Wettelijke rente
Vertragingsschade bij de voldoening van een geldsom wordt gefixeerd vergoed met de wettelijke rente van art. 6:119 BW, of met de hogere handelsrente van art. 6:119a BW bij de betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst.
De wettelijke rente is de gefixeerde schadevergoeding voor vertraging in de voldoening van een geldsom: de schuldeiser hoeft geen schade te bewijzen en kan omgekeerd ook geen hogere vertragingsschade claimen. Het stelsel kent twee sporen: de gewone wettelijke rente van art. 6:119 BW, die loopt over de periode van verzuim, en de aanzienlijk hogere wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW, die uitsluitend geldt voor de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst. De scherpe kanten zitten in de ingangsdatum, die met het verzuim meebeweegt en bij schadevergoeding zonder ingebrekestelling intreedt, in de afbakening van de handelsrente, die schadevergoeding en onverschuldigde betaling buiten de deur houdt, en in bijzondere regimes zoals de wettelijke verhoging bij te laat betaald loon en de doorwerking in faillissement.
Wettelijk kader
- art. 6:119 BW grondslag: gefixeerde vertragingsschade over de periode van verzuim, met jaarlijkse samengestelde rente en doorloop van een hogere bedongen rente
De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Een bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de vorige leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.
- art. 6:119a BW wettelijke handelsrente voor de geldelijke tegenprestatie uit een handelsovereenkomst, met eigen ingangsregels en grenzen aan betaaltermijnen
De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in het geval van een handelsovereenkomst in de wettelijke rente van die som met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop de schuldenaar de geldsom heeft voldaan. Onder handelsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen. Indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen, is de wettelijke rente van rechtswege verschuldigd: vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, of indien de datum van ontvangst van de factuur niet vaststaat, of indien de schuldenaar de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft ontvangen, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de prestatie is ontvangen, of indien de schuldenaar een termijn heeft bedongen waarbinnen hij de ontvangen prestatie kan aanvaarden dan wel kan beoordelen of deze aan de overeenkomst beantwoordt, en indien hij de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, dan wel, indien hij zich niet over goedkeuring of aanvaarding uitspreekt, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop de termijn verstrijkt. Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De termijn bedoeld in lid 2 onder c bedraagt niet meer dan 30 dagen vanaf de datum van ontvangst van de prestatie, tenzij partijen uitdrukkelijk een langere termijn overeenkomen en deze termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser, mede gelet op: de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de 30 dagen termijn; de aard van de prestatie; en elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken. Partijen kunnen een uiterste dag van betaling overeenkomen van ten hoogste 60 dagen, tenzij zij uitdrukkelijk een langere termijn van betaling in de overeenkomst opnemen en deze termijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser, mede gelet op: de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de 60 dagen termijn; de aard van de prestatie; en elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken. In afwijking van lid 5 kunnen partijen geen uiterste dag van betaling overeenkomen van meer dan 30 dagen indien de schuldenaar een rechtspersoon is die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, niet heeft voldaan aan ten minste twee van de vereisten, bedoeld in artikel 397, leden 1 en 2 van Boek 2 , en de schuldeiser een natuurlijk persoon is die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf of een rechtspersoon, die gedurende die periode aan ten minste twee van die vereisten heeft voldaan. Een beding in een overeenkomst in strijd met de vorige zin is nietig. Geen wettelijke rente is verschuldigd wanneer de schuldeiser zelf in verzuim is. De wettelijke rente is verschuldigd behalve voor zover de vertraging niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de wettelijke rente gelijkgesteld een andere overeengekomen rente.
- art. 6:120 BW vaststelling van de rentevoet: bij AMvB voor de gewone rente, ECB-herfinancieringsrente plus acht procentpunten voor de handelsrente
De wettelijke rente bedoeld in artikel 119 wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Wettelijke rente die loopt op het tijdstip van inwerkingtreding van een nieuwe bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde rentevoet, wordt met ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet berekend. De wettelijke rente bedoeld in artikel 119a en artikel 119b is gelijk aan de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie die heeft plaatsgevonden voor de eerste kalenderdag van het betreffende halfjaar, vermeerderd met acht procentpunten. Wettelijke rente die loopt op de eerste dag van het betreffende halfjaar, wordt met ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet berekend gedurende een half jaar.
- art. 6:82 BW verzuim na ingebrekestelling met redelijke termijn
Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.
- art. 6:83 BW verzuim zonder ingebrekestelling: fatale termijn, verbintenis uit onrechtmatige daad of tot schadevergoeding, mededeling van niet-nakoming
Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in: wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft; wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen; wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
- art. 6:75 BW toerekenbaarheid van de vertraging; geldgebrek is geen overmacht
Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
- art. 7:625 BW wettelijke verhoging bij te late loonbetaling, naast de wettelijke rente, met matigingsbevoegdheid
Voor zover het in geld vastgesteld loon of het gedeelte dat overblijft na aftrek van hetgeen door de werkgever overeenkomstig artikel 628 mag worden verrekend, en na aftrek van hetgeen waarop derden overeenkomstig artikel 633 rechten doen gelden, niet wordt voldaan uiterlijk de derde werkdag na die waarop ingevolge de artikelen 623 en 624 lid 1 de voldoening had moeten geschieden, heeft de werknemer, indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen, aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Deze verhoging bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag vijf procent per dag en voor elke volgende werkdag een procent, met dien verstande dat de verhoging in geen geval de helft van het verschuldigde te boven zal gaan. Niettemin kan de rechter de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen. Van dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
Wettelijk kader
De schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening in verzuim is geweest (art. 6:119 BW). Telkens na afloop van een jaar wordt de niet-betaalde rente bij de hoofdsom geteld, zodat samengestelde rente ontstaat. Is contractueel een hogere rente bedongen, dan loopt die hogere rente in plaats van de wettelijke rente door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.
De rentevoet van de gewone wettelijke rente wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld; de handelsrente van art. 6:119a BW is gelijk aan de herfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank vermeerderd met acht procentpunten, met halfjaarlijkse aanpassing (art. 6:120 BW). Het verschil is in de praktijk groot: de gewone rente schommelde de afgelopen jaren rond de twee tot drie procent, de handelsrente rond de acht procent, wat verklaart waarom schuldeisers bij voorkeur de handelsrente vorderen. De handelsrenteregeling is regelend recht: partijen kunnen een andere rente overeenkomen, die voor de toepassing van art. 6:119a BW met de wettelijke rente wordt gelijkgesteld.
Verzuim als scharnier
De gewone wettelijke rente loopt alleen over de periode van verzuim. Bij een verbintenis tot nakoming treedt het verzuim in na een schriftelijke ingebrekestelling met een redelijke termijn (art. 6:82 BW), of zonder ingebrekestelling wanneer een fatale betalingstermijn verstrijkt of de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze zal tekortschieten (art. 6:83 BW).
Voor verbintenissen uit onrechtmatige daad en verbintenissen tot schadevergoeding wegens wanprestatie treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in zodra de verbintenis niet terstond wordt nagekomen (art. 6:83 BW). De rente over een schadevergoeding loopt daarom vanaf het moment waarop de schade wordt geleden, niet pas vanaf de dagvaarding (ECLI:NL:HR:2017:3232). Ontstaat de schade gespreid, zoals immateriële schade door misbruik gedurende een langere periode, dan mag de rechter de ingangsdatum schattenderwijs bepalen, bijvoorbeeld halverwege of aan het einde van de periode; de rente pas vanaf een later veroordelend vonnis laten lopen is onjuist (ECLI:NL:GHDHA:2023:2048).
De vertraging moet aan de schuldenaar toerekenbaar zijn (art. 6:75 BW), maar die lat ligt laag: een gebrek aan geldmiddelen levert geen overmacht op, ook niet voor een faillissementsboedel (ECLI:NL:HR:2026:239).
Het spiegelbeeld verdient aandacht: geen wettelijke rente is verschuldigd voor zover de vertraging niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend of de schuldeiser zelf in verzuim is. De schuldenaar die op redelijke gronden twijfelt aan wie hij moet betalen, bijvoorbeeld na een gestelde cessie of bij een geschil tussen mogelijke rechthebbenden, mag de nakoming bovendien opschorten (art. 6:37 BW) en raakt in die periode niet in verzuim. Wie een renteaanspraak wil veiligstellen, doet er dus goed aan iedere onduidelijkheid over de betalingsbestemming snel weg te nemen.
Gefixeerde schadevergoeding: twee kanten van dezelfde medaille
Art. 6:119 BW fixeert de vertragingsschade ter wille van de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht. Dat werkt in het voordeel van de schuldeiser: hij heeft recht op de wettelijke rente ook als hij feitelijk geen schade heeft geleden, bijvoorbeeld omdat hij de te veel betaalde heffing al aan zijn afnemers had doorberekend (ECLI:NL:HR:2005:AR0220, Ahold/Staat).
Het werkt even hard de andere kant op. Wie stelt dat hij door de te late betaling meer schade heeft geleden dan de wettelijke rente, bijvoorbeeld doordat hij een verzekering niet kon betalen en daardoor boetes en extra premies verschuldigd werd, vangt bot: de fixatie sluit aanvullende vergoeding van vertragingsschade uit (ECLI:NL:GHAMS:2018:578). Wettelijke rente en afzonderlijke renteschade zijn evenmin cumuleerbaar (ECLI:NL:HR:2015:1520). Wie werkelijk hogere vertragingsschade voorziet, moet dat contractueel regelen met een hogere bedongen rente of een boetebeding.
De handelsrente en haar grenzen
De handelsrente van art. 6:119a BW geldt uitsluitend voor de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst: de overeenkomst om baat tussen professionele partijen. Zij ziet op de primaire betalingsverplichting en op niets anders. Een vordering tot schadevergoeding na ontbinding van een handelsovereenkomst valt onder de gewone rente (ECLI:NL:HR:2016:70), en hetzelfde geldt voor een vordering uit onverschuldigde betaling die uit zo'n overeenkomst voortvloeit (ECLI:NL:HR:2020:1710, Q-Park/Deka). Voor de ontbindende partij kan dat renteverschil zelfs een reden zijn om nakoming te blijven vorderen in plaats van te ontbinden.
De ingangsdatum is bij de handelsrente losgekoppeld van de ingebrekestelling. Is een uiterste betaaldag overeengekomen, dan loopt de rente vanaf de dag daarna. Zonder afgesproken betaaldag is de rente van rechtswege verschuldigd vanaf dertig dagen na ontvangst van de factuur of, als die datum niet vaststaat, na ontvangst van de prestatie (art. 6:119a BW). Een factuur is daarvoor niet heilig: een gelijkwaardig verzoek tot betaling, zoals een ingebrekestelling met betalingsverzoek, volstaat en dan wordt de ingangsdatum langs dezelfde regels bepaald (ECLI:NL:HR:2016:339). De wet begrenst bovendien de betaaltermijnen zelf: meer dan zestig dagen kan alleen uitdrukkelijk en voor zover niet kennelijk onbillijk, en jegens mkb-schuldeisers is voor grote ondernemingen een langere termijn dan dertig dagen nietig.
Ook binnen het handelsrenteregime blijft de toerekenbaarheid een grens: de rente is niet verschuldigd voor zover de vertraging niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend, en evenmin zolang de schuldeiser zelf in verzuim is (art. 6:119a BW). Anders dan bij de gewone rente is een beroep op de gewone verzuimregels verder niet nodig: de wet koppelt de verschuldigdheid rechtstreeks aan het verstrijken van de betaaltermijn.
Loon, faillissement en overheid
Bij te laat betaald loon staat naast de wettelijke rente de wettelijke verhoging van art. 7:625 BW: oplopend tot maximaal de helft van het verschuldigde, als prikkel tot tijdige betaling, met een matigingsbevoegdheid voor de rechter. In faillissement lopen beide door. De Hoge Raad besliste eerst dat de wettelijke rente over huur die op grond van art. 39 Fw boedelschuld is, zelf ook boedelschuld is (ECLI:NL:HR:2021:1994, Curatoren/PaperlinX), en trok die lijn vervolgens door naar loonvorderingen: over loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw boedelschuld is, zijn zowel de wettelijke rente als de wettelijke verhoging als boedelschuld verschuldigd, ongeacht of de werknemer via de loongarantieregeling een uitkering van het UWV ontvangt; aan de verhoging is bovendien een voorrecht verbonden, aan de rentevordering niet, en een behoorlijke taakuitoefening kan meebrengen dat de curator werknemers op deze aanspraken attendeert (ECLI:NL:HR:2026:239).
Ook de overheid die te laat betaalt, is wettelijke rente verschuldigd, bijvoorbeeld na een aanvankelijk geweigerde en later alsnog toegekende uitkering. Sinds de invoering van titel 8.4 Awb loopt de schadevergoedingsvordering wegens een onrechtmatig besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de belastingrechter in hoogste instantie oordeelt via de bestuursrechtelijke verzoekschriftprocedure; ook daar begrenst de fixatie van art. 6:119 BW wat er naast de rente te halen valt.
De wettelijke verhoging heeft een eigen ritme: zij ontstaat pas wanneer het loon niet uiterlijk de derde werkdag na de vervaldag is voldaan, bedraagt vijf procent per dag voor de vierde tot en met de achtste werkdag en daarna een procent per verdere werkdag, met een plafond van de helft van het verschuldigde loon; de rechter kan haar beperken tot wat hem gelet op de omstandigheden billijk voorkomt (art. 7:625 BW). Verhoging en wettelijke rente kunnen naast elkaar bestaan, omdat de verhoging geen schadevergoeding maar een aansporing tot tijdige betaling is.
Toepassing in de praktijk
De rechter wijst rente niet ambtshalve toe: neem haar op in het petitum, met een gespecificeerde ingangsdatum. Bij nakoming is dat de vervaldag of de dag waarop het verzuim na ingebrekestelling intrad; bij schadevergoeding het moment waarop de schade is geleden, niet de dagvaardingsdatum. Wie op het verkeerde spoor zit, wordt deels gered door de rechtspraak: een vordering die alleen de handelsrente noemt, omvat als het meerdere ook het mindere, zodat bij afwijzing van de handelsrente de gewone wettelijke rente toewijsbaar blijft (ECLI:NL:HR:2016:70). Netter is het om primair handelsrente en subsidiair gewone rente te vorderen.
De klassieke valkuilen laten zich uit het voorgaande aflezen: handelsrente vorderen over schadevergoeding of een terugbetalingsvordering, de ingangsdatum op de dagvaarding zetten waar het verzuim al veel eerder intrad, vertragingsschade naast de wettelijke rente claimen, en vergeten dat de niet-betaalde rente na een jaar zelf rentedragend wordt, wat bij langlopende geschillen aanzienlijk optelt.
De gangbare petitumformulering luidt: vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf de genoemde ingangsdatum tot de dag van algehele voldoening; bij handelstransacties: vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf de vervaldag, subsidiair de wettelijke rente ex art. 6:119 BW. Vermeld bij deelvorderingen met verschillende ontstaansmomenten per post een eigen ingangsdatum, zodat de renteberekening in de executiefase geen nieuwe discussie oplevert.
Rechtspraaklijn
- 14 januari 2005 Ahold/Staat (ECLI:NL:HR:2005:AR0220) De wettelijke rente is als gefixeerde schadevergoeding verschuldigd ongeacht of de schuldeiser door de vertraagde betaling werkelijk schade heeft geleden.
- 12 juni 2015 geen cumulatie (ECLI:NL:HR:2015:1520) Wettelijke rente en afzonderlijke vergoeding van renteschade over dezelfde vertraging zijn niet cumuleerbaar.
- 15 januari 2016 geen handelsrente over schadevergoeding (ECLI:NL:HR:2016:70) Over een schadevergoedingsvordering na ontbinding van een handelsovereenkomst is niet de handelsrente maar de gewone wettelijke rente verschuldigd; een vordering tot handelsrente omvat als het meerdere ook de gewone rente.
- 26 februari 2016 factuur niet vereist (ECLI:NL:HR:2016:339) Ook zonder factuur wordt de ingangsdatum van de handelsrente bepaald aan de hand van art. 6:119a lid 2 BW wanneer een gelijkwaardig verzoek tot betaling is gedaan.
- 22 december 2017 ingangsdatum bij schadevergoeding (ECLI:NL:HR:2017:3232) De wettelijke rente over een schadevergoeding loopt op de voet van art. 6:83 aanhef en onder b BW vanaf het moment waarop de schade wordt geleden, zonder ingebrekestelling.
- 20 februari 2018 fixatie werkt beide kanten op (ECLI:NL:GHAMS:2018:578) De fixatie van art. 6:119 BW sluit vergoeding van gestelde vertragingsschade boven de wettelijke rente uit.
- 30 oktober 2020 Q-Park/Deka (ECLI:NL:HR:2020:1710) De handelsrente ziet alleen op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst en niet op andere geldelijke verplichtingen zoals een vordering uit onverschuldigde betaling.
- 24 december 2021, Hoge Raad Curatoren/PaperlinX (ECLI:NL:HR:2021:1994) De wettelijke rente die bij verzuim verschuldigd is over een boedelschuld, is zelf ook een boedelschuld. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2021:415
- 10 oktober 2023 ingangsdatum immateriële schade (ECLI:NL:GHDHA:2023:2048) Bij schade die gespreid over een langere periode ontstaat, mag de ingangsdatum van de wettelijke rente schattenderwijs worden bepaald en niet pas op de datum van een later vonnis worden gesteld.
- 13 februari 2026, Hoge Raad Federatie Nederlandse Vakbeweging/R.J.C. Geelen, curator in het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V. (ECLI:NL:HR:2026:239) Over loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw boedelschuld is, zijn de wettelijke rente en de wettelijke verhoging als boedelschuld verschuldigd, ongeacht de loongarantieregeling; geldgebrek van de boedel levert geen overmacht op. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:752