Bruil-Kombex-arrest (ECLI:NL:HR:2007:BA0033)
Tegenstrijdig belang vereist concrete aanwijzing van onverenigbare belangen volgens art. 2:256 BW.
Ondernemingsrecht; tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:256 BW, materieel begrip, maatstaf, door bestuurder in acht te nemen gedragsnorm; toelaatbaarheid van een beroep op art. 2:256, stelplicht- en bewijslast.
Rechtsvraag
Is er sprake van een tegenstrijdig belang als bedoeld in art. 2:256 BW, dat de vertegenwoordiging van [verweerster] bij de koopovereenkomst met [eiseres] ongeldig maakt?
Regel
- art. 2:256 BW (tegenstrijdig belang): Bestuurders mogen de vennootschap niet vertegenwoordigen in het geval van een tegenstrijdig belang tussen de vennootschap en de bestuurder.
Toepassing
- art. 2:256 BW (tegenstrijdig belang) Het hof had geoordeeld dat er een tegenstrijdig belang bestond, omdat [betrokkene 1] directeur en grootaandeelhouder was van zowel [eiseres] als [verweerster]. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof niet alleen abstract had moeten beoordelen of er een tegenstrijdig belang was, maar ook in concreto had moeten onderzoeken of de belangen van de vennootschap en de bestuurder daadwerkelijk tegenstrijdig waren. De enkele mogelijkheid van een tegenstrijdig belang zonder concrete aanwijzingen is onvoldoende voor de toepassing van art. 2:256 BW. Het hof heeft daarmee de maatstaf voor tegenstrijdig belang verkeerd toegepast door niet te onderzoeken of er concrete omstandigheden waren die op een inhoudelijk ondeugdelijke besluitvorming wezen.
Conclusie
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem omdat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake was van een tegenstrijdig belang zonder concreet bewijs daarvan. Het hof had moeten onderzoeken of er in dit geval daadwerkelijk sprake was van inhoudelijk ondeugdelijke besluitvorming als gevolg van tegenstrijdige belangen. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Partijen en standpunten
- Eiser: [Eiseres]
- Gedaagde: [Verweerster]
[Eiseres] vordert betaling van een boete van ฦ 250.000,-- vanwege schending van een voorkeursrecht door [verweerster]. Tevens eist [eiseres] naleving van het voorkeursrecht.
[Verweerster] stelt dat zij niet gebonden is aan het voorkeursrecht vanwege tegenstrijdig belang volgens art. 2:256 BW.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 08-1984 [Eiseres] koopt een perceel industrieterrein met bedrijfsgebouwen van [verweerster] voor ฦ 580.000,--. [Betrokkene 1] is directeur en grootaandeelhouder van beide partijen.
- 17-08-1984 Akte van levering wordt opgemaakt en verleden ten overstaan van notaris mr. A.E. Ribbers te Arnhem. Er worden voorkeursrechten opgenomen voor beide partijen in de leveringsakte.
- 10-11-1994 De aandelen in [verweerster] worden verkocht en geleverd aan Ballast Nedam Bouw B.V.
- 24-11-1998 [Verweerster] verkoopt samen met [A] B.V. onroerend goed aan [B] B.V. zonder [eiseres] het voorkeursrecht te bieden.
- 21-12-1999 [Eiseres] vordert van [verweerster] betaling van een boete van ฦ 250.000,-- wegens schending van het voorkeursrecht.
- 16-06-2000 [Eiseres] dagvaardt [verweerster] voor de rechtbank Arnhem en legt conservatoir beslag op onroerend goed van [verweerster].
- 21-02-2002 De rechtbank veroordeelt [verweerster] tot betaling van โฌ 22.689,01 en wijst de vordering in reconventie af.
- 11-10-2005 Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank, wijst de vordering van [eiseres] af en verklaart dat [verweerster] niet gebonden is aan het voorkeursrecht.
- 29-06-2007 De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem en verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.