Onrechtmatige daad
Wie jegens een ander een toerekenbare onrechtmatige daad pleegt die een beschermde norm schendt, moet de daardoor veroorzaakte schade vergoeden (art. 6:162 BW).
De onrechtmatige daad is de centrale buitencontractuele aansprakelijkheidsgrondslag: art. 6:162 BW verlangt een onrechtmatige gedraging, toerekening, schade, causaal verband en relativiteit, alle vijf cumulatief en alle vijf op de stelplicht van de benadeelde. Het leerstuk doet ertoe omdat het de restgrondslag is waarop vorderingen landen die contractueel of via bijzondere wetgeving (intellectuele eigendom, mededinging, bestuursrecht) niet toewijsbaar blijken, en omdat de kwalitatieve aansprakelijkheden van afdeling 6.3.2 BW ervan zijn afgeleid. De scherpe kanten zitten niet in het bestaan van de norm maar in de randen: relativiteit (art. 6:163 BW), de omvang van de toerekening (art. 6:98 BW), de intensiteit van rechterlijke toetsing bij overheidshandelen en de vraag wie binnen een concern of een onderneming de schade uiteindelijk draagt. In de recente rechtspraak verschuift het accent naar aansprakelijkheid van de overheid (aanbesteding, invordering, buitenlands beleid) en naar de verhouding tussen publiekrechtelijke sanctionering en civielrechtelijk verhaal. Voor de praktijk geldt dat vorderingen zelden stranden op de onrechtmatigheid zelf, maar op relativiteit, causaal verband of onvoldoende geconcretiseerde schade.
Wettelijk kader
- art. 6:162 BW grondslag; drie categorieën onrechtmatigheid en toerekening op grond van schuld of verkeersopvattingen
Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
- art. 6:163 BW relativiteitsvereiste: de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de geleden schade
Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
- art. 6:98 BW toerekening van de schade naar aard van aansprakelijkheid en aard van de schade
Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
- art. 6:97 BW begroting en schatting van de schade indien de omvang niet nauwkeurig vaststaat
De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.
- art. 6:119 BW wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf verzuim
De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Een bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de vorige leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.
- art. 6:170 BW kwalitatieve aansprakelijkheid voor fouten van ondergeschikten
Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Stond de ondergeschikte in dienst van een natuurlijke persoon en was hij niet werkzaam voor een beroep of bedrijf van deze persoon, dan is deze slechts aansprakelijk, indien de ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter vervulling van de hem opgedragen taak. Zijn de ondergeschikte en degene in wiens dienst hij stond, beiden voor de schade aansprakelijk, dan behoeft de ondergeschikte in hun onderlinge verhouding niet in de schadevergoeding bij te dragen, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval, mede gelet op de aard van hun verhouding, kan anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.
- art. 6:166 BW hoofdelijke groepsaansprakelijkheid bij onrechtmatig groepsoptreden
Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert.
- art. 6:174 BW aansprakelijkheid bezitter opstal; basis van de medebezittersproblematiek
De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend. Bij erfpacht rust de aansprakelijkheid op de bezitter van het erfpachtsrecht. Bij openbare wegen en waterstaatswerken rust zij op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg of het waterstaatswerk in goede staat verkeert, bij kabels en leidingen op de kabel- en leidingbeheerder, behalve voor zover de kabel of leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk. Bij ondergrondse werken rust de aansprakelijkheid op degene die op het moment van het bekend worden van de schade het werk in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikt. Indien na het bekend worden van de schade een ander gebruiker wordt, blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van dit bekend worden gebruiker was. Indien de schade is bekend geworden na beëindiging van het gebruik van het ondergrondse werk, rust de aansprakelijkheid op degene die de laatste gebruiker was. Onder opstal in dit artikel worden verstaan gebouwen en werken, die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken. Degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal of van de grond staat ingeschreven, wordt vermoed de bezitter van de opstal te zijn. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder openbare weg mede begrepen het weglichaam, alsmede de weguitrusting.
- art. 6:179 BW aansprakelijkheid bezitter dier
De bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.
- art. 6:181 BW verlegging van de kwalitatieve aansprakelijkheid naar de bedrijfsmatig gebruiker
Worden de in de artikelen 173 , 174 en 179 bedoelde zaken, opstallen of dieren gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid uit de artikelen 173 lid 1 , 174 lid 1 en lid 2, eerste zin , en 179 op degene die dit bedrijf uitoefent, tenzij het een opstal betreft en het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat. Wanneer de zaken, opstallen of dieren in de uitoefening van een bedrijf worden gebruikt door ze ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan wordt die ander als de uit hoofde van het vorige lid aansprakelijke persoon aangemerkt. Wanneer een stof als bedoeld in artikel 175 in de uitoefening van een bedrijf wordt gebruikt door deze stof ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het beroep of bedrijf van een ander, wordt die ander als de uit hoofde van artikel 175 lid 1 aansprakelijke persoon aangemerkt.
- art. 6:165 lid 1 BW geestelijke of lichamelijke tekortkoming vormt geen beletsel voor toerekening van een doen
De omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaren of ouder verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, is geen beletsel haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen. Is jegens de benadeelde tevens een derde wegens onvoldoende toezicht aansprakelijk, dan is deze derde jegens de dader verplicht tot bijdragen in de schadevergoeding voor het gehele bedrag van zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde.
- art. 6:109 BW matiging van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding
Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, kan de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen. De matiging mag niet geschieden tot een lager bedrag dan waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid door verzekering heeft gedekt of verplicht was te dekken. Ieder beding in strijd met lid 1 is nietig.
- art. 6:7 BW hoofdelijkheid van meerdere aansprakelijke daders
Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt.
- art. 2:10 BW administratieplicht; bouwsteen voor onrechtmatig handelen van bestuurders jegens crediteuren
Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Onverminderd het bepaalde in de volgende titels is het bestuur verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de rechtspersoon te maken en op papier te stellen. Het bestuur is verplicht de in de leden 1 en 2 bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.
- art. 237 Rv proceskostenveroordeling van de in het ongelijk gestelde partij
De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. Bij een tussenvonnis kan de beslissing over de kosten tot het eindvonnis worden aangehouden. Het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld. De na de uitspraak ontstane kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten. De rechter kan bepalen dat het griffierecht tot betaling waarvan de partij, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt veroordeeld, niet hoger is dan het griffierecht dat van deze partij is geheven of, in het geval dat deze partij gedaagde is in een zaak bij de kantonrechter en van haar geen griffierecht is geheven, het griffierecht dat deze partij verschuldigd zou zijn geweest als zij eiser was geweest. De rechter kan hiertoe besluiten indien hij van oordeel is dat veroordeling tot betaling van het hogere griffierecht, gelet op de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten. De eiser die in het ongelijk wordt gesteld in een geding als bedoeld in de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie»), wordt veroordeeld in de volledige kosten die de wederpartij heeft gemaakt, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op zaken zonder grensoverschrijdende gevolgen als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, genoemd in het zesde lid.
Wettelijk kader
Art. 6:162 lid 1 BW verplicht hem die jegens een ander een aan hem toerekenbare onrechtmatige daad pleegt tot vergoeding van de dientengevolge geleden schade. Lid 2 onderscheidt drie categorieën: inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht, en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, alles behoudens rechtvaardigingsgrond. Lid 3 regelt de toerekening: schuld, dan wel een oorzaak die krachtens wet of verkeersopvattingen voor rekening van de dader komt.
De vordering wordt begrensd door art. 6:163 BW (relativiteit) en art. 6:98 BW (toerekening van de schade). De schadeomvang wordt vastgesteld met art. 6:97 BW (begroting, zo nodig schatting), art. 6:119 BW (wettelijke rente) en, in uitzonderingsgevallen, art. 6:109 BW (matiging). Zijn meerdere daders aansprakelijk, dan geldt hoofdelijkheid (art. 6:7 BW), bij groepsoptreden op grond van art. 6:166 BW.
Afdeling 6.3.2 BW bevat de kwalitatieve aansprakelijkheden die op dezelfde systematiek voortbouwen: art. 6:170 BW (ondergeschikten), art. 6:174 BW (opstal), art. 6:179 BW (dier) en de verlegging naar de bedrijfsmatig gebruiker in art. 6:181 BW. Art. 6:165 lid 1 BW blokkeert het beroep op een geestelijke of lichamelijke tekortkoming als toerekeningsbeletsel bij een als een doen te beschouwen gedraging.
Processueel zijn art. 237 Rv (proceskosten) en, bij IE-handhaving met onrechtmatige daad als subsidiaire grondslag, art. 1019 Rv relevant; collectief optreden verloopt via art. 3:305a BW.
De vijf vereisten
1. Onrechtmatigheid. De kwalificatie moet expliciet worden gemaakt: welke van de drie categorieën van art. 6:162 lid 2 BW en welke concrete norm. Bij gevaarzetting geldt het toetsingskader van ECLI:NL:HR:1965:AB7079: de waarschijnlijkheid dat onoplettendheid tot schade leidt, de ernst van de te verwachten schade, de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen en de aard van de gedraging. Bij beroepsbeoefenaren is de maatstaf die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (ECLI:NL:HR:2015:2745). Bij bestuurders die handelen als verlengstuk van de vennootschap geldt de verzwaarde maatstaf van het persoonlijk ernstig verwijt (ECLI:NL:HR:2012:BX5881), die niet geldt voor wie als rechtstreekse dader optreedt (ECLI:NL:HR:2014:2628).
2. Toerekening. Schuld, of een oorzaak die krachtens wet of verkeersopvattingen voor rekening komt. Bij de overheid wordt onrechtmatig besluiten of handelen in beginsel krachtens verkeersopvattingen toegerekend; dat een aanbestedende dienst zich tussen nationale regelgeving en zijn eigen aanbestedingsvoorwaarden in een klempositie bevond, ontneemt daaraan niet zonder meer de toerekenbaarheid (ECLI:NL:HR:2025:1738).
3. Schade. Vaststaat dat de rechter na vaststelling van de aansprakelijkheid de schade moet begroten of schatten (art. 6:97 BW), dan wel naar de schadestaat moet verwijzen; een onvoldoende gekwantificeerde schade is op zichzelf geen afwijzingsgrond.
4. Causaal verband. Eerst condicio sine qua non, daarna toerekening naar redelijkheid ex art. 6:98 BW aan de hand van objectieve factoren, waaronder wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was (ECLI:NL:HR:2017:214). Bij letsel, ook zuiver geestelijk letsel, geldt een ruimere toerekening en komt de invloed van een predispositie in beginsel voor rekening van de aansprakelijke partij (ECLI:NL:HR:2022:590). Het csqn-verband kan worden doorbroken door hypothetische alternatieve scenario's, bijvoorbeeld de stelling dat een aanbesteding hoe dan ook opnieuw had moeten plaatsvinden met onzekere uitkomst.
5. Relativiteit. Art. 6:163 BW is het vaakst onderschatte vereiste. Een norm die de mededinging beschermt, strekt niet zonder meer tot bescherming van het vermogensbelang van een moedermaatschappij die zelf tot de inbreukmakende onderneming behoorde; op die grond strandde in feitelijke instanties de vordering van de beboete moeder op haar voormalige dochter (zie de lijn die uitmondt in ECLI:NL:HR:2026:596).
Kwalitatieve aansprakelijkheid en groepsaansprakelijkheid
Art. 6:170 BW vergt (a) ondergeschiktheid, (b) een toerekenbare onrechtmatige daad van de ondergeschikte, beoordeeld alsof diens eigen aansprakelijkheid in het geding is, en (c) functioneel verband: de opdracht heeft de kans op de fout vergroot en de werkgever had zeggenschap over de gedraging waarin de fout was gelegen. Bij inlening kan de materieel werkgever aansprakelijk zijn; zeggenschap over of en wanneer de ingeleende werknemer werkzaamheden verricht is in beginsel voldoende voor ondergeschiktheid. In de interne verhouding draagt de ondergeschikte alleen bij bij opzet of bewuste roekeloosheid (art. 6:170 lid 3 BW).
De art. 6:174 en 6:179 BW leggen risicoaansprakelijkheid op de bezitter, ongeacht schuld; art. 6:181 BW verlegt die naar de bedrijfsmatig gebruiker. De uitbreiding naar benadeelde medebezitters van een opstal (ECLI:NL:HR:2010:BM6095) is niet doorgetrokken naar dieren en naar bedrijfsmatig gebruik van dieren (ECLI:NL:HR:2016:162): de benadeelde medebezitter of medegebruiker kan zich op die grondslag niet tot zijn medebezitters wenden.
Art. 6:166 BW leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid van alle deelnemers indien het groepsoptreden onrechtmatig is, de kans op schade hen van deelname had moeten weerhouden en de gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Dat vergt individualisering: per gedaagde moeten de feitelijke betrokkenheid en de wetenschap omtrent de kans op schade worden gesteld. Een generieke omschrijving van 'de groep' voldoet niet.
Overheidsaansprakelijkheid en aansprakelijkheid binnen een onderneming
Aanbesteding. De aanbestedende dienst moet de door hemzelf gestelde voorwaarden nauwgezet in acht nemen. Nadat de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen had gesteld (ECLI:NL:HR:2015:757) en het Hof van Justitie deze had beantwoord (ECLI:EU:C:2016:948), stond vast dat gunning aan een inschrijver met een ernstige beroepsfout onrechtmatig is wanneer de aanbestedingsvoorwaarden zonder meer terzijdelegging voorschrijven (ECLI:NL:HR:2018:1096). In de daarop volgende bodemprocedure staat de vervolgvraag centraal: toerekening aan de Staat en het causaal verband met de gemiste opdracht, waarbij het verweer luidt dat ook bij correcte uitsluiting heraanbesteding met onzekere uitkomst had moeten volgen (ECLI:NL:HR:2025:1738).
Beleidsvrijheid. Op terreinen van buitenlands beleid, defensie en nationale veiligheid komt de Staat een grote beleids- en beoordelingsruimte toe. De burgerlijke rechter toetst dan of alle betrokken belangen zijn afgewogen en of de Staat in het licht van alle omstandigheden in redelijkheid tot zijn handelwijze heeft kunnen komen; een duidelijk risico op ernstige schendingen van internationaal humanitair recht is daarbij een zwaarwegende factor die uitdrukkelijk moet worden meegewogen (ECLI:NL:HR:2025:1435).
Invordering en formele rechtskracht. Een derde die niet zelf bestuursrechtelijk kon opkomen tegen belastingaanslagen, maar wel indirect voor de betaling ervan wordt aangesproken, kan de materiële verschuldigdheid in beginsel civielrechtelijk aan de orde stellen. In feitelijke instanties werd daarbij de maatstaf gehanteerd dat de Ontvanger slechts onrechtmatig handelt indien onmiskenbaar is dat de aanslagen materieel niet verschuldigd zijn. De Hoge Raad heeft zich over de te hanteren maatstaf en over het onderscheid tussen directe aansprakelijkheid en verhaalsconcurrentie uitgesproken in ECLI:NL:HR:2026:817, voortbouwend op ECLI:NL:HR:2011:BQ7066.
Concern en boetes. Wordt een kartelboete zowel aan de dochter als aan de (voormalige) moeder opgelegd omdat zij één onderneming vormden, dan biedt art. 6:162 BW de moeder geen grondslag voor verhaal op de dochter: een inbreuk die de moeder geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, is niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van de dochter jegens haar (ECLI:NL:HR:2026:596). De interne draagplicht wordt beheerst door nationaal recht, met inachtneming van de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid.
Toepassing in de praktijk
Voor de eisende partij. Bouw de dagvaarding strikt op langs de vijf vereisten. Beschrijf de gedraging chronologisch en concreet; kwalificeer daarna uitdrukkelijk welke categorie van art. 6:162 lid 2 BW aan de orde is en welke norm is geschonden. Werk bij gevaarzetting de vier Kelderluik-factoren afzonderlijk uit. Stel toerekening (schuld dan wel verkeersopvattingen) en besteed een zelfstandige alinea aan relativiteit: waarom strekt juist deze norm tot bescherming van juist deze eiser tegen juist deze schade. Formuleer de csqn-test expliciet en betoog vervolgens de toerekening ex art. 6:98 BW met de gezichtspunten aard van de aansprakelijkheid, aard van de schade en objectieve voorzienbaarheid. Specificeer de schadeposten en vorder subsidiair verwijzing naar de schadestaat of schatting ex art. 6:97 BW. In het petitum: verklaring voor recht, veroordeling tot schadevergoeding (nader op te maken bij staat), wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de datum van de onrechtmatige daad, hoofdelijkheid bij meerdere gedaagden (art. 6:7 jo. 6:166 BW) en proceskosten ex art. 237 Rv.
Voor de gedaagde partij. Het verweer wint doorgaans op de randen. Toets systematisch of relativiteit is gesteld en onderbouwd; bij vorderingen op mededingings-, financieel- of bestuursrechtelijke normen is dat vaak de kortste route. Betwist het csqn-verband met een concreet hypothetisch alternatief scenario (de schade zou ook zonder de gedraging zijn ingetreden, of de uitkomst zou onzeker zijn gebleven). Voer bij bestuurders het ontbreken van persoonlijk ernstig verwijt aan en verzet u tegen toepassing van de gewone maatstaf zolang de bestuurder als verlengstuk van de vennootschap handelde. Bij overheidshandelen: beroep op formele rechtskracht van het onderliggende besluit, op de beperkte toetsingsintensiteit bij beleids- en beoordelingsruimte, en op de eis dat onmiskenbaar moet zijn dat het standpunt van het bestuursorgaan onjuist is. Bij IE-geschillen waarin onrechtmatige daad subsidiair wordt ingeroepen, is het verweer dat de subsidiaire grondslag inhoudelijk samenvalt met het gefaalde IE-verwijt vaak effectief (vgl. ECLI:NL:RBDHA:2026:5128 en ECLI:NL:RBNHO:2025:15858). Betwist ten slotte de schadeposten gemotiveerd en beroep u zo nodig op matiging (art. 6:109 BW).
Valkuilen
- Relativiteit onbesproken laten. De vordering wordt afgewezen ook al zijn de overige vier vereisten vervuld. Bij een Peeters/Gatzen-achtige vordering namens gezamenlijke crediteuren moet de relativiteit worden bewaakt ten aanzien van elke benadeelde schuldeiser wiens schade wordt gevorderd.
- Onrechtmatige daad als lege restgrondslag. Wie de subsidiaire OD-grondslag niet zelfstandig invult (welke norm, welk eigen belang, welke vermogensschade), krijgt haar niet toegewezen; het enkele feit dat een IE-recht of een distributiebelang wordt geraakt volstaat niet.
- Wettelijke rente te vroeg vorderen. De schadevergoedingsverbintenis kan niet eerder opeisbaar zijn dan het moment van de schadeveroorzakende gedraging (ECLI:NL:HR:2018:107).
- Het ernstig-verwijtcriterium verkeerd plaatsen. Het geldt uitsluitend voor de bestuurder die handelt als verlengstuk van de vennootschap, niet voor de rechtstreekse dader (ECLI:NL:HR:2014:2628) en niet voor de buitencontractueel aangesproken beroepsbeoefenaar (ECLI:NL:HR:2015:2745).
- De Hangmat-regel uitbreiden. Wat voor medebezitters van een opstal geldt, geldt niet voor dieren of bedrijfsmatig gebruik van dieren (ECLI:NL:HR:2016:162).
- Schadeomvang als afwijzingsgrond aanvaarden. Staat de aansprakelijkheid vast, dan moet worden geschat of naar de schadestaat verwezen.
- Groepsaansprakelijkheid onvoldoende individualiseren. Art. 6:166 BW vereist per deelnemer betrokkenheid en wetenschap.
- Toetsingsintensiteit miskennen. Wie de overheid aanspreekt op een beleidsmatige afweging moet stellen dat en waarom de afweging de redelijkheidstoets niet doorstaat; een volle herbeoordeling van het beleid vraagt de rechter niet.
- Herhaling van zetten. In vervolgprocedures na een eerdere inhoudelijke beoordeling van dezelfde feiten wordt een enkele herhaling van eerdere stellingen, zonder weerlegging van de gemotiveerde betwisting, als onvoldoende aangemerkt.
Open vragen en ontwikkelingen
Toetsingsmaatstaf bij aanvechten van publiekrechtelijke besluiten door derden. Onbeslist bleef lange tijd of de civiele rechter, wanneer een derde die geen bestuursrechtelijke rechtsingang had de juistheid van een belastingaanslag betwist, volledig moet toetsen, in het geheel niet mag toetsen omdat de derde die mogelijkheid in een eerdere civiele procedure al heeft benut, of slechts marginaal (onmiskenbare onjuistheid). Dit was de kern van het cassatiegeding dat is beslecht in ECLI:NL:HR:2026:817; de doorwerking van dat oordeel naar andere gevallen van formele rechtskracht jegens derden zal de komende jaren moeten uitkristalliseren, evenals de betekenis van het daarbij gemaakte onderscheid tussen directe aansprakelijkheid en verhaalsconcurrentie.
Interne draagplicht na volgtijdelijke beboeting binnen één onderneming. Ontkenning van een OD-grondslag laat de vraag open langs welke weg onderling verhaal wél mogelijk is. In feitelijke instanties is geopperd dat verhaal kan plaatsvinden volgens hetzelfde uitgangspunt als art. 6:10 BW (het gedeelte dat ieder aangaat), waarbij de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) een rol kunnen spelen, en is niet uitgesloten dat bijzondere omstandigheden, zoals sterk uiteenlopende beleidsinvloed, tot verhaal kunnen leiden. Zie ECLI:NL:HR:2026:596.
Intensiteit van rechterlijke toetsing van overheidsbeleid. De spanning tussen ruime beleids- en beoordelingsruimte en de zwaarte van de betrokken belangen (internationaal humanitair recht) is met ECLI:NL:HR:2025:1435 niet definitief opgelost; de vraag welke motiveringseisen aan de belangenafweging van de Staat mogen worden gesteld, blijft actueel, ook in collectieve acties op grond van art. 3:305a BW.
Causaliteit bij gemiste overheidsopdrachten. De vraag hoe het hypothetische scenario (heraanbesteding, kansschade, mogelijke uitsluiting van de eiser zelf) moet worden verdisconteerd in csqn-verband en toerekening ex art. 6:98 BW, is met ECLI:NL:HR:2025:1738 aan de orde gesteld maar zal casuïstisch verder worden ingevuld.
Ruime toerekening bij geestelijk letsel. Na ECLI:NL:HR:2022:590 blijft de afbakening tussen predispositie die toerekenbaar is en een zelfstandige, ook zonder de gebeurtenis ingetreden gezondheidsontwikkeling een terugkerend bewijsrechtelijk twistpunt.
Rechtspraaklijn
- 5 november 1965, Hoge Raad Kelderluik-arrest (ECLI:NL:HR:1965:AB7079) Of het scheppen van een gevaar onrechtmatig is, hangt af van de waarschijnlijkheid van onoplettendheid, de ernst van de te verwachten schade, de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen en de aard van de gedraging.
- 8 oktober 2010, Hoge Raad Hangmat-arrest (ECLI:NL:HR:2010:BM6095) De bezitter van een gebrekkige opstal is op grond van art. 6:174 BW ook aansprakelijk jegens een benadeelde medebezitter, die zijn eigen aandeel in de schade zelf draagt.
- 9 september 2011, Hoge Raad Dumatrust Management Services B.V., JHH Exploitatie Maatschappij B.V. en Duma Corporation Services N.V./De Ontvanger van de Belastingdienst Holland-Midden/Kantoor Haarlem en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) (ECLI:NL:HR:2011:BQ7066) Bij aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad moet worden onderscheiden tussen directe aansprakelijkheid jegens de benadeelde en verhaalsconcurrentie tussen schuldeisers, hetgeen bepalend is voor de te hanteren maatstaf.
- 23 november 2012, Hoge Raad Spaanse Villa (ECLI:NL:HR:2012:BX5881) Een bestuurder die bij zijn taakvervulling als bestuurder onrechtmatig handelt jegens een derde, is persoonlijk aansprakelijk slechts indien hem ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
- 5 september 2014, Hoge Raad Bestuurder als rechtstreekse dader (ECLI:NL:HR:2014:2628) Het criterium van het persoonlijk ernstig verwijt geldt niet wanneer de aangesproken persoon niet als bestuurder namens de vennootschap maar als zelfstandige, rechtstreekse dader heeft gehandeld; dan gelden de gewone vereisten van art. 6:162 BW.
- 27 maart 2015, Hoge Raad Connexxion Taxi Services B.V./De Staat der Nederlanden en de Combinatie (Transvision B.V., Rotterdamse Mobiliteit Centrale RMC B.V., Zorgvervoercentrale Nederland B.V.) (ECLI:NL:HR:2015:757) Een aanbestedende dienst moet de door hemzelf vastgestelde aanbestedingsvoorwaarden op grond van gelijke behandeling en transparantie nauwgezet in acht nemen, ook wanneer nationaal recht tot een evenredigheidsbeoordeling van een uitsluitingsgrond verplicht. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2014:2001
- 18 september 2015, Hoge Raad Buitencontractuele beroepsaansprakelijkheid advocaat (ECLI:NL:HR:2015:2745) Voor buitencontractuele aansprakelijkheid van een beroepsbeoefenaar die een opdracht feitelijk uitvoert gelden de gewone vereisten van art. 6:162 BW, met als maatstaf de redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot, en niet het criterium van het persoonlijk ernstig verwijt.
- 29 januari 2016, Hoge Raad Medebezit dier (ECLI:NL:HR:2016:162) De regel dat een medebezitter aansprakelijk kan zijn jegens een benadeelde medebezitter geldt niet voor de kwalitatieve aansprakelijkheid voor dieren (art. 6:179 BW) of voor bedrijfsmatig gebruik daarvan (art. 6:181 BW).
- 10 februari 2017, Hoge Raad Toerekening en objectieve voorzienbaarheid (ECLI:NL:HR:2017:214) Bij de toerekening ex art. 6:98 BW is beslissend een weging van objectieve factoren als de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, waarbij ook wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was een rol kan spelen.
- 26 januari 2018 Peeters/Gatzen-aansprakelijkheid en ingangsdatum wettelijke rente (ECLI:NL:HR:2018:107) De verbintenis tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad kan niet eerder opeisbaar zijn dan het moment van de schadeveroorzakende gedraging, zodat wettelijke rente niet vóór dat moment verschuldigd is.
- 6 juli 2018, Hoge Raad Connexxion Taxi Services B.V./De Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), Transvision B.V., Rotterdamse Mobiliteit Centrale RMC B.V., Zorgvervoercentrale Nederland B.V. (ECLI:NL:HR:2018:1096) Een aanbestedende dienst mag een opdracht niet gunnen aan een inschrijver die een ernstige beroepsfout heeft begaan wanneer de aanbestedingsvoorwaarden voorschrijven dat een inschrijving waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is zonder meer terzijde wordt gelegd. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2018:422
- 22 april 2022, Hoge Raad Toerekening bij geestelijk letsel en predispositie (ECLI:NL:HR:2022:590) Letselschade, ook zuiver geestelijk letsel, geeft in beginsel aanleiding tot ruime toerekening ex art. 6:98 BW, en het door een predispositie ontstane of verergerde deel van de schade moet in beginsel aan de aansprakelijke partij worden toegerekend.
- 3 oktober 2025, Hoge Raad De Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken)/Stichting Oxfam Novib, Stichting Vredesbeweging PAX Nederland, Stichting The Rights Forum (ECLI:NL:HR:2025:1435) Bij toetsing van optreden van de Staat op het terrein van buitenlands beleid, defensie en nationale veiligheid komt de Staat een grote beleids- en beoordelingsruimte toe, zodat de rechter slechts beoordeelt of de Staat alle betrokken belangen heeft afgewogen en in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2024:1279
- 21 november 2025, Hoge Raad De Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)/Connexxion Taxi Services B.V. (ECLI:NL:HR:2025:1738) Onrechtmatige gunning aan een inschrijver die volgens de aanbestedingsvoorwaarden moest worden uitgesloten kan aan de Staat worden toegerekend, ook indien deze door tegenstrijdige nationale regelgeving in een klempositie verkeerde, waarna het geschil zich toespitst op het causaal verband met de gemiste opdracht. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:207
- 10 april 2026, Hoge Raad Bencis Capital Partners B.V. en BBOF II General Partner B.V./Dossche Mills Nederland B.V., Dossche Mills B.V. en Rotterdam Brielselaan B.V. (ECLI:NL:HR:2026:596) Een mededingingsinbreuk die de moedermaatschappij als onderdeel van dezelfde onderneming geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, levert geen onrechtmatige daad van de dochtermaatschappij jegens die moeder op, zodat verhaal van de eigen boete langs die weg afstuit. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:999
- 29 mei 2026, Hoge Raad Ontvanger en materieel onverschuldigde aanslagen jegens derde (ECLI:NL:HR:2026:817) Voor de vraag of de Ontvanger onrechtmatig handelt jegens een derde door op onherroepelijke belastingaanslagen gebaseerde vorderingen in het faillissement van de belastingschuldige in te dienen, geldt een eigen maatstaf waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen directe aansprakelijkheid en verhaalsconcurrentie. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:647