Hoofdelijkheid
Bij hoofdelijke verbondenheid (art. 6:6 BW) kan de schuldeiser ieder van de schuldenaren voor het geheel aanspreken; intern wordt de schuld verdeeld naar draagplicht, met regres en subrogatie voor wie meer betaalde dan zijn aandeel.
Hoofdelijkheid ontkoppelt de externe aansprakelijkheid van de interne verdeling. Extern kan de schuldeiser elke hoofdelijke schuldenaar voor de gehele prestatie aanspreken en bevrijdt nakoming door de één alle anderen (art. 6:6 en 6:7 BW). Intern gaat de schuld ieder aan naar zijn draagplicht: wie meer voldoet dan zijn aandeel, heeft regres op zijn medeschuldenaren (art. 6:10 BW) en wordt gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser (art. 6:12 BW). Hoofdelijkheid ontstaat uit overeenkomst of uit de wet, zoals bij meerdere aansprakelijken voor dezelfde schade en bij groepsaansprakelijkheid. De praktijkgeschillen concentreren zich op de draagplicht binnen concerns, waar het profijtbeginsel regeert, op de verjaring van regresvorderingen en op de figuur dat een proceskostenveroordeling van meerdere partijen van rechtswege hoofdelijk is.
Wettelijk kader
- art. 6:6 BW hoofdregel van deelbaarheid en de gevallen waarin schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn
Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. Is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden. Uit een overeenkomst van een schuldenaar met zijn schuldeiser kan voortvloeien dat, wanneer de schuld op twee of meer rechtsopvolgers overgaat, dezen voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zullen zijn.
- art. 6:7 BW externe werking: ieder aansprakelijk voor het geheel, nakoming door de één bevrijdt de anderen
Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt.
- art. 6:10 BW interne draagplicht en regres voor wie meer voldoet dan zijn aandeel
Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht overeenkomstig de volgende leden in de schuld en in de kosten bij te dragen. De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat. In door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten moet iedere medeschuldenaar bijdragen naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk betreffen.
- art. 6:12 BW subrogatie van de betalende schuldenaar in de rechten van de schuldeiser
Wordt de schuld ten laste van een hoofdelijke schuldenaar gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, dan gaan de rechten van de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en jegens derden krachtens subrogatie voor dit meerdere op die schuldenaar over, telkens tot ten hoogste het gedeelte dat de medeschuldenaar of de derde aangaat in zijn verhouding tot die schuldenaar. Door de subrogatie wordt de vordering, indien zij een andere prestatie dan geld betrof, omgezet in een geldvordering van gelijke waarde.
- art. 6:102 BW wettelijke hoofdelijkheid bij meerdere aansprakelijken voor dezelfde schade
Rust op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 10 in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 101 , tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, vindt artikel 101 toepassing op de vergoedingsplicht van ieder van de in het vorige lid bedoelde personen afzonderlijk, met dien verstande dat de benadeelde in totaal van hen niet meer kan vorderen dan hem zou zijn toegekomen, indien voor de omstandigheden waarop hun vergoedingsplichten berusten, slechts één persoon aansprakelijk zou zijn geweest. Indien verhaal op een der tot bijdragen verplichte personen niet ten volle mogelijk blijkt, kan de rechter op verlangen van een hunner bepalen dat bij toepassing van artikel 13 het onvoldaan gebleven deel mede over de benadeelde omgeslagen wordt.
- art. 6:166 BW groepsaansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen in groepsverband
Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. Zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert.
- art. 3:310 BW verjaring van de regresvordering: vijf jaar vanaf haar ontstaan
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden. Is de schade een gevolg van verontreiniging van lucht, water of bodem, van de verwezenlijking van een gevaar als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 dan wel van beweging van de bodem als bedoeld in artikel 177, eerste lid, onder b, van Boek 6 , dan verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade, in afwijking van het aan het slot van lid 1 bepaalde, in ieder geval door verloop van dertig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, met dien verstande dat deze termijn voor verjaring van de schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld aanvangt na de laatste daardoor veroorzaakte bodembeweging. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder gebeurtenis verstaan een plotseling optredend feit, een voortdurend feit of een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak. Bestaat de gebeurtenis uit een voortdurend feit, dan begint de termijn van dertig jaren bedoeld in lid 2 te lopen nadat dit feit is opgehouden te bestaan. Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan begint deze termijn te lopen na dit laatste feit. Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is, verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen. In afwijking van de leden 1 en 2 verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door letsel of overlijden slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Indien de benadeelde minderjarig was op de dag waarop de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden, verjaart de rechtsvordering slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde meerderjarig is geworden.
Wettelijk kader
Zijn twee of meer schuldenaren tot dezelfde prestatie verbonden, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn (art. 6:6 BW). Bij hoofdelijkheid heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming van het geheel, en bevrijdt nakoming door één schuldenaar ook zijn medeschuldenaren (art. 6:7 BW). Voor de schuldeiser is dat de kern van de figuur: hij kiest zijn debiteur, spreidt zijn incassorisico en hoeft zich niet te bekommeren om de onderlinge verhoudingen.
Hoofdelijkheid ontstaat langs twee wegen: partijen komen haar overeen, zoals standaard gebeurt bij concernfinanciering en bij meerdere huurders of kopers, of zij volgt uit de wet. De belangrijkste wettelijke bronnen zijn art. 6:102 BW, dat schuldenaren die voor dezelfde schade aansprakelijk zijn hoofdelijk verbindt, en art. 6:166 BW over onrechtmatig handelen in groepsverband.
Dezelfde prestatie: de grens bij het niet-doen
Hoofdelijkheid veronderstelt dat de schuldenaren tot dezelfde prestatie zijn verbonden, en dat begrip heeft een scherp randje. Verbinden twee schuldenaren zich beiden tot een niet-doen, dan is van hoofdelijkheid in de zin van art. 6:6 BW geen sprake: nakoming door de één bevrijdt de ander niet, want die blijft zelf tot het nalaten gehouden, en daarmee ontbreekt het kenmerk van art. 6:7 lid 2 BW (ECLI:NL:HR:2011:BQ0593). Wie een verbod of onthoudingsverplichting door meerdere partijen wil laten dragen, moet ieders gebondenheid dus afzonderlijk vaststellen en kan bij schending alleen degene aanspreken die zelf in strijd met de verplichting handelde.
Voor de contractenmaker betekent dit dat een hoofdelijkheidsclausule bij onthoudingsverplichtingen geen soelaas biedt; daar past eerder een boetebeding per overtreder of een garantstelling voor het gedrag van de ander.
Wettelijke hoofdelijkheid: dezelfde schade en groepsverband
Rust op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden (art. 6:102 BW). De schadeveroorzakers hoeven elkaar niet te kennen en hun aansprakelijkheden mogen op verschillende grondslagen rusten; beslissend is dat de benadeelde dezelfde schade op ieder van hen kan verhalen.
Groepsaansprakelijkheid gaat een stap verder: wie in groepsverband onrechtmatig schade toebrengt, is hoofdelijk aansprakelijk indien de kans op het toebrengen van schade hem had behoren te weerhouden van zijn gedragingen in groepsverband (art. 6:166 BW). Ook hier geldt een eigen ondergrens: deelname aan een criminele organisatie leidt niet automatisch tot civiele groepsaansprakelijkheid voor alles wat uit die organisatie voortkomt; vereist blijft dat de aangesprokene zelf verwijtbaar deelnam aan de gedragingen in groepsverband waaruit de schade voortvloeide (ECLI:NL:HR:2015:2914). De strafrechtelijke kwalificatie draagt het civiele oordeel dus niet vanzelf.
Regres en draagplicht: wie gaat de schuld aan
Intern gaat de schuld ieder van de hoofdelijke schuldenaren aan voor het gedeelte dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat. Wie de schuldeiser voor meer dan zijn aandeel voldoet, heeft voor het meerdere regres op zijn medeschuldenaren (art. 6:10 BW) en treedt daarnaast door subrogatie in de rechten van de schuldeiser (art. 6:12 BW). Blijkt een draagplichtige medeschuldenaar geen verhaal te bieden, dan wordt het onverhaalbare deel omgeslagen over de overigen naar evenredigheid van ieders aandeel.
Het zwaartepunt van de geschillen ligt bij concernfinanciering. Zijn er interne afspraken over draagplicht en regres, dan zijn die leidend, ongeacht wie het krediet feitelijk gebruikte. Ontbreken zij, dan beslist het profijtbeginsel: wie heeft de lening gebruikt, te wiens beschikking is zij gekomen, en welke vennootschappen hebben er, ook indirect, van geprofiteerd. De Hoge Raad heeft dat laatste uitdrukkelijk als relevante omstandigheid aanvaard: ook indirect profijt binnen het concern telt mee bij de vaststelling van de interne draagplicht (ECLI:NL:HR:2023:295). De feitenrechtspraak laat zien hoe bewijsgevoelig dit wordt wanneer kredieten binnen het concern worden doorgeleend en doorbetaald (ECLI:NL:RBDHA:2019:7282). Verstandige concerns leggen de draagplicht daarom bij het aangaan van het krediet vast; regresvorderingen die bij faillissement of ontvlechting opduiken, kunnen anders een gezonde vennootschap alsnog meetrekken.
Regres en subrogatie zijn geen doublures. Het regresrecht van art. 6:10 BW is een eigen vordering van de betalende schuldenaar, beperkt tot het meerdere boven zijn aandeel, terwijl de subrogatie van art. 6:12 BW hem de oorspronkelijke vordering van de schuldeiser bezorgt, met de daaraan verbonden nevenrechten zoals zekerheden. In de invordering loont het om beide grondslagen naast elkaar te stellen: waar het regres afstuit op een verweermiddel uit de interne verhouding, kan de gesubrogeerde vordering met haar zekerheden nog wel begaanbaar zijn, en omgekeerd.
Verjaring van het regres en hoofdelijke proceskosten
De regresvordering van de hoofdelijke schuldenaar is een zelfstandige vordering met een eigen verjaringsregime: zij verjaart op de voet van art. 3:310 lid 1 BW door verloop van vijf jaren, en die termijn kan pas gaan lopen wanneer de regresvordering is ontstaan, dus wanneer de schuldenaar meer heeft betaald dan zijn aandeel (ECLI:NL:HR:2012:BU3784). Wie als medeschuldenaar in termijnen betaalt, moet zijn regrespositie dus per betaling bewaken.
Een aparte loot aan de stam is de proceskostenveroordeling. Worden twee of meer partijen in de proceskosten veroordeeld, dan is het uitgangspunt dat zij hoofdelijk tot nakoming van die veroordeling zijn verbonden, ook wanneer geen hoofdelijke veroordeling is gevorderd; de rechter kan in de omstandigheden van het geval anders bepalen, bijvoorbeeld wanneer de veroordeelde partijen niet bij dezelfde advocaat verschenen en geen gelijkluidend verweer voerden (ECLI:NL:HR:2022:1942).
De faillissementspraktijk voegt daar een eigen dynamiek aan toe: wanneer de bank haar vordering verrekent met het creditsaldo van de ene concernvennootschap, ontstaat langs die weg feitelijk een betaling die de curator vervolgens via het regres bij de werkelijk draagplichtige zustervennootschap kan terughalen. De draagplichtdiscussie wordt dan gevoerd tussen curator en overlevende vennootschappen, met de boekhouding van de geldstromen als voornaamste bewijsmiddel.
Toepassing in de praktijk
Voor de eisende partij begint het bij het petitum: vorder de hoofdelijke veroordeling uitdrukkelijk, in de klassieke formule dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, en specificeer de grondslag: de overeenkomst, art. 6:102 BW of een andere wettelijke bepaling. Zonder gevorderde hoofdelijkheid wijst de rechter in beginsel individuele veroordelingen toe, met de proceskostenveroordeling als de bekende uitzondering.
Voor de aangesproken schuldenaar ligt de verdediging op twee borden: extern de eigen gebondenheid betwisten, intern de draagplicht klein houden. Wie betaalt, moet zijn regres direct organiseren: de medeschuldenaren aanschrijven, de verjaring bewaken en zich bewust zijn van de dubbele grondslag van regres en subrogatie, die elk hun eigen nevenrechten en verweren meebrengen. In concernverband is het advies steevast preventief: leg bij het aantrekken van gezamenlijke financiering de onderlinge draagplicht en eventuele regresafstand schriftelijk vast, want zonder afspraken beslist achteraf het bewijs over wie werkelijk van het krediet profiteerde.
Wie als schuldeiser hoofdelijkheid bedingt, moet ten slotte scherp zijn op de reikwijdte van het beding: benoem welke verplichtingen het dekt, ook toekomstige, en of het de rechtsopvolgers en gelieerde vennootschappen bindt. Bij wettelijke hoofdelijkheid wegens dezelfde schade is de aandachtspunt eerder processueel: het is aan de aangesproken schadeveroorzaker om de mede-aansprakelijken in vrijwaring op te roepen wanneer hij het interne verhaal binnen dezelfde procedure wil regelen.
Rechtspraaklijn
- 7 juli 2011 geen hoofdelijkheid bij niet-doen (ECLI:NL:HR:2011:BQ0593) Verbintenissen tot een niet-doen zijn geen hoofdelijke verbintenissen, omdat nakoming door de ene schuldenaar de andere niet bevrijdt.
- 6 april 2012, Hoge Raad verjaring regresvordering (ECLI:NL:HR:2012:BU3784) De regresvordering van een hoofdelijke schuldenaar verjaart vijf jaar na haar ontstaan, en de termijn kan niet aanvangen voordat de schuldenaar meer heeft betaald dan zijn aandeel.
- 2 oktober 2015 groepsaansprakelijkheid vergt eigen verwijt (ECLI:NL:HR:2015:2914) Deelname aan een criminele organisatie leidt niet automatisch tot hoofdelijke aansprakelijkheid op de voet van art. 6:166 BW; vereist is eigen verwijtbare deelname aan de schadeveroorzakende gedragingen in groepsverband. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2015:713
- 17 juli 2019 doorbetaald concernkrediet (ECLI:NL:RBDHA:2019:7282) Bij het ontbreken van draagplichtafspraken wordt de interne draagplicht vastgesteld aan de hand van het profijtbeginsel, waarbij de feitelijke geldstromen binnen het concern beslissend bewijs vormen.
- 23 december 2022 Converse (ECLI:NL:HR:2022:1942) Bij veroordeling van meerdere partijen in de proceskosten zijn zij van rechtswege hoofdelijk verbonden, ook zonder daartoe strekkende vordering; de rechter kan in de omstandigheden anders bepalen. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2022:181
- 24 februari 2023, Hoge Raad Jeroen Jakob Reiziger, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van De Buurtzuster B.V./Brogema Real Estate B.V. (ECLI:NL:HR:2023:295) Bij de vaststelling van de interne draagplicht tussen hoofdelijk verbonden concernvennootschappen is ook indirect profijt van het krediet een relevante omstandigheid. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2022:1237