Ondernemingskamer mag onmiddellijke voorzieningen treffen bij urgente financiële noodzaak.

Hoge Raad · 25 februari 2011 · Cassatie · Civiel recht

Enquêterecht. Onmiddellijke voorzieningen. Art. 2:349a lid 2 BW. Onderzoek naar wanbeleid vooralsnog niet aangevangen. Geen strijd met stelsel van de wet (vgl. HR 27 september 2000, LJN AA7245, NJ 2000/653(Gucci)). Onmiddelijke voorziening inhoudend dat bestuur bevoegd is tot het zonder besluit van ava uitgeven van aandelen blijft in dit geval binnen grenzen vrijheid Ondernemingskamer. Maatstaf (vgl. HR 19 oktober 2001, LJN AD 5138, NJ 2002/92 (Skygate).

Rechtsvraag

De centrale rechtsvraag is of de ondernemingskamer terecht onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen en of deze voorzieningen in strijd zijn met de bevoegdheidsverdeling tussen organen van de vennootschap en met het Europese verdrag voor de rechten van de mens.

Regel

  • art. 2:345 BW (verzoek tot het instellen van een onderzoek)
  • art. 2:346 BW (enquêtebevoegdheid)
  • art. 2:349a BW (onmiddellijke voorzieningen en voorwaarden voor het treffen daarvan)
  • art. 2:356 BW (voorzieningen na een onderzoek)
  • art. 2:206 lid 1 BW (uitgifte van aandelen na besluit algemene vergadering)
  • art. 1 Eerste Protocol EVRM (bescherming eigendom)

Toepassing

  • art. 2:345 BW (verzoek tot het instellen van een onderzoek) De ondernemingskamer heeft een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij IA Groep. De vraag of er gegronde redenen zijn voor een onderzoek werd bevestigend beantwoord, wat het verzoek om onmiddellijke voorzieningen rechtvaardigde.
  • art. 2:346 BW (enquêtebevoegdheid) De ondernemingskamer heeft de Stichting Continuïteit c.s. ontvankelijk geacht, ondanks het bezwaar dat deze bevoegdheid niet aan de rechtspersoon zelf toekomt. Echter, Rapar had eenzelfde verzoek ingediend, wat de ontvankelijkheid van de Stichting Continuïteit c.s. niet doorslaggevend maakte voor de toewijzing van de voorzieningen.
  • art. 2:349a BW (onmiddellijke voorzieningen en voorwaarden voor het treffen daarvan) De ondernemingskamer heeft onmiddellijke voorzieningen getroffen vanwege de urgente financiële situatie van IA Groep. Er was een dringende noodzaak om een deconfiture te voorkomen, en de voorgestelde conversie was een adequate maatregel.
  • art. 2:356 BW (voorzieningen na een onderzoek) Hoewel de ondernemingskamer een onderzoek heeft bevolen, werd het benoemen van een onderzoeker uitgesteld. Dit was in lijn met de wensen van de partijen en omdat IA Groep de kosten nauwelijks kon dragen.
  • art. 2:206 lid 1 BW (uitgifte van aandelen na besluit algemene vergadering) De ondernemingskamer heeft het bestuur van IA Groep gemachtigd tot uitgifte van aandelen, ondanks het ontbreken van een besluit van de algemene vergadering. Dit was gerechtvaardigd door de dringende financiële situatie.
  • art. 1 Eerste Protocol EVRM (bescherming eigendom) De klacht dat de voorzieningen in strijd zijn met art. 1 EP EVRM werd niet behandeld omdat deze niet eerder in de procedure was aangevoerd en nader feitelijk onderzoek zou vergen.

Conclusie

De Hoge Raad verwerpt het beroep van Marigot c.s. De ondernemingskamer heeft terecht onmiddellijke voorzieningen getroffen gezien de urgente financiële situatie van IA Groep, en er is geen strijd met de bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap of met het EVRM.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Marigot Investissements N.V. en [Verzoeker 2]
  • Gedaagde: Stichting Continuïteit Inter Access Groep, [Verweerder 2-5], Inter Access Groep B.V., en Rabo Participaties B.V.

Marigot c.s. betoogde dat de ondernemingskamer ten onrechte onmiddellijke voorzieningen trof zonder een onderzoek te starten en dat deze voorzieningen in strijd zijn met de bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap en hun eigendomsrechten schenden.

IA Groep en Rapar stelden dat de financiële situatie van IA Groep onmiddellijke voorzieningen noodzakelijk maakte om een faillissement te voorkomen. Zij ondersteunden de conversievoorstellen en betwistten de claims van Marigot c.s.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 2003 In 2003 sloten Rapar, Marigot en IA Groep een herstructureringsovereenkomst om de IA Groep te herstructureren.
  2. 2003 Een aandeelhoudersovereenkomst werd gesloten, waarin werd vastgelegd dat Marigot altijd een meerderheid van stemmen zou behouden in de aandeelhoudersvergadering van IA Groep.
  3. 01-01-2009 [verzoeker 2] trad terug als bestuurder en CEO van IA Groep.
  4. 2009 IA Groep bevond zich in financiële moeilijkheden met negatieve solvabiliteit en een dalend eigen vermogen.
  5. 28-04-2009 Syfact, een vennootschap gelieerd aan [verzoeker 2], werd failliet verklaard.
  6. 04-12-2009 Stichting Continuïteit IA Groep werd opgericht door [verweerder 2].
  7. 31-12-2009 De ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam gaf een beschikking en beval een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij IA Groep.
  8. 22-12-2010 De advocaat van IA Groep reageerde bij brief op de conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman.
  9. 25-02-2011 De Hoge Raad verwierp het beroep van Marigot c.s. en veroordeelde hen in de kosten van het geding in cassatie.