aan een of meer bestuurders. Zij kunnen voorts bepalen dat een bestuurder de vennootschap slechts met medewerking van een of meer anderen mag vertegenwoordigen. Bevoegdheid tot vertegenwoordiging die aan het bestuur of aan een bestuurder toekomt, is onbeperkt en onvoorwaardelijk, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Een wettelijk toegelaten of voorgeschreven beperking van of voorwaarde voor de bevoegdheid tot vertegenwoordiging kan slechts door de vennootschap worden ingeroepen. De statuten kunnen ook aan andere personen dan bestuurders bevoegdheid tot vertegenwoordiging toekennen.

  • art. 2:349a BW Onmiddellijke voorzieningen in de enquêteprocedure, het belangrijkste instrument om een patstelling tijdelijk te doorbreken.

    De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. In afwijking van artikel 282 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de behandeling. De verzoekers en de rechtspersoon verschijnen hetzij bij advocaat, hetzij bijgestaan door hun advocaten. Alvorens te beslissen kan de ondernemingskamer ook ambtshalve getuigen en deskundigen horen. Indien gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek, kan de ondernemingskamer in elke stand van het geding op verzoek van de indieners van het in artikel 345 bedoelde verzoek een zodanige voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding. Artikel 357 lid 6 is van overeenkomstige toepassing. Ingeval nog geen onderzoek is gelast, wordt een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de ondernemingskamer gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. De ondernemingskamer beslist daarna binnen een redelijke termijn op het verzoek als bedoeld in artikel 345 . Artikel III van Stb. 2012/274 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.

  • art. 2:350 BW Toewijzingsmaatstaf voor het onderzoek: gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.

    De ondernemingskamer wijst het verzoek slechts toe, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Indien de ondernemingskamer het verzoek afwijst, en daarbij beslist dat het naar haar oordeel niet op redelijke grond is gedaan, kan de rechtspersoon tegen de verzoeker of verzoekers bij de ondernemingskamer een eis instellen tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het verzoek lijdt. Voor de instelling van een vordering tegen een verzoeker geldt als diens woonplaats mede de woonplaats die hij voor de indiening van het verzoek heeft gekozen. Wordt het verzoek toegewezen, dan stelt de ondernemingskamer het bedrag vast dat het onderzoek ten hoogste mag kosten. De ondernemingskamer kan hangende het onderzoek dit bedrag op verzoek van de door haar benoemde personen verhogen, na verhoor, althans oproeping van de oorspronkelijke verzoekers. De ondernemingskamer bepaalt de vergoeding van de door haar benoemde personen. De rechtspersoon betaalt de kosten van het onderzoek alsmede de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van de met het onderzoek belaste personen terzake de vaststelling van aansprakelijkheid vanwege de uitvoering van het onderzoek of het verslag van de uitkomst van het onderzoek; in geval van geschil beslist de ondernemingskamer op verzoek van de meest gerede partij. De ondernemingskamer kan bepalen dat de rechtspersoon voor de betaling der kosten zekerheid moet stellen. De ondernemingskamer benoemt, tegelijk met de met het onderzoek belaste personen, een raadsheer-commissaris. Indien de goede gang van zaken van het onderzoek dit vereist, kan de raadsheer-commissaris op verlangen van verzoekers of belanghebbenden aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. De raadsheer-commissaris beslist niet dan nadat hij de met het onderzoek belaste personen in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze aangaande het verlangen te geven. De raadsheer-commissaris kan ook de met het onderzoek belaste personen op hun verlangen een aanwijzing geven. De raadsheer-commissaris beslist niet dan nadat hij de rechtspersoon die in de procedure is verschenen in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze aangaande het verlangen te geven. De raadsheer-commissaris kan ook anderen in de gelegenheid stellen hun zienswijze te geven. Tegen beslissingen van de raadsheer-commissaris als bedoeld in dit lid staat geen beroep in cassatie open. Artikel III van Stb. 2012/274 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.

  • art. 2:356 BW Tweedefasevoorzieningen, waaronder tijdelijke afwijking van de statuten, overdracht van aandelen ten titel van beheer en ontbinding van de rechtspersoon.

    De voorzieningen, bedoeld in het vorige artikel, zijn: schorsing of vernietiging van een besluit van de bestuurders, van commissarissen, van de algemene vergadering of van enig ander orgaan van de rechtspersoon; schorsing of ontslag van een of meer bestuurders of commissarissen; tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders of commissarissen; tijdelijke afwijking van de door de ondernemingskamer aangegeven bepalingen van de statuten; tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer; ontbinding van de rechtspersoon.

  • art. 2:358 BW De Ondernemingskamer kan de voorzieningen van art. 2:356 onder a tot en met e voorlopig ten uitvoer laten leggen, zodat juist de ontbinding niet uitvoerbaar bij voorraad is.

    De ondernemingskamer kan de voorlopige tenuitvoerlegging der voorzieningen genoemd in artikel 356 onder a-e bevelen. De griffier der ondernemingskamer doet ten kantore van het handelsregister een afschrift van de beschikkingen der ondernemingskamer nederleggen. Van beschikkingen die niet voorlopig ten uitvoer kunnen worden gelegd, geschiedt de nederlegging zodra zij in kracht van gewijsde zijn gegaan. In het geval, bedoeld in artikel 348 , ontvangt de in dat artikel genoemde, op de rechtspersoon toezichthoudende instelling van de griffier een afschrift van de beschikkingen van de ondernemingskamer.

  • art. 2:336a BW Uitstoting: op verzoek van houders van ten minste een derde van het geplaatste kapitaal kan de Ondernemingskamer bevelen dat een aandeelhouder zijn aandelen overdraagt.

    Op verzoek van een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam bevelen dat een aandeelhouder zijn aandelen overeenkomstig artikel 341 overdraagt wanneer deze aandeelhouder door zijn gedragingen al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Het verzoek kan niet worden ingediend door de vennootschap of een dochtermaatschappij van de vennootschap. De houder van aandelen waarvan de vennootschap of een dochtermaatschappij certificaten houdt, kan het verzoek slechts indienen indien en voor zover certificaten door anderen worden gehouden. Een aandeelhouder ten titel van beheer kan het verzoek slechts voor door hem beheerde aandelen indienen indien de desbetreffende certificaathouders daarmee tevoren hebben ingestemd. Onverminderd artikel 279 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beveelt de ondernemingskamer in ieder geval de oproeping van de verweerders. In afwijking van artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geschiedt deze oproeping bij exploot. In afwijking van artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de mondelinge behandeling. De ondernemingskamer kan haar beslissing op het verzoek voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien ten processe blijkt dat de vennootschap of één of meer aandeelhouders op zich nemen maatregelen te treffen waardoor het nadeel dat de vennootschap lijdt zoveel mogelijk wordt ongedaan gemaakt of beperkt. De ondernemingskamer is eveneens bevoegd kennis te nemen van met de in lid 1 bedoelde gedragingen samenhangende vorderingen tussen dezelfde partijen of tussen een der partijen en de vennootschap. Deze vorderingen kunnen worden ingediend met een verzoekschrift. De ondernemingskamer kan een zaak splitsen indien het verzoek en de in het verzoekschrift ingediende vorderingen, bedoeld in lid 6, zich naar het oordeel van de ondernemingskamer niet lenen voor gezamenlijke behandeling in één feitelijke instantie. De gesplitste zaken worden voortgezet in de stand waarin zij zich bevinden op het moment van de splitsing. Artikel 71, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. Voorheen art. 336. Artikel III van Stb. 2024/174 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.

  • art. 2:337 BW Een statutaire of contractuele geschillenregeling gaat voor, maar op een afwijking kan geen beroep worden gedaan voor zover die de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt.

    Indien de statuten of een overeenkomst een regeling bevatten voor de oplossing van geschillen als in deze afdeling bedoeld, kan op een daarin opgenomen afwijking van deze afdeling geen beroep worden gedaan voorzover deze de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt. In de statuten of een overeenkomst kan worden bepaald dat geschillen als in deze afdeling bedoeld aan arbitrage worden onderworpen. Artikel III van Stb. 2024/174 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.

  • art. 2:338 BW Bevoegdheid van de Ondernemingskamer om in de geschillenprocedure voorlopige voorzieningen te treffen, met werking tot het moment van overdracht.

    Nadat een afschrift van het verzoekschrift aan hem is betekend door de oproeping, bedoeld in artikel 336a lid 3 , en tot de dag waarop de beschikking onherroepelijk is geworden, kan de verweerder zijn aandelen niet vervreemden, verpanden of daarop een vruchtgebruik vestigen, tenzij de verzoekers daarvoor toestemming verlenen. Indien de verzoekers de toestemming weigeren, kan de ondernemingskamer op verzoek van verweerder de toestemming verlenen, indien verweerder bij de rechtshandeling een redelijk belang heeft. Tegen de beslissing van de ondernemingskamer staat geen hogere voorziening open. Nadat het verzoek is toegewezen, kan de verweerder de aandelen slechts overdragen met inachtneming van de artikelen 339 tot en met 341 . De ondernemingskamer kan een voorlopige voorziening treffen met werking tot het tijdstip dat de aandelen worden overgedragen. Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. Een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt met de meeste spoed behandeld. Artikel III van Stb. 2024/174 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.

  • art. 2:343 BW Uittreding: de aandeelhouder die zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat voortduren van zijn aandeelhouderschap niet meer van hem kan worden gevergd, kan overname van zijn aandelen afdwingen.

    Op verzoek van de aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan de ondernemingskamer die mede-aandeelhouders bevelen de aandelen van deze aandeelhouder overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van artikel 343a over te nemen. Op verzoek van de aandeelhouder kan de ondernemingskamer ook bevelen dat de vennootschap de aandelen van de aandeelhouder overneemt op grond van gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders of van de vennootschap zelf. Het verzoek, bedoeld in de vorige zin kan evenwel niet worden toegewezen, voorzover artikel 98 of 207 aan verkrijging van de aandelen door de vennootschap in de weg staat, met dien verstande evenwel dat geen rekening wordt gehouden met het vereiste van een machtiging als bedoeld in artikel 98 lid 4 of een daarmee vergelijkbaar statutair voorschrift dan wel een na het tijdstip van indienen van het verzoek ten nadele van verzoeker tot stand gebrachte wijziging van de statuten. Bij toewijzing van het verzoek is artikel 207 lid 3 niet van toepassing. De artikelen 336a leden 3, 4, 6 en 7 , 337 , 338 leden 1 en 3 , 339 en 340, leden 1, 2 en 3 zijn van toepassing of van overeenkomstige toepassing. Bij het bepalen van de prijs van de aandelen kan de ondernemingskamer desverzocht een billijke verhoging toepassen in verband met gedragingen van de verweerder, of van anderen dan de verweerder, indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig, voor rekening van verzoeker behoort te blijven. Bij toewijzing van het verzoek tot uittreding bevat de beschikking tevens een veroordeling van de verzoeker tot levering aan verweerders van de hun, zo nodig na toepassing van artikel 343a lid 5 , over te dragen aandelen. De ondernemingskamer kan haar beslissing op het verzoek voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien ten processe blijkt dat de vennootschap of één of meer mede-aandeelhouders op zich nemen maatregelen te treffen waardoor het nadeel dat de aandeelhouder lijdt zoveel mogelijk wordt ongedaan gemaakt of beperkt. Voor de toepassing van dit artikel wordt met aandelen en houders van aandelen gelijkgesteld certificaten van aandelen respectievelijk houders van certificaten, met dien verstande dat een aandeelhouder de ondernemingskamer niet kan verzoeken de houders van certificaten van aandelen te bevelen zijn aandelen overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van artikel 343a over te nemen. Artikel III van Stb. 2024/174 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.

Wettelijk kader

Het vennootschapsrecht kent geen bepaling die een patstelling oplost. Het kent wel de bepalingen die er een mogelijk maken en de bepalingen waarmee de rechter hem doorbreekt.

Aan de ontstaanskant staat de inrichting van de vennootschap. Besluitvorming in de algemene vergadering vergt een meerderheid die er bij gelijke belangen niet is, en art. 2:240 BW maakt het mogelijk in de statuten te bepalen dat een bestuurder de vennootschap slechts met medewerking van een of meer anderen mag vertegenwoordigen. Precies die gezamenlijke bevoegdheid, vaak bedoeld als onderlinge waarborg, maakt de vennootschap onbestuurbaar zodra een van de twee niet meer meewerkt. Daarbij blijft het bestuur onverkort belast met het besturen en gehouden zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (art. 2:239 BW), en blijven alle betrokkenen gebonden aan art. 2:8 BW.

Aan de oplossingskant liggen drie routes naast elkaar. De eerste is de enquête: bij gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen (art. 2:350 BW) kan de Ondernemingskamer een onderzoek gelasten en hangende het geding onmiddellijke voorzieningen treffen (art. 2:349a lid 2 BW), en na het onderzoek de voorzieningen van art. 2:356 BW, tot en met ontbinding. De tweede is de geschillenregeling: uitstoting (art. 2:336a BW) en uittreding (art. 2:343 BW), waarover de Ondernemingskamer sinds 1 januari 2025 in eerste aanleg oordeelt, met een eigen bevoegdheid tot voorlopige voorzieningen (art. 2:338 lid 3 BW). De derde is het kort geding bij de voorzieningenrechter. Welke route past, hangt af van wat men wil bereiken: tijdelijk doorregeren, definitief ontvlechten, of allebei.

Waar de deadlock zich manifesteert en de positie van het bestuur

Een patstelling die tot ingrijpen leidt heeft vrijwel altijd een concreet gezicht. In de klassieke variant zijn twee partijen ieder voor de helft aandeelhouder en tevens gezamenlijk bevoegd bestuurder. Trekt een van hen zich terug, wordt hij onbereikbaar of weigert hij mee te tekenen, dan kan de ander niet zelfstandig besluiten nemen: personeel aannemen, abonnementen sluiten en de jaarrekening vaststellen wordt onmogelijk, en de vennootschap is onbestuurbaar geworden (ECLI:NL:RBROT:2025:9731). In de zwaardere variant stapelen bestuurs- en aandeelhoudersniveau zich op: de communicatie tussen de bestuurders, tevens aandeelhouders, is verbroken, er worden op geen van beide niveaus nog besluiten genomen en er is een niet-doorbreekbare vennootschappelijke patstelling ontstaan waardoor de vennootschap feitelijk stuurloos is geraakt (ECLI:NL:GHAMS:2024:260).

De positie van het bestuur is daarbij paradoxaal. Zijn taakopdracht verandert niet: het blijft gehouden zich te richten naar het vennootschappelijk belang, ook waar zijn aandeelhouders dat belang uit het oog verliezen, en het kan zich niet achter de impasse verschuilen. Tegelijk ontbreken hem de middelen om die taak uit te oefenen zodra iedere handeling de medewerking vereist van degene met wie het conflict bestaat. Het bestuur staat dan voor de keuze zelf naar de rechter te stappen dan wel af te wachten tot een aandeelhouder dat doet, terwijl de schade aan de onderneming oploopt.

Dat de impasse zelf grond voor ingrijpen oplevert, is vaste lijn. Waar de Ondernemingskamer vaststelt dat de vennootschap in een zeer nijpende financiële situatie verkeert, dat een bestuurder onvoldoende informatie verschaft en dat in het bestuur geen behoorlijk overleg meer plaatsvindt, oordeelt zij zonder blijk van een onjuiste rechtsopvatting dat onmiddellijke voorzieningen zijn vereist in verband met de toestand van de rechtspersoon; die afweging vindt plaats tegen de achtergrond van art. 2:8 BW (ECLI:NL:HR:2014:1651). Ook een louter organisatorische impasse volstaat: urgentie van een besluit gecombineerd met stagnerende besluitvorming binnen de vennootschap vormt voldoende grond voor een voorziening die de statutair vereiste goedkeuring van de algemene vergadering opzijzet (ECLI:NL:HR:2001:AD5138).

Het instrumentarium van de Ondernemingskamer

De onmiddellijke voorzieningen zijn in deadlockzaken opvallend gestandaardiseerd, en de precieze formulering doet het werk. Kern is de benoeming van een derde tot bestuurder, vooralsnog voor de duur van de procedure en zo nodig in afwijking van de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst, aan wie in het bestuur steeds een beslissende stem toekomt, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten ook als zij afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen, die zelfstandig bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen en zonder wie de vennootschap niet vertegenwoordigd kan worden. Die laatste toevoeging is beslissend: zij ontneemt de ruziënde bestuurders de mogelijkheid om buiten de tijdelijke bestuurder om te handelen (ECLI:NL:GHAMS:2024:299).

Daarnaast wordt de patstelling in de algemene vergadering doorbroken door aandelen ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer benoemde beheerder. Opvallend is hoe zuinig dat kan: in een 50/50-verhouding volstaat de overdracht van één enkel aandeel van elk van beide aandeelhouders om de stemverhouding te doorbreken, zonder verder in te grijpen in de vermogensrechtelijke posities. In dezelfde beschikking bepaalde de Ondernemingskamer dat de algemene vergadering, voor zover nodig in afwijking van de statuten, bij absolute meerderheid kon besluiten tot uitgifte van aandelen, zodat de voor de continuïteit noodzakelijke financiering mogelijk werd.

De grenzen zijn die van art. 2:349a lid 2 BW: de voorziening moet naar haar aard voorlopig zijn, de noodzaak moet voldoende zijn gebleken en er moet een billijke afweging van de belangen van de betrokken partijen hebben plaatsgevonden, waarbij het laatste met name het geval is als een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn (ECLI:NL:HR:2014:1652). Dat onomkeerbare gevolgen kunnen intreden, staat op zichzelf niet in de weg aan een voorziening (ECLI:NL:HR:2001:AD5138), wat in de financieringsvariant leidt tot de emissie die de blokkerende aandeelhouder verwatert (ECLI:NL:HR:2011:BO7067). Dat scenario is uitgewerkt in het lemma over noodzaakfinanciering.

De verhouding tot de benoemde functionaris

Zodra de Ondernemingskamer een tijdelijke bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen heeft benoemd, verschuift de regie. Het is dan niet aan de Ondernemingskamer maar aan die functionaris om binnen de grenzen van zijn taken en bevoegdheden te beoordelen of bepaalde maatregelen binnen of door de rechtspersoon moeten worden getroffen en, zo ja, die te treffen. Hetzelfde geldt voor de beheerder aan wie aandelen ten titel van beheer zijn overgedragen (ECLI:NL:HR:2014:1652).

Dat heeft twee praktische gevolgen. Het eerste is dat een partij die het niet eens is met wat de tijdelijke bestuurder doet, niet bij de Ondernemingskamer kan aankloppen met het verzoek die beslissing over te doen. Wordt in verband met de handelwijze van de functionaris wijziging of aanvulling van de getroffen voorzieningen gevraagd, dan betrekt de Ondernemingskamer weliswaar de omstandigheden rond die handelwijze en kan zij onderzoeken of hij zijn taak zorgvuldig uitoefent, maar de toets is marginaal: bij ernstig verstoorde verhoudingen en een nijpende financiële situatie komt ontslag of schorsing van de functionaris slechts in aanmerking indien blijkt dat hij kennelijk onredelijk heeft gehandeld of, naar redelijkerwijs valt te verwachten, kennelijk onredelijk zal handelen.

Het tweede gevolg is dat de functionaris zelf de impasse kan agenderen. Blijkt na verloop van tijd dat zijn aanblijven geen oplossing dichterbij brengt en alleen kosten genereert die ten laste van de vennootschap komen, dan kan hij de Ondernemingskamer verzoeken hem uit zijn functie te ontheffen, wat in voorkomend geval het startsein is voor een definitieve voorziening (ECLI:NL:GHAMS:2023:2882).

De geschillenregeling als structurele uitweg

Onmiddellijke voorzieningen houden de onderneming draaiende maar lossen het conflict niet op. De structurele uitweg is de gedwongen aandelenoverdracht. Bij uitstoting kunnen houders van ten minste een derde van het geplaatste kapitaal de Ondernemingskamer verzoeken te bevelen dat een aandeelhouder zijn aandelen overdraagt, wanneer deze door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a BW). Bij uittreding is de spiegelbeeldige maatstaf of de verzoeker door gedragingen van medeaandeelhouders of van de vennootschap zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd (art. 2:343 BW, toegepast in ECLI:NL:GHAMS:2025:1618).

Dat de Ondernemingskamer sinds 1 januari 2025 in eerste aanleg over deze verzoeken oordeelt, verandert de praktijk wezenlijk: een enquêteverzoek kan nu in dezelfde procedure worden beantwoord met een uitstotingsverzoek, en de Ondernemingskamer kan het eerste afwijzen en het tweede toewijzen (ECLI:NL:GHAMS:2026:1631, ECLI:NL:GHAMS:2026:1603). Zij heeft in de geschillenprocedure bovendien een eigen bevoegdheid tot voorlopige voorzieningen op grond van art. 2:338 lid 3 BW, waarvan de maatstaf die voor onmiddellijke voorzieningen niet veel ontloopt: is het noodzakelijk om, in afwachting van de uitkomst van de geschillenprocedure, ordemaatregelen te treffen die op die uitkomst vooruitlopen, beoordeeld op een weging van alle omstandigheden en belangen, waaronder die van verzoeker, verweerder, de vennootschap en de overige belanghebbenden (ECLI:NL:GHAMS:2023:583). Die ordemaatregelen kunnen bestaan uit schorsing van een bestuurder, benoeming van een tijdelijke bestuurder, overdracht ten titel van beheer en zelfs een bevel tot overdracht van aandelen tegen een voorlopige prijs. Van bijzonder belang is dat daarvoor geen apart enquêteverzoek meer nodig is; de bevoegdheid volgt rechtstreeks uit art. 2:338 lid 3 BW (ECLI:NL:GHAMS:2026:1473).

Een contractuele geschillenregeling gaat in beginsel voor, maar sneuvelt als zij niet werkt. Zij moet kunnen leiden tot daadwerkelijke overdracht binnen afzienbare termijn, mag die overdracht niet uiterst bezwaarlijk of onmogelijk maken en mag niet leiden tot een kennelijk onredelijke prijs. Een regeling met een aanbiedingsplicht maar zonder afnameplicht voldoet daar niet aan (ECLI:NL:GHAMS:2026:1603).

Het kort geding als alternatieve route

Schorsing van een statutair bestuurder en benoeming van een tijdelijke bestuurder zijn in beginsel voorbehouden aan de Ondernemingskamer. Dat laat onverlet dat de voorzieningenrechter, in de aanloop naar een enquêteprocedure, bij wijze van voorlopige voorziening een bestuurder tijdelijk kan schorsen of tijdelijk tot zelfstandig bevoegd bestuurder kan benoemen, waarbij hij de duur van die voorziening in beginsel moet beperken. Beoordeeld wordt of het noodzakelijk is om, vooruitlopend op de uitkomst van de bodemzaak, ordemaatregelen te treffen, op basis van een weging van alle omstandigheden en relevante belangen (ECLI:NL:RBROT:2025:9731).

De drempel ligt daar wel hoog. Voor schorsing van een statutair bestuurder en te meer voor benoeming van een tijdelijke bestuurder in kort geding wordt veelal aangenomen dat, parallel aan de eis van art. 2:349a lid 3 BW voor de enquêteprocedure, gegronde redenen aanwezig moeten zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen (ECLI:NL:RBMNE:2025:2790). Ook een gedwongen aandelenoverdracht is in kort geding niet uitgesloten: de voorzieningenrechter heeft een patstelling tussen twee vijftigprocentaandeelhouders doorbroken door overdracht van de aandelen te bevelen, omdat dit in het belang van de vennootschap was en het belang van de andere aandeelhouder dat vergde (ECLI:NL:RBAMS:2022:645).

De keuze tussen de routes is er een van doel en tempo. Het kort geding kent geen twijfeldrempel, staat open voor iedere belanghebbende en biedt hoger beroep, maar vergt spoedeisend belang en leent zich niet voor bewijslevering. De enquête is gericht op sanering en herstel van gezonde verhoudingen en op opening van zaken, en tegen beschikkingen van de Ondernemingskamer staat slechts cassatie open.

Ontbinding als sluitstuk, en open vragen

Blijkt na het onderzoek dat herstel van gezonde verhoudingen is uitgesloten, dan resteert de zwaarste voorziening. Waar de verhoudingen volledig verstoord zijn, partijen het al jaren niet eens worden, de onderneming verlieslatend is en het benoemen van een nieuwe tijdelijke bestuurder een oplossing niet dichterbij brengt maar wel kosten genereert, kan de Ondernemingskamer geen andere wijze zien om de slepende strijd te beëindigen dan door ontbinding en vereffening, mits geen aandeelhoudersbelang of openbaar belang zich daartegen verzet (ECLI:NL:GHAMS:2023:2882). Anders dan de overige voorzieningen kan de ontbinding niet voorlopig ten uitvoer worden gelegd (art. 2:358 BW), zodat de vereffenaar pas wordt aangewezen als de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Drie vragen blijven open. De eerste betreft de regie. Nu vaststaat dat de Ondernemingskamer ook in de geschillenprocedure andere voorzieningen kan treffen dan verzocht, is de begrenzing vooral procesrechtelijk: op grond van art. 24 Rv mag zij geen beslissing geven waarop partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn, en zij zal geen voorziening treffen die zozeer afwijkt van de kenbare bedoeling van verzoekers dat aangenomen moet worden dat zij het verzoek dan niet zouden hebben gehandhaafd (ECLI:NL:GHAMS:2026:1473). Waar die grens precies ligt, moet zich uitkristalliseren.

De tweede is de waardering. Bij een bevel tot overdracht tegen een voorlopige prijs weegt mee of de uiteindelijke prijs al binnen een voldoende omlijnde bandbreedte kan worden geschat op basis van kenbare, toetsbare en navolgbare grondslagen, en of er een restitutierisico bestaat. De derde is de positie van het bestuur zelf: de wet geeft het geen eigen ingang tot de geschillenregeling en maakt het afhankelijk van het initiatief van een aandeelhouder, terwijl juist het bestuur als eerste ziet dat de onderneming stilvalt.

Rechtspraaklijn

  1. 12 november 2001, Hoge Raad FTS FAULT TOLERANT SYSTEMS 2000 B.V./SkyTech B.V., SkyGate Holding B.V., SkyGate B.V. (ECLI:NL:HR:2001:AD5138) De urgentie van een besluit en de impasse in de besluitvorming binnen de vennootschap vormen voldoende grond voor een voorlopige voorziening die tijdelijk inbreuk maakt op de geldende rechtsverhoudingen, ook als die tot onomkeerbare gevolgen kan leiden. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2001:AD5138
  2. 25 februari 2011, Hoge Raad Inter Access (ECLI:NL:HR:2011:BO7067) Waar de impasse de financiering van de vennootschap betreft, kan de Ondernemingskamer de emissiebevoegdheid van de algemene vergadering opzijzetten en het bestuur machtigen tot uitgifte met terzijdestelling van het voorkeursrecht. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2011:BO7067
  3. 10 juli 2014 Novero I (ECLI:NL:HR:2014:1651) Een zeer nijpende financiële situatie, gebrekkige informatieverschaffing en het ontbreken van behoorlijk overleg in het bestuur kunnen samen de toestand van de rechtspersoon opleveren die onmiddellijke voorzieningen vereist, waarbij de afweging plaatsvindt tegen de achtergrond van art. 2:8 BW. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2014:293
  4. 11 juli 2014, Hoge Raad Riamo Holdings GmbH/Arch Industries Holding B.V. (ECLI:NL:HR:2014:1652) Na benoeming van een tijdelijke bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen is het aan die functionaris en niet aan de Ondernemingskamer om te beoordelen welke maatregelen moeten worden getroffen, en zijn handelen wordt slechts getoetst aan de maatstaf of hij kennelijk onredelijk heeft gehandeld of zal handelen. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2014:441
  5. 18 maart 2022, Rechtbank Amsterdam Kinderopvang (kort geding) (ECLI:NL:RBAMS:2022:645) Een patstelling tussen twee vijftigprocentaandeelhouders kan in kort geding worden doorbroken door overdracht van aandelen te bevelen, indien dit in het belang van de vennootschap is en het belang van de andere aandeelhouder dat vergt.
  6. 6 maart 2023 Voltalessandro (ECLI:NL:GHAMS:2023:583) Voor een voorlopige voorziening in de geschillenprocedure is beslissend of het noodzakelijk is om, in afwachting van de uitkomst, ordemaatregelen te treffen die op die uitkomst vooruitlopen, beoordeeld op een weging van alle omstandigheden en van de belangen van verzoeker, verweerder, de vennootschap en de overige belanghebbenden.
  7. 2 oktober 2023 Casa Della Gioia (ECLI:NL:GHAMS:2023:2882) Is herstel van gezonde verhoudingen uitgesloten en brengt een nieuwe tijdelijke bestuurder geen oplossing dichterbij, dan kan de Ondernemingskamer bij wijze van definitieve voorziening tot ontbinding en vereffening overgaan, mits geen aandeelhoudersbelang of openbaar belang zich daartegen verzet.
  8. 25 januari 2024 Macon (ECLI:NL:GHAMS:2024:260) Ernstig verstoorde verhoudingen op zowel bestuurs- als aandeelhoudersniveau, waardoor geen besluiten meer worden genomen en de vennootschap feitelijk stuurloos raakt, leveren gegronde redenen op voor twijfel aan een juist beleid en rechtvaardigen onmiddellijke voorzieningen.
  9. 9 februari 2024 Volharding (ECLI:NL:GHAMS:2024:299) Om een impasse in bestuur en algemene vergadering te doorbreken kan de Ondernemingskamer een derde tot bestuurder benoemen met beslissende stem en exclusieve vertegenwoordigingsbevoegdheid, en volstaat overdracht van één aandeel per aandeelhouder ten titel van beheer om de stempatstelling op te heffen.
  10. 6 juni 2025 Kort geding bestuurders (ECLI:NL:RBMNE:2025:2790) Voor schorsing van een statutair bestuurder en te meer voor benoeming van een tijdelijke bestuurder in kort geding geldt een hoge drempel, waarbij parallel aan art. 2:349a lid 3 BW veelal wordt verlangd dat gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.
  11. 25 juni 2025, Gerechtshof Amsterdam Uittreding en enquête (ECLI:NL:GHAMS:2025:1618) Voor uittreding is beslissend of de aandeelhouder door gedragingen van medeaandeelhouders of van de vennootschap zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd.
  12. 19 augustus 2025, Rechtbank Rotterdam Zorgwoning (kort geding) (ECLI:NL:RBROT:2025:9731) In de aanloop naar een enquêteprocedure kan ook de voorzieningenrechter een statutair bestuurder tijdelijk schorsen of tot zelfstandig bevoegd bestuurder benoemen, waarbij hij de duur van die voorziening in beginsel moet beperken.
  13. 11 juni 2026, Gerechtshof Amsterdam IP-BEHEER B.V./OPOS HOLDCO B.V., OPOS BIDCO B.V. en INTER-PSY B.V. (ECLI:NL:GHAMS:2026:1603) Een contractuele geschillenregeling blokkeert de wettelijke regeling alleen als zij binnen afzienbare termijn tot daadwerkelijke overdracht kan leiden, die niet uiterst bezwaarlijk maakt en niet tot een kennelijk onredelijke prijs leidt; een aanbiedingsplicht zonder afnameplicht voldoet daar niet aan.
  14. 16 juni 2026, Gerechtshof Amsterdam In Domo (ECLI:NL:GHAMS:2026:1473) In een geschillenprocedure is de Ondernemingskamer op grond van art. 2:338 lid 3 BW bevoegd voorlopige voorzieningen te treffen, ook andere dan verzocht, zodat daarvoor geen afzonderlijk enquêteverzoek nodig is, met als grens dat partijen op grond van art. 24 Rv op de beslissing bedacht moesten kunnen zijn.
  15. 18 juni 2026 Songrow (ECLI:NL:GHAMS:2026:1631) Sinds de Ondernemingskamer in eerste aanleg over uitstoting oordeelt, kan zij in dezelfde procedure het enquêteverzoek afwijzen en het tegenverzoek tot uitstoting toewijzen.

Verwante leerstukken

Bijgewerkt 3 september 2026