Bij onderlinge draagplicht hoofdelijke schuldenaren telt direct en indirect profijt van lening of krediet mee.

Hoge Raad · 24 februari 2023 · Prejudiciële beslissing · Civiel recht

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Onderlinge bijdrageplicht (draagplicht) van hoofdelijke schuldenaren (art. 6:10 BW) in concernverhouding.

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag is hoe de onderlinge bijdrageplicht (draagplicht) van hoofdelijke schuldenaren binnen een concernverhouding moet worden bepaald, met name of en hoe factoren zoals direct of indirect profijt van een lening door een zustermaatschappij hierbij van belang zijn.

Regel

  • art. 6:10 BW (onderlinge bijdrageplicht van hoofdelijke schuldenaren)
  • Arrest Janssen q.q./JVS Beheer (bepaling van onderlinge draagplicht binnen een concern)
  • Parl. Gesch. Boek 6, p. 108 (toelichting draagplicht hoofdelijke schuldenaren)
  • Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1208 (toerekening van leningen binnen concernverhoudingen)

Toepassing

  • art. 6:10 BW (onderlinge bijdrageplicht van hoofdelijke schuldenaren) De Hoge Raad benadrukt dat de onderlinge draagplicht van hoofdelijke schuldenaren wordt bepaald door wat de schuld hen aangaat in hun onderlinge verhouding. Dit hangt af van afspraken of de interne rechtsverhouding tussen schuldenaren en kan beïnvloed worden door de mate waarin de schuld ten goede komt aan ieder van hen. Dit moet geval per geval worden beoordeeld.
  • Arrest Janssen q.q./JVS Beheer (bepaling van onderlinge draagplicht binnen een concern) De Hoge Raad verwijst naar eerder jurisprudentie waarin werd bepaald dat bij gebrek aan afspraken, de vraag wie de schuld aangaat, wordt beantwoord door te kijken naar wie de lening heeft gebruikt of te wier beschikking deze is gekomen, evenals overige relevante omstandigheden.
  • Parl. Gesch. Boek 6, p. 108 (toelichting draagplicht hoofdelijke schuldenaren) Er kunnen geen algemene regels worden gegeven voor het bepalen van de draagplicht; de omstandigheden van het geval zijn leidend, inclusief eventuele afspraken en in hoeverre de schuld ten goede komt aan de schuldenaren.
  • Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1208 (toerekening van leningen binnen concernverhoudingen) Bij gebreke van specifieke afspraken, wordt aangenomen dat de schuld aangaat degene die het krediet heeft gebruikt of te wier beschikking het is gekomen. Indirect profijt kan ook een rol spelen bij het bepalen van de draagplicht.

Conclusie

De Hoge Raad concludeert dat bij de bepaling van de onderlinge draagplicht van hoofdelijke schuldenaren binnen een concernverhouding, betekenis kan toekomen aan het feit dat een zustermaatschappij direct of indirect profijt heeft gehad van de lening. De rechter moet hierbij letten op alle relevante omstandigheden van het geval. De prejudiciële vragen zijn beantwoord in die zin dat indirect profijt een rol kan spelen en dat andere specifieke feiten en omstandigheden door de feitenrechter moeten worden gewogen.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Jeroen Jakob Reiziger, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van De Buurtzuster B.V.
  • Gedaagde: Brogema Real Estate B.V.

De curator eist dat BRE wordt veroordeeld tot betaling van € 197.531,50, stellende dat De Buurtzuster meer heeft afgelost aan Rabobank dan haar aandeel in de schuld tegenover BRE, conform art. 6:10 lid 2 BW.

BRE verweert zich door te betogen dat de schuldverdeling tussen de vennootschappen onduidelijk is en dat er verschillende interpretaties mogelijk zijn over welk deel van de schuld aan welke vennootschap toekomt.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 2012 De Buurtzuster B.V. wordt opgericht met als doel het verlenen van zorg aan ouderen, aanvankelijk alleen thuiszorg vanuit de vestiging Roden.
  2. 2016 BROGEMA REAL ESTATE B.V. (BRE) wordt opgericht om zorg op locatie mogelijk te maken en koopt onroerend goed in [plaats 1] met een lening van Rabobank. De Buurtzuster B.V. verbindt zich hoofdelijk voor de terugbetaling.
  3. 2018 De Buurtzuster B.V. wordt failliet verklaard en Jeroen Jakob Reiziger wordt benoemd tot curator.
  4. 2018 BRE koopt een pand in Gieten met een lening van Rabobank. De Buurtzuster B.V. verbindt zich hoofdelijk voor de terugbetaling.
  5. 2018 De curator en Rabobank starten met het te gelde maken van activa van De Buurtzuster B.V., waarbij Rabobank € 345.679,30 ontvangt. Het overschot wordt gebruikt voor aflossing van de schuld van BRE.
  6. 2020 BRE verkoopt het pand in Gieten voor € 950.000,-- en een deel van de opbrengst wordt gebruikt voor aflossing van de schuld aan Rabobank.
  7. 15-12-2021 De rechtbank Noord-Nederland doet een eerste tussenvonnis in de zaak C/19/131556 / HA ZA 20-112.
  8. 15-06-2022 De rechtbank Noord-Nederland stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de onderlinge bijdrageplicht van hoofdelijke schuldenaren in een concernverhouding.
  9. 24-02-2023 De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen en verduidelijkt de onderlinge bijdrageplicht van hoofdelijke schuldenaren. De kosten van de procedure worden begroot.