Dagvaardingsvereisten
De dagvaarding moet de eisen van art. 45 en 111 Rv naleven, maar gebreken leiden alleen tot nietigheid wanneer de gedaagde daardoor onredelijk in zijn verdedigingsbelang is geschaad; veel fouten zijn herstelbaar.
Het dagvaardingsexploot is het startdocument van de civiele procedure en moet de vermeldingen van art. 45 Rv en art. 111 Rv bevatten: partijgegevens, de eis en de gronden, roldatum, griffierechtaanzeggingen en, op grond van de substantiërings- en bewijsaandraagplicht van art. 111 lid 3 Rv, de bekende verweren van de gedaagde en de beschikbare bewijsmiddelen. De sanctie is gedeformaliseerd: nietigheid volgt alleen wanneer de gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld in een verdedigingsbelang (art. 66, 120 en 122 Rv), en de meeste gebreken kunnen bij herstelexploot worden weggenomen. De rechtspraak toont een mild regime voor vergissingen in partijaanduiding en adressering, maar blijft streng waar de rechtszekerheid van beroepstermijnen in het geding is: cassatiemiddelen die in de dagvaarding ontbreken, zijn buiten de termijn niet meer aan te vullen.
Wettelijk kader
- art. 45 Rv minimuminhoud van ieder exploot: datum, partijen, deurwaarder en degene aan wie afschrift is gelaten
Exploten worden door een daartoe bevoegde deurwaarder gedaan op de wijze in deze afdeling bepaald. Een daartoe bevoegde deurwaarder kan, indien de wet dit bepaalt, ook elektronisch exploot doen. Het exploot vermeldt ten minste: de datum van de betekening; de naam, en in het geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt; de voornamen, de naam en het kantooradres van de deurwaarder; de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd; degene aan wie afschrift van het exploot is gelaten, onder vermelding van diens hoedanigheid of, indien het exploot elektronisch is gedaan als bedoeld in het tweede lid, het elektronisch adres waaraan afschrift van het exploot is gelaten. Indien het exploot een vordering tot ontruiming betreft van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, van wie naam en woonplaats in redelijkheid niet kunnen worden achterhaald, behoeft het deze naam en deze woonplaats niet te vermelden, noch de persoon aan wie afschrift van het exploot is gelaten. Het exploot en de afschriften daarvan worden door de deurwaarder ondertekend.
- art. 111 Rv inhoud van de dagvaarding: eis en gronden, roldatum, aanzeggingen, substantiërings- en bewijsaandraagplicht (lid 3)
Dagvaarding geschiedt bij exploot. Naast de gegevens bedoeld in artikel 45, derde lid , vermeldt het exploot van dagvaarding: de door eiser gekozen woonplaats in Nederland; in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, indien de eiser bij gemachtigde procedeert, de naam en het adres van de gemachtigde; in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, de naam en het kantooradres van de advocaat die door de eiser wordt gesteld; de eis en de gronden daarvan; de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennisneemt, onder vermelding van het adres van de zittingsplaats waar de zaak moet worden behandeld alsmede, indien de zaak moet worden behandeld in een zittingsplaats waar geen stukken kunnen worden ingediend, het adres waar stukken kunnen worden ingediend; de roldatum waartegen wordt gedagvaard en, indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt, het uur daarvan; in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de gedaagde in het geding moet verschijnen, te weten in persoon of vertegenwoordigd door een gemachtigde en de wijze waarop de gedaagde kan antwoorden, zoals bepaald in artikel 82, eerste en tweede lid ; in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen: de wijze waarop de gedaagde in het geding moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door een advocaat; de in artikel 139 genoemde rechtsgevolgen die intreden indien de gedaagde niet op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnt of, behalve in kantonzaken of zaken in kort geding, het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet; indien er meer gedaagden zijn, het in artikel 140, derde lid , genoemde rechtsgevolg dat intreedt indien niet alle gedaagden op de voorgeschreven wijze in het geding verschijnen; de mededeling of van gedaagde bij verschijning in de procedure griffierecht zal worden geheven en binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden met verwijzing naar een vindplaats van de meest recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken waarin de hoogte van de griffierechten staan vermeld. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven, heeft overgelegd: een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand , of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand , dan wel een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet ; indien het exploot van dagvaarding een zaak betreft waarbij meerdere gedaagden zijn betrokken, de mededeling dat van partijen die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen of gelijkluidend verweer voeren, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven; de in artikel 21 genoemde verplichting en de in artikel 149 genoemde rechtsgevolgen die intreden indien de in de dagvaarding gestelde feiten en rechten door de gedaagde niet of onvoldoende worden betwist. Het exploot van dagvaarding vermeldt de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor. Verder vermeldt het exploot de bewijsmiddelen waarover eiser kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis. Artikel XIIa van Stb. 2024/62 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
- art. 115 Rv verlengde dagvaardingstermijnen bij gedaagden met woonplaats of verblijf buiten Nederland
Indien de gedaagde een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland heeft in een Staat waar de in artikel 56, eerste lid , bedoelde verordening van toepassing is, of in een Staat die in Europa is gelegen en die partij is bij het op 15 november 1965 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken (Trb. 1966, 91), is de termijn van dagvaarding ten minste vier weken. Indien de gedaagde noch in Nederland, noch in een Staat als bedoeld in het eerste lid, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, is de termijn van dagvaarding ten minste drie maanden. Indien de gedaagde in Nederland geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft, is de termijn van dagvaarding in afwijking van het eerste en tweede lid ten minste een week, indien het exploot in Nederland wordt gedaan aan de gedaagde in persoon, dan wel aan een door de gedaagde voor deze zaak gekozen woonplaats. Door technische eenmaking van het Wetboek is eenmalig de content van dit element opnieuw vastgesteld.
- art. 120 Rv nietigheidssanctie op de dagvaardingsvoorschriften en herstel bij exploot; lid 4 zondert de substantiëringsplicht uit
Al hetgeen in deze afdeling is voorgeschreven, wordt op straffe van nietigheid in acht genomen. Een gebrek in een exploot van dagvaarding dat nietigheid meebrengt, kan bij exploot, uitgebracht voor de roldatum, worden hersteld. Bij het uitbrengen van dat exploot moet de voor dagvaarding voorgeschreven termijn in acht worden genomen. Indien inachtneming van de termijn van dagvaarding meebrengt dat de roldatum niet kan worden gehandhaafd, moet een andere roldatum worden aangezegd, met vermelding van het uur indien alsdan een terechtzitting plaatsvindt. Het eerste lid is niet van toepassing op hetgeen is voorgeschreven in artikel 111, derde lid . Wordt niet voldaan aan hetgeen is voorgeschreven in artikel 111, derde lid, dan kan de rechter daaraan de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. Artikel XIIa van Stb. 2024/62 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
- art. 66 Rv nietigheid van exploten alleen bij onredelijke benadeling; herstelbaarheid van gebreken
De niet-naleving van hetgeen in deze afdeling is voorgeschreven, brengt slechts nietigheid mee voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld. Een gebrek in een exploot dat nietigheid meebrengt, kan, tenzij uit de wet anders voortvloeit, bij exploot worden hersteld. De datum van inwerkingtreding is ontleend aan de bron van aankondiging van de tekstplaatsing.
- art. 122 Rv verwerping van het nietigheidsberoep van de verschenen gedaagde die niet onredelijk is geschaad
Verschijnt de gedaagde in het geding, of komt hij, na bij verstek te zijn veroordeeld, in verzet, en beroept hij zich op de nietigheid van het exploot van dagvaarding, dan verwerpt de rechter dat beroep indien naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad. De rechter kan echter in dit geval, zo daartoe gronden zijn, het herstel van het gebrek op kosten van de eiser bevelen. Door technische eenmaking van het Wetboek is eenmalig de content van dit element opnieuw vastgesteld.
- art. 125 Rv aanhangigheid vanaf de dagvaarding en verval daarvan bij niet-tijdige indiening, behoudens herstelexploot (lid 5)
Het geding is aanhangig vanaf de dag van dagvaarding. Het exploot van dagvaarding wordt door de eiser ter griffie ingediend uiterlijk op de laatste dag waarop de griffie is geopend, voorafgaande aan de in de dagvaarding vermelde roldatum. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen de eiser een exploot van dagvaarding elektronisch kan indienen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop een exploot van dagvaarding elektronisch kan worden ingediend, alsmede over de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het elektronisch indienen van het exploot van dagvaarding. Een door de griffie gewaarmerkt afschrift van het elektronisch ingediende exploot van dagvaarding, geldt in de procedure als het in het tweede lid bedoelde exploot van dagvaarding. De griffier schrijft de zaak in op de rol van een enkelvoudige kamer. De aanhangigheid van het geding vervalt indien het exploot van dagvaarding niet uiterlijk op het in het tweede lid vermelde tijdstip ter griffie is ingediend, tenzij binnen twee weken na de in de dagvaarding vermelde roldatum een geldig herstelexploot is uitgebracht. Door technische eenmaking van het Wetboek is eenmalig de content van dit element opnieuw vastgesteld.
- art. 24 Rv de rechter beslist op de grondslag die partijen aan vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd
De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. De rechter kan binnen de grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve met partijen de grondslag van hun vordering, verzoek of verweer bespreken. Artikel XIIa van Stb. 2024/62 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Wettelijk kader
Dagvaarding geschiedt bij exploot van een deurwaarder. Ieder exploot vermeldt ten minste de datum van betekening, de opdrachtgever, de deurwaarder, degene voor wie het bestemd is en degene aan wie afschrift is gelaten (art. 45 Rv). De dagvaarding voegt daar de processuele kern aan toe (art. 111 Rv): de gekozen woonplaats, de gestelde advocaat of gemachtigde, de eis en de gronden daarvan, de aangewezen rechter en de roldatum, de aanzeggingen over verstek en griffierecht, en op grond van lid 3 de substantiëringsplicht en de bewijsaandraagplicht: de eiser vermeldt de hem bekende verweren van de gedaagde met de gronden daarvoor, en de bewijsmiddelen en getuigen waarover hij ter staving van de betwiste gronden kan beschikken.
De dagvaardingstermijn is afhankelijk van de woonplaats van de gedaagde; bij een bekende woonplaats in een verdragsstaat buiten Nederland geldt ten minste vier weken en zonder bekende woonplaats of verblijf ten minste drie maanden (art. 115 Rv). Het geding is aanhangig vanaf de dag van dagvaarding, maar die aanhangigheid vervalt wanneer het exploot niet uiterlijk de laatste dag voor de roldatum ter griffie is ingediend, tenzij binnen twee weken een geldig herstelexploot is uitgebracht (art. 125 Rv).
In hoger beroep en cassatie gelden de dagvaardingsvereisten in aangepaste vorm. De appeldagvaarding volgt dezelfde vorm en vereisten als in eerste aanleg, zonder dat zij de middelen hoeft uit te drukken waarop het beroep is gegrond, en met eigen griffierechtaanzeggingen (art. 343 Rv). In cassatie moet de procesinleiding daarentegen wel de omschrijving bevatten van de middelen waarop het beroep steunt; de substantiëringsplicht van art. 111 lid 3 Rv geldt in die instanties niet.
Nietigheid alleen bij onredelijke benadeling
De voorschriften van de dagvaardingsafdeling gelden op straffe van nietigheid (art. 120 Rv), maar het regime is grondig gedeformaliseerd. Niet-naleving van de explootvoorschriften brengt slechts nietigheid mee voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld (art. 66 Rv), en verschijnt de gedaagde, dan verwerpt de rechter het nietigheidsberoep wanneer het gebrek hem niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad (art. 122 Rv). De Hoge Raad heeft daaraan toegevoegd dat de onredelijke benadeling moet zien op een verdedigingsbelang van de wederpartij: het ontbreken van het woonadres van de verweerder, die haar gegevens met een geheimhoudingsindicatie had afgeschermd, leidt niet tot nietigheid zolang over de identiteit van de in het exploot genoemde personen geen misverstand kan bestaan (ECLI:NL:HR:2020:2101).
In dezelfde lijn is de vermelding van een niet-toepasselijke sanctie naast de wel toepasselijke geen nietigheidsgebrek: de cassatiedagvaarding die bij niet-betaling van griffierecht ten onrechte verstek aanzegde, bleef overeind omdat de ratio van de aanzegging, het informeren van de verweerder over de werkelijke sanctie, niet was geschonden (ECLI:NL:HR:2012:BX9298). Zelfs de onmogelijkheid om tijdens de coronapandemie in persoon te betekenen deed het stelsel niet wankelen: de deurwaarder mocht volstaan met achterlating van het exploot in gesloten envelop onder vermelding van het besmettingsgevaar als feitelijke onmogelijkheid (ECLI:NL:HR:2020:1088).
Het gewicht van het verdedigingsbelang werkt twee kanten op. Tegenover de gedaagde die zich op nietigheid beroept, staat het belang dat het geschil ondanks een gebrekkig exploot inhoudelijk kan worden beoordeeld wanneer hij alsnog verschijnt en door het gebrek voor het overige niet onredelijk is geschaad; in dat geval kan de rechter bovendien het herstel van het gebrek op kosten van de eiser bevelen (art. 122 Rv).
Vergissingen in partijaanduiding en adressering
De deformaliseringslijn geldt ook voor fouten rond de partijen. Sinds het arrest over de wijziging van de partijaanduiding kan een verschenen partij verzoeken haar aanduiding te corrigeren wanneer een vergissing is begaan of een partijwisseling heeft plaatsgevonden (ECLI:NL:HR:2013:1881). Wordt de verkeerde vennootschap uit een concern gedagvaard, dan kan de aanduiding als kennelijke vergissing worden uitgelegd wanneer voor de werkelijk bedoelde partij van meet af aan duidelijk moet zijn geweest dat het beroep tegen haar was gericht, bijvoorbeeld omdat alleen haar vordering was toegewezen en het exploot aan de gezamenlijke bestuurder en advocaat was betekend (ECLI:NL:HR:2015:1844).
De Hoge Raad rekt de herstelmogelijkheid verder op dan de kenbaarheid binnen de beroepstermijn. Dat de juiste wederpartij door een fout in het appelexploot pas na het verstrijken van de appeltermijn van het hoger beroep hoorde, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat zij onevenredig in haar belangen is geschaad; er moet een ander geschaad belang worden gesteld dan de late kennisname zelf (ECLI:NL:HR:2020:2009). Ook de enkele te late ontvangst van een appeldagvaarding levert niet zonder meer een onredelijke benadeling op (ECLI:NL:HR:2023:1073).
De grenzen van herstel
Deformalisering kent harde grenzen waar de rechtszekerheid van beroepstermijnen speelt. Ontbreekt in de betekende cassatiedagvaarding een pagina en daarmee een deel van het middel, dan kan dat buiten de cassatietermijn niet bij herstelexploot worden gerepareerd: het middelvereiste van art. 407 lid 2 Rv is geen nietigheidsgebrek maar een materieel vereiste, en het ontbreken ervan leidt tot niet-ontvankelijkheid waarvoor art. 120 Rv geen herstel biedt (ECLI:NL:HR:2012:BV9604).
Ook de herstelfiguur van art. 125 lid 5 Rv heeft een strikt bereik. Die bepaling ziet op het verzuim om het exploot tijdig ter griffie in te dienen. Is de appeldagvaarding tijdig en correct ingediend maar daarna door de appellant zelf ingetrokken, dan is een later exploot geen herstelexploot maar een nieuwe, tardieve appeldagvaarding, met niet-ontvankelijkheid als gevolg (ECLI:NL:HR:2025:318). Wie een lopende zaak intrekt, geeft de aanhangigheid dus prijs zonder terugkeermogelijkheid.
Substantiërings- en bewijsaandraagplicht
De substantiëringsplicht van art. 111 lid 3 Rv is een informatieverplichting, geen extra grondslag. De eiser geeft weer welke verweren de gedaagde voorafgaand aan de procedure heeft gevoerd; hij maakt die stellingen daarmee niet tot de zijne. Dat onderscheid is beslissend geworden in het arrest waarin de aanneemster ongerechtvaardigde verrijking alleen in het kader van de substantiëringsplicht had genoemd: het hof dat de vordering vervolgens op die grondslag toewees, trad buiten de grenzen van de rechtsstrijd van art. 24 Rv (ECLI:NL:HR:2015:3195). Een grondslag die de eiser niet zelf aan zijn eis ten grondslag legt, mag de rechter niet voor hem oprapen.
Op schending van de substantiërings- en bewijsaandraagplicht staat geen nietigheid; de rechter verbindt daaraan de gevolgtrekking die hij geraden acht (art. 120 lid 4 Rv). Dat is geen dode letter. In een inbreukzaak waarin de dagvaarding de uitgebreid onderbouwde verweren uit de sommatiecorrespondentie onvermeld liet, iedere feitelijke onderbouwing van de gestelde auteursrechtelijke kenmerken ontbrak en pas weken later dertig bijlagen zonder toelichting werden ingediend, wees de voorzieningenrechter de vorderingen af en veroordeelde hij de eiser in de volledige proceskosten (ECLI:NL:RBDHA:2025:12705).
Toepassing in de praktijk
Voor de opsteller van een dagvaarding is de checklist dwingend: volledige partij-identificatie, de eis met per vordering een concrete grondslag, de juiste roldatum en rechter, de griffierechtaanzeggingen die bij de instantie passen, en een termijnberekening die rekening houdt met buitenlandse of onbekende woonplaatsen. De substantiëringsplicht vraagt om een neutrale weergave van de bekende verweren, herkenbaar gescheiden van de eigen stellingen, zodat de rechter een weergegeven verweer niet als eigen grondslag leest; de bewijsaandraagplicht om een opsomming van de beschikbare stukken en getuigen bij de betwiste stellingen.
Voor de ontvanger van een gebrekkig exploot is de realistische inschatting dat een beroep op nietigheid zelden slaagt: de verschenen gedaagde moet een concreet geschaad verdedigingsbelang aanwijzen, en louter formele fouten worden hersteld of gepasseerd. De strategische aandacht hoort daarom uit te gaan naar de plaatsen waar het regime wel streng is: beroepstermijnen, het middelvereiste in cassatie en de indiening ter griffie. Daar is een fout niet met een herstelexploot te repareren, en beslist de kalender in plaats van de redelijkheid.
Wie zelf een fout in het uitgebrachte exploot ontdekt, handelt onmiddellijk: een gebrek dat nietigheid meebrengt, kan bij exploot worden hersteld, mits vóór de roldatum en met inachtneming van de dagvaardingstermijn (art. 120 Rv), en bij niet-tijdige indiening ter griffie redt alleen een herstelexploot binnen twee weken na de aangezegde roldatum de aanhangigheid (art. 125 Rv). Het onderscheid tussen wat herstelbaar is en wat niet, tussen vormfout en termijnverzuim, is daarmee de eerste vraag bij iedere ontdekte fout.
Rechtspraaklijn
- 25 mei 2012 ontbrekende pagina cassatiedagvaarding (ECLI:NL:HR:2012:BV9604) Het ontbreken van een deel van het cassatiemiddel in de betekende dagvaarding is een materieel gebrek dat buiten de cassatietermijn niet bij herstelexploot kan worden hersteld en tot niet-ontvankelijkheid leidt.
- 4 oktober 2012 verkeerde griffierechtsanctie (ECLI:NL:HR:2012:BX9298) De vermelding van niet-toepasselijke sancties op niet-tijdige betaling van griffierecht naast de wel toepasselijke sanctie is geen gebrek dat tot nietigheid van de cassatiedagvaarding of weigering van verstek leidt.
- 13 december 2013, Hoge Raad Montis/Goossens (ECLI:NL:HR:2013:1881) Een verschenen partij kan wijziging verzoeken van haar aanduiding in de procedure op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding of een partijwisseling heeft plaatsgevonden.
- 10 juli 2015 Seacon (ECLI:NL:HR:2015:1844) De aanduiding van de verkeerde vennootschap in de cassatiedagvaarding kan als kennelijke vergissing worden uitgelegd wanneer de werkelijk bedoelde partij van meet af aan behoorde te begrijpen dat het beroep tegen haar was ingesteld.
- 30 oktober 2015, Hoge Raad substantiëringsplicht geen grondslag (ECLI:NL:HR:2015:3195) Een grondslag die de eiser uitsluitend in het kader van de substantiëringsplicht heeft genoemd, mag de rechter niet aan toewijzing van de vordering ten grondslag leggen; anders treedt hij buiten de grenzen van de rechtsstrijd. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2015:1671
- 19 juni 2020, Hoge Raad corona-betekening (ECLI:NL:HR:2020:1088) Betekening door achterlating van het exploot in gesloten envelop met vermelding van het besmettingsgevaar met COVID-19 als feitelijke onmogelijkheid in de zin van art. 47 Rv is rechtsgeldig. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2020:442
- 11 december 2020 Call2Collect/Afterpay (ECLI:NL:HR:2020:2009) Dat de wederpartij door een fout in het appelexploot pas na het verstrijken van de appeltermijn van het hoger beroep hoorde, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat zij onevenredig in haar belangen is geschaad. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2020:564
- 18 december 2020 geheim woonadres (ECLI:NL:HR:2020:2101) Nietigheid van een exploot vereist onredelijke benadeling in een verdedigingsbelang; het ontbreken van de woonplaats leidt niet tot nietigheid zolang over de identiteit van de genoemde personen geen misverstand kan bestaan. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2020:1100
- 7 juli 2023, Hoge Raad te late ontvangst appeldagvaarding (ECLI:NL:HR:2023:1073) De enkele te late kennisname van de dagvaarding levert niet zonder meer een onredelijke benadeling van de gedaagde op. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2023:484
- 21 februari 2025, Hoge Raad de huurder/Woningstichting De Goede Woning (ECLI:NL:HR:2025:318) Art. 125 lid 5 Rv ziet niet op het geval waarin de appeldagvaarding tijdig ter griffie is ingediend maar daarna is ingetrokken; een later exploot is dan een nieuwe, tardieve dagvaarding. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2024:1234
- 26 juni 2025 geschonden substantiëringsplicht (ECLI:NL:RBDHA:2025:12705) Schending van de substantiërings- en bewijsaandraagplicht kan er via art. 120 lid 4 Rv toe leiden dat de rechter de onvoldoende onderbouwde vorderingen afwijst en de eiser in de volledige proceskosten veroordeelt.