Proceskosten
De in het ongelijk gestelde partij wordt in de proceskosten veroordeeld (art. 237 Rv), maar vrijwel altijd forfaitair volgens het liquidatietarief; volledige vergoeding is de uitzondering.
Het proceskostenrecht van art. 237 tot en met 245 Rv verdeelt de kosten van een procedure langs een eenvoudige hoofdregel: wie verliest, betaalt. De vergoeding is echter vrijwel nooit kostendekkend, omdat het salaris van de advocaat forfaitair wordt begroot volgens het liquidatietarief. Dat stelsel is in beginsel limitatief en exclusief; werkelijke kosten zijn alleen verhaalbaar als zelfstandige schadepost bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, en in zaken over intellectuele eigendom, waar art. 1019h Rv recht geeft op een redelijke en evenredige volledige vergoeding. De scherpe kanten zitten in de afbakening met de buitengerechtelijke kosten van art. 6:96 lid 2 BW, in de behandeling van proceskostenbedingen jegens consumenten en in wat wel en niet in het petitum moet worden gevorderd.
Wettelijk kader
- art. 237 Rv hoofdregel: de in het ongelijk gestelde partij wordt in de kosten veroordeeld; compensatie en nodeloos gemaakte kosten als correcties
De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. Bij een tussenvonnis kan de beslissing over de kosten tot het eindvonnis worden aangehouden. Het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld. De na de uitspraak ontstane kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten. De rechter kan bepalen dat het griffierecht tot betaling waarvan de partij, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt veroordeeld, niet hoger is dan het griffierecht dat van deze partij is geheven of, in het geval dat deze partij gedaagde is in een zaak bij de kantonrechter en van haar geen griffierecht is geheven, het griffierecht dat deze partij verschuldigd zou zijn geweest als zij eiser was geweest. De rechter kan hiertoe besluiten indien hij van oordeel is dat veroordeling tot betaling van het hogere griffierecht, gelet op de proceshouding van de in het gelijk gestelde partij, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten. De eiser die in het ongelijk wordt gesteld in een geding als bedoeld in de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie»), wordt veroordeeld in de volledige kosten die de wederpartij heeft gemaakt, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op zaken zonder grensoverschrijdende gevolgen als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, genoemd in het zesde lid.
- art. 238 Rv reis-, verblijf- en verletkosten van de partij die in persoon procedeert
In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder de kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld, opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld, ook opnemen een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten van de wederpartij. Procedeert de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt onder die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist. De datum van inwerkingtreding is ontleend aan de bron van aankondiging van de tekstplaatsing.
- art. 239 Rv in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging komen alleen salarissen en verschotten van de advocaat voor vergoeding in aanmerking
In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kunnen van de kosten van de wederpartij slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht.
- art. 241 Rv kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak vallen onder de proceskostenregeling, niet onder art. 6:96 lid 2 BW
Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing. Dit artikel is niet van toepassing ter zake van kosten als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
- art. 242 Rv ambtshalve matiging van bedongen proceskostenvergoedingen
De rechter kan bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 96, tweede lid, onder b en c, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ambtshalve matigen, doch niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten respectievelijk het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. Het eerste lid is niet van toepassing ter zake van kosten als bedoeld in artikel 96, vijfde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en geldt niet voor overeenkomsten die strekken tot regeling van een reeds gerezen geschil.
- art. 1019h Rv volledige, redelijke en evenredige proceskostenvergoeding in zaken over handhaving van intellectuele eigendom
Voor zover nodig in afwijking van de tweede paragraaf van de twaalfde afdeling van de tweede titel van het eerste Boek en in afwijking van artikel 194, eerste lid wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Artikel XIIa van Stb. 2024/62 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
- art. 21 Rv waarheidsplicht; schending kan tot een werkelijke-kostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht leiden
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De datum van inwerkingtreding is ontleend aan de bron van aankondiging van de tekstplaatsing.
- art. 6:96 lid 2 BW buitengerechtelijke kosten als vermogensschade, begrensd door art. 241 Rv
Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking: redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht; redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid; redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Lid 2 onder b en c is niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. In geval van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 119a lid 1 of artikel 119b lid 1 bestaat de vergoeding van kosten bedoeld in lid 2 onder c uit ten minste een bedrag van 40 euro. Dit bedrag is zonder aanmaning verschuldigd vanaf de dag volgende op de dag waarop de wettelijke of overeengekomen uiterste dag van betaling is verstreken. Hiervan kan niet ten nadele van de schuldeiser worden afgeweken. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de vergoeding van kosten als bedoeld in lid 2 onder c. Van deze regels kan niet ten nadele van de schuldenaar worden afgeweken indien de schuldenaar een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. In dit geval mist artikel 241, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toepassing . De vergoeding volgens de nadere regels kan indien de schuldenaar een natuurlijk persoon is, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, eerst verschuldigd worden nadat de schuldenaar na het intreden van het verzuim, bedoeld in artikel 81 , onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, waaronder de vergoeding die in overeenstemming met de nadere regels wordt gevorderd, vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na aanmaning. Indien een schuldenaar voor meer dan een vordering door een schuldeiser kan worden aangemaand als bedoeld in lid 6, dan dient dit in één aanmaning te geschieden. Voor de berekening van de vergoeding worden de hoofdsommen van deze vorderingen bij elkaar opgeteld. Zijn op grond van eenzelfde rechtsverhouding termijnbetalingen verschuldigd en wordt aangemaand als bedoeld in lid 6 voor een termijnbetaling waarvoor op grond van de in lid 5 bedoelde algemene maatregel van bestuur de laagste vergoeding geldt, dan wordt voor de berekening van de vergoeding vanaf de dag dat wordt aangemaand, rekening gehouden met een of meerdere aanmaningen voor termijnbetalingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven in een periode van zes maanden voorafgaand aan de dag van de aanmaning. De in de eerste zin genoemde algemene maatregel van bestuur bevat nadere regels voor de vergoeding. Hierin wordt, in afwijking van lid 7, tevens de vergoeding bepaald in het geval één aanmaning meerdere termijnbetalingen betreft. Van dit lid kan niet ten nadele van de in lid 5 bedoelde schuldenaar worden afgeweken.
Wettelijk kader
Art. 237 Rv bevat de hoofdregel: de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De rechter kan de kosten geheel of gedeeltelijk compenseren tussen naaste verwanten en wanneer partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, en kan nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten laten voor rekening van de partij die ze maakte. Na de uitspraak ontstane kosten (nakosten) worden op verzoek begroot bij bevelschrift.
Wat er onder de veroordeling valt, is beperkt. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen omvat de veroordeling noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten (art. 238 Rv); in zaken met verplichte procesvertegenwoordiging komen alleen de salarissen en verschotten van de advocaat in aanmerking (art. 239 Rv), begroot volgens het forfaitaire liquidatietarief, een puntenstelsel dat geen volledige vergoeding van de werkelijke kosten biedt. Art. 241 Rv bewaakt de grens met het schadevergoedingsrecht: kosten ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak vallen onder de proceskostenregeling en kunnen niet daarnaast als vermogensschade op de voet van art. 6:96 lid 2 BW worden verhaald.
De wettekst van art. 237 Rv kent inmiddels ook een verplichte volledige kostenveroordeling voor de eiser die in het ongelijk wordt gesteld in een procedure als bedoeld in Richtlijn (EU) 2024/1069 over kennelijk ongegronde vorderingen tegen publieke participatie, tenzij redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten.
De kostenveroordeling zelf kent nog twee dempers. De rechter kan het griffierecht waarin de verliezer wordt veroordeeld beperken tot het bedrag dat van die partij zelf is geheven, wanneer een hogere veroordeling gelet op de proceshouding van de winnaar tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden (art. 237 lid 5 Rv). En bedongen proceskostenvergoedingen kunnen ambtshalve worden gematigd (art. 242 Rv).
Het forfaitaire stelsel en zijn grenzen
Het liquidatietarief is niet dwingend voorgeschreven, maar de Hoge Raad houdt het stelsel in beginsel voor limitatief en exclusief: buiten bijzondere gevallen bestaat geen wettelijk of jurisprudentieel recht op integrale vergoeding van de eigen advocaatnota's, ook niet wanneer de wederpartij aansprakelijk is voor bijvoorbeeld een onrechtmatig gelegd beslag (ECLI:NL:HR:2015:1600). Wie via de band van art. 6:96 BW alsnog volledige vergoeding van proceskosten vordert, stuit op art. 241 Rv.
De erkende uitzondering is misbruik van procesrecht of anderszins onrechtmatig procederen. Dan kunnen de werkelijke proceskosten als zelfstandige schadepost worden gevorderd, onttrokken aan art. 237 tot en met 240 Rv. Schending van de waarheidsplicht van art. 21 Rv, zoals het opzettelijk verzwijgen van beslissende feiten, kan zo'n vordering dragen (ECLI:NL:HR:2017:2360). De feitenrechtspraak past dit ook toe binnen de procedure zelf: de eiser die vorderingen instelt die evident kansloos zijn, feiten in strijd met de waarheid presenteert en de procedure nodeloos veroorzaakt, kan in een aanzienlijk deel van de werkelijke kosten van de wederpartij worden veroordeeld (ECLI:NL:RBAMS:2026:2855).
De lat ligt hoog. Een technische fout zonder opzet rechtvaardigt geen afwijking van het liquidatietarief, en wie een toegekende forfaitaire proceskostenveroordeling niet met een rechtsmiddel bestrijdt, kan die kosten niet later alsnog integraal claimen (ECLI:NL:HR:2015:1600).
Het liquidatietarief zelf werkt met punten per proceshandeling maal een tarief dat oploopt met het financiële belang; een appelprocedure die met een schikking eindigt kan zo op enkele punten worden begroot, ver onder de werkelijke advocaatkosten. Wie meent dat de begroting van de proceskosten in de uitspraak niet klopt, moet dat met een rechtsmiddel aanvechten: het aanpassen van een (motivering van een) kostenbeslissing valt buiten het bereik van de verbetering van kennelijke fouten van art. 31 Rv, dat alleen voor evidente vergissingen is bedoeld.
Volledige vergoeding in IE-zaken (art. 1019h Rv)
In procedures over handhaving van intellectuele-eigendomsrechten geldt op grond van art. 1019h Rv, de implementatie van art. 14 Handhavingsrichtlijn, een afwijkend regime: de in het ongelijk gestelde partij wordt desgevorderd veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Het formele toepassingsgebied is ruim: ook zuiver processuele geschilpunten binnen een IE-zaak, zoals een ontvankelijkheidsincident over een te laat ingesteld appel, vallen eronder (ECLI:NL:HR:2018:721).
De redelijkheid en evenredigheid worden in de praktijk ingevuld met de Indicatietarieven in IE-zaken, die per zaakscategorie maxima geven. De Hoge Raad hanteert zijn eigen indicatietarieven ook in cassatie en maximeert een gespecificeerde declaratie zo nodig op het tarief voor een complexe zaak (ECLI:NL:HR:2026:668, waarin ruim 84.000 euro aan salaris werd teruggebracht tot het maximum van 54.000 euro). Bij verstek wordt naar rato toegewezen; een vergeten 1019h-begroting kan als kennelijke fout via art. 31 Rv worden hersteld wanneer de specificatie wel in de dagvaarding zat (ECLI:NL:RBDHA:2026:12265).
Wordt een IE-kort geding ingetrokken doordat de gedaagde hangende de zitting alsnog presteert, dan kan de eiser niettemin een proceskostenbeslissing verkrijgen door zijn eis te verminderen tot de kosten; de rechter beoordeelt dan wie als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. Is geen van beide partijen voornamelijk in het gelijk gesteld, bijvoorbeeld na een minnelijke regeling met een deel van de gedaagden, dan worden de kosten gecompenseerd (ECLI:NL:RBDHA:2026:19422).
De indicatietarieven werken naar beneden net zo hard als naar boven: een kort geding met een zeer beperkt en niet betwist feitencomplex geldt als eenvoudige zaak met een navenant lager maximum, waarbinnen een met factuur en urenspecificatie onderbouwde declaratie integraal toewijsbaar is (ECLI:NL:RBLIM:2026:6960).
Buitengerechtelijke kosten
Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte zijn vermogensschade (art. 6:96 lid 2 BW), maar verschieten van kleur zodra zij uitsluitend de voorbereiding van de procedure dienen: dan regeert art. 241 Rv en gaan zij op in de forfaitaire proceskostenveroordeling. Voor incassokosten jegens consumenten geldt het wettelijke stelsel van art. 6:96 lid 5 tot en met 7 BW, met de veertiendagenbrief als voorwaarde. Ontvangen deelbetalingen worden op de voet van art. 6:44 BW eerst toegerekend aan de kosten, dan aan de verschenen rente en pas daarna aan de hoofdsom (ECLI:NL:RBNHO:2025:6386).
In letselschadezaken geldt voor de kosten van de belangenbehartiger de dubbele redelijkheidstoets: zowel het inschakelen als de omvang moet redelijk zijn. Een erkenning van aansprakelijkheid is geen vrijbrief; wanneer het causale verband tussen klachten en ongeval gemotiveerd is betwist en onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt, hoeven verdere declaraties niet vergoed te worden (ECLI:NL:GHDHA:2020:1764). Bij herhaalde wisseling van belangenbehartiger mag kritisch worden gekeken naar telkens opnieuw gedeclareerde inleeskosten (ECLI:NL:GHARL:2023:3335). Wie als aansprakelijke partij pas in de procedure inhoudelijk verweer voert tegen de kosten, riskeert omgekeerd een volledige proceskostenveroordeling omdat de wederpartij wel moest gaan procederen (ECLI:NL:RBROT:2025:2512).
De consument is de wettelijke incassovergoeding pas verschuldigd nadat hij na het intreden van het verzuim vruchteloos is aangemaand met een termijn van veertien dagen na de aanmaning, onder vermelding van de gevolgen van uitblijvende betaling (art. 6:96 lid 6 BW). Bij handelsovereenkomsten geldt juist een minimum van 40 euro dat zonder aanmaning verschuldigd is zodra de uiterste betaaldag is verstreken (art. 6:96 lid 4 BW). Wie deze formaliteiten verwart, ziet de kostenpost sneuvelen terwijl de hoofdsom wel wordt toegewezen.
Consumenten en proceskostenbedingen
Bedingen die een consument bij tekortschieten verplichten alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten te dragen, komen veel voor in huurovereenkomsten en algemene voorwaarden. Zo'n proceskostenbeding wijkt ten nadele van de consument af van het wettelijke stelsel, waarin vrijwel steeds het liquidatietarief wordt toegepast en de rechter bedongen proceskosten ambtshalve kan matigen (art. 242 Rv). Het beding is daarom aangemerkt als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13 en moet buiten toepassing blijven; het mag niet worden gered door matiging achteraf, omdat de beoordeling plaatsvindt naar het moment van contractssluiting (ECLI:NL:HR:2025:820, na conclusie ECLI:NL:PHR:2025:96).
De vervolgvraag, of de rechter ten laste van de consument dan nog wel een gewone proceskostenveroordeling op de voet van art. 237 Rv kan uitspreken, raakt aan de Unierechtelijke regel dat een oneerlijk beding niet door aanvullend recht mag worden vervangen; daarover zijn prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie gesteld en de kwestie is nog niet uitgekristalliseerd. Voor de praktijk betekent dit dat een eisende professionele partij haar kostenvordering op de wet en niet op het beding moet baseren.
Toepassing in de praktijk
Proceskosten worden niet ambtshalve toegewezen: vorder ze expliciet in het petitum, met de nakosten en met wettelijke rente over proces- en nakosten vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak, zodat het verzuim zonder aanmaning intreedt. Bij meerdere gedaagden zijn veroordeelde partijen van rechtswege hoofdelijk verbonden voor de proceskosten, ook zonder daartoe strekkende vordering (ECLI:NL:HR:2022:1942), maar een expliciet gevorderde hoofdelijke veroordeling voorkomt discussie in de executiefase.
De proceskostenveroordeling deelt het lot van het vonnis. Wordt de uitspraak in hoger beroep of cassatie vernietigd, dan ontstaat voor de op grond daarvan betaalde proceskosten een vordering uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) en begroot het verwijzingshof de kosten van het hoger beroep opnieuw, voor alle proceshandelingen (ECLI:NL:HR:2018:728). Wie een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde kostenveroordeling incasseert, draagt dus het terugbetalingsrisico.
Ten slotte de eigen proceshouding: het proceskostenrecht beloont scherpte en bestraft onzorgvuldigheid. Een niet gespecificeerde kostenopgave kost in IE-zaken de volledige vergoeding, een vergeten nakostenvordering laat geld liggen, en een dagvaarding die de feiten onvolledig of onjuist presenteert kan via art. 21 Rv uitmonden in een veroordeling in de werkelijke kosten van de wederpartij.
Rechtspraaklijn
- 12 juni 2015 grenzen van het liquidatietarief (ECLI:NL:HR:2015:1600) Het forfaitaire proceskostenstelsel is in beginsel limitatief en exclusief; integrale vergoeding van proceskosten is alleen mogelijk als zelfstandige schadepost bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2015:230
- 15 september 2017 werkelijke kosten bij schending waarheidsplicht (ECLI:NL:HR:2017:2360) Bij misbruik van procesrecht, zoals schending van de waarheidsplicht van art. 21 Rv, kunnen de werkelijke proceskosten als schadevergoeding worden gevorderd, onttrokken aan art. 237 tot en met 240 Rv. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2017:229
- 18 mei 2018 Becton/B. Braun (ECLI:NL:HR:2018:721) De volledige proceskostenvergoeding van art. 1019h Rv omvat ook zuiver processuele geschilpunten in een IE-zaak, zoals een ontvankelijkheidsincident. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2018:163
- 18 mei 2018 proceskosten na vernietiging (ECLI:NL:HR:2018:728) Na vernietiging in cassatie bestaat voor de betaalde proceskosten een vordering uit onverschuldigde betaling en begroot het verwijzingshof de kosten van het hoger beroep opnieuw voor alle proceshandelingen.
- 6 oktober 2020 erkenning is geen vrijbrief (ECLI:NL:GHDHA:2020:1764) Erkenning van aansprakelijkheid verplicht niet zonder meer tot doorlopende vergoeding van buitengerechtelijke kosten; de dubbele redelijkheidstoets blijft gelden als het causale verband gemotiveerd is betwist.
- 23 december 2022 hoofdelijkheid proceskostenveroordeling (ECLI:NL:HR:2022:1942) Bij veroordeling van meerdere partijen in de proceskosten zijn zij van rechtswege hoofdelijk verbonden, ook zonder daartoe strekkende vordering.
- 18 april 2023 wisseling van belangenbehartigers (ECLI:NL:GHARL:2023:3335) Hoe vaker een benadeelde van belangenbehartiger wisselt, hoe kritischer mag worden beoordeeld of telkens opnieuw gedeclareerde inleeskosten de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.
- 23 mei 2025, Hoge Raad Stichting Woonstichting Lieven de Key/De huurder (ECLI:NL:HR:2025:820) Een beding dat de tekortschietende consument tot betaling van alle gerechtelijke kosten verplicht, is een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13 en blijft buiten toepassing. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:96
- 20 maart 2026, Rechtbank Amsterdam misbruik van procesrecht (ECLI:NL:RBAMS:2026:2855) De eiser die evident kansloze vorderingen instelt en de waarheidsplicht schendt, kan wegens misbruik van procesrecht in een aanzienlijk deel van de werkelijke proceskosten van de wederpartij worden veroordeeld.
- 17 april 2026, Hoge Raad Payingit/Workrate (ECLI:NL:HR:2026:668) In IE-cassatiezaken toetst de Hoge Raad gevorderde 1019h-kosten aan zijn Indicatietarieven en maximeert hij een hogere declaratie op het tarief voor een complexe zaak als redelijk en evenredig. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2026:186
- 26 mei 2026, Rechtbank Den Haag herstel proceskostenbegroting (ECLI:NL:RBDHA:2026:12265) Een ten onrechte volgens het liquidatietarief begrote 1019h-kostenveroordeling kan als kennelijke fout op de voet van art. 31 Rv worden verbeterd wanneer de specificatie in de dagvaarding stond.