Verjaring
Verjaring doet de rechtsvordering na verloop van een wettelijke termijn haar afdwingbaarheid verliezen, tenzij de schuldeiser de termijn tijdig heeft gestuit.
Verjaring is het bevrijdende verweer bij uitstek: is de termijn voltooid en wordt daarop een beroep gedaan, dan strandt de vordering ongeacht haar materiële gegrondheid. Titel 3.11 BW kent een restbepaling van twintig jaar (art. 3:306 BW) en een reeks bijzondere, doorgaans vijfjarige termijnen die elk een eigen aanvangsmoment kennen, van objectieve opeisbaarheid (art. 3:307 lid 1 BW) tot subjectieve bekendheid met schade en aansprakelijke persoon (art. 3:310 lid 1 BW). De scherpe kanten zitten in drie hoeken: de kwalificatie van de vordering (welke termijn geldt), het exacte aanvangsmoment en de vraag of een handeling als stuiting kwalificeert. De rechtspraak van 2026 heeft twee praktisch belangrijke knopen doorgehakt: de periodieke inning uit een executoriaal loonbeslag is telkens een daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316 lid 1 BW, en art. 6:131 lid 1 BW schept geen bevoegdheid om een reeds verjaarde vordering te verrekenen met een pas nadien ontstane schuld. Daarnaast is verduidelijkt dat de verlengde termijn van art. 3:323 lid 3 BW haar functie verliest zodra het hypotheekrecht is tenietgegaan. Voor de praktijk betekent dit: kwalificeer scherp, dateer scherp en documenteer elke stuitingshandeling.
Wettelijk kader
- art. 3:306 BW restbepaling: twintig jaar indien de wet niet anders bepaalt
Indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.
- art. 3:307 lid 1 BW vijf jaar voor nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen, vanaf opeisbaarheid
Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. In geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd loopt de in lid 1 bedoelde termijn pas van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.
- art. 3:309 BW vijf jaar voor onverschuldigde betaling vanaf bekendheid, met objectieve grens van twintig jaar
Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.
- art. 3:310 lid 1 BW vijf jaar voor schadevergoeding en bedongen boete vanaf bekendheid met schade en aansprakelijke persoon, absoluut twintig jaar
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden. Is de schade een gevolg van verontreiniging van lucht, water of bodem, van de verwezenlijking van een gevaar als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 dan wel van beweging van de bodem als bedoeld in artikel 177, eerste lid, onder b, van Boek 6 , dan verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade, in afwijking van het aan het slot van lid 1 bepaalde, in ieder geval door verloop van dertig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, met dien verstande dat deze termijn voor verjaring van de schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld aanvangt na de laatste daardoor veroorzaakte bodembeweging. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder gebeurtenis verstaan een plotseling optredend feit, een voortdurend feit of een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak. Bestaat de gebeurtenis uit een voortdurend feit, dan begint de termijn van dertig jaren bedoeld in lid 2 te lopen nadat dit feit is opgehouden te bestaan. Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan begint deze termijn te lopen na dit laatste feit. Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is, verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen. In afwijking van de leden 1 en 2 verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door letsel of overlijden slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Indien de benadeelde minderjarig was op de dag waarop de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden, verjaart de rechtsvordering slechts door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde meerderjarig is geworden.
- art. 3:312 BW koppeling van nevenvorderingen (tekortkoming, rente, vruchten) aan de verjaring van de hoofdverplichting
Rechtsvorderingen terzake van een tekortkoming in de nakoming, alsmede die tot betaling van wettelijke of bedongen rente en die tot afgifte van vruchten, verjaren, behoudens stuiting of verlenging, niet later dan de rechtsvordering tot nakoming van de hoofdverplichting of, zo de tekortkoming vatbaar is voor herstel, de rechtsvordering tot herstel van de tekortkoming.
- art. 3:314 BW aanvang bij opheffing van een onrechtmatige toestand en bij beëindiging van bezit van een niet-rechthebbende
De termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden. De termijn van verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt.
- art. 3:105 BW verkrijging door de bezitter op het moment van voltooiing van de verjaring van de revindicatie
Hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Heeft iemand vóór dat tijdstip het bezit onvrijwillig verloren, maar het na dat tijdstip, mits binnen het jaar na het bezitsverlies of uit hoofde van een binnen dat jaar ingestelde rechtsvordering, terugverkregen, dan wordt hij als de bezitter op het in het vorige lid aangegeven tijdstip aangemerkt.
- art. 3:316 lid 1 BW stuiting door het instellen van een eis of iedere andere daad van rechtsvervolging, waaronder een daad van executie
De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Leidt een ingestelde eis niet tot toewijzing, dan is de verjaring slechts gestuit, indien binnen zes maanden, nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Wordt een daad van rechtsvervolging ingetrokken, dan stuit zij de verjaring niet. De verjaring van een rechtsvordering wordt ook gestuit door een handeling, strekkende tot verkrijging van een bindend advies, mits van die handeling met bekwame spoed mededeling wordt gedaan aan de wederpartij en zij tot verkrijging van een bindend advies leidt. Is dit laatste niet het geval, dan is het vorige lid van overeenkomstige toepassing. De verjaring van een rechtsvordering wordt ook gestuit door een ingestelde eis die niet tot toewijzing leidt, indien: het scheidsgerecht zich onbevoegd heeft verklaard op grond van artikel 1052, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan; of de rechter zich onbevoegd heeft verklaard op grond van artikel 1022, eerste lid , 1067 of 1074d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en die uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
- art. 3:317 lid 1 BW stuiting van nakomingsvorderingen door schriftelijke aanmaning of ondubbelzinnig voorbehoud van recht op nakoming
De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De verjaring van andere rechtsvorderingen wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning, indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door een stuitingshandeling als in het vorige artikel omschreven.
- art. 3:318 BW stuiting door erkenning van het recht door de schuldenaar
Erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
- art. 3:319 BW gevolg van stuiting: nieuwe termijn gelijk aan de oorspronkelijke, maximaal vijf jaar
Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. Is een bindend advies gevraagd en verkregen, dan begint de nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het bindend advies is uitgebracht. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren. Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken. Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering op grond van artikel 316, lid 4 , begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met aanvang van de dag volgende op de dag van de uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke verjaringstermijn, doch niet langer dan vijf jaren. Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken.
- art. 3:323 lid 3 BW verlenging tot twintig jaar van de vordering waarvoor hypotheek is gegeven, ter bescherming van de hypotheekhouder
Door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gaan de pand- of hypotheekrechten die tot zekerheid daarvan strekken, teniet. Nochtans verhindert de verjaring niet dat het pandrecht op het verbonden goed wordt uitgeoefend, indien dit bestaat in een roerende zaak of een recht aan toonder of order en deze zaak of het toonder- of orderpapier in de macht van de pandhouder of een derde is gebracht. De rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis tot zekerheid waarvan een hypotheek strekt, verjaart niet voordat twintig jaren zijn verstreken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden.
- art. 6:131 lid 1 BW de bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering
De bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering. Uitstel van betaling of van executie, bij wijze van gunst door de schuldeiser verleend, staat aan verrekening door de schuldeiser niet in de weg.
- art. 6:127 lid 2 BW vereiste dat de verrekenende partij bevoegd is de betaling van haar vordering af te dwingen
Wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, gaan beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. De bevoegdheid tot verrekening bestaat niet ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen.
- art. 611g Rv korte verjaringstermijn van zes maanden voor verbeurde dwangsommen
Een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd is. De verjaring wordt geschorst door faillissement, toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en ieder ander wettelijk beletsel voor tenuitvoerlegging van de dwangsom. De verjaring wordt ook geschorst zolang degene die de veroordeling verkreeg met het verbeuren van de dwangsom redelijkerwijze niet bekend kon zijn.
Wettelijk kader
Titel 3.11 BW onderscheidt twee stelsels die in de praktijk regelmatig door elkaar lopen. Het eerste is de verjaring van rechtsvorderingen (art. 3:306 tot en met 3:323 BW), het tweede de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke en arbitrale uitspraken (art. 3:324 en 3:325 BW). Beide kennen een eigen stuitingsregime; de vraag welk stelsel van toepassing is, moet dus als eerste worden beantwoord.
Binnen het eerste stelsel geldt art. 3:306 BW als restbepaling: twintig jaar, tenzij de wet anders bepaalt. De wet bepaalt vaak anders. Art. 3:307 lid 1 BW geeft vijf jaar voor de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen, te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Lid 2 regelt de verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd: de termijn loopt pas vanaf de dag volgend op die waartegen de schuldeiser tot opeising heeft medegedeeld over te gaan, met een absolute grens van twintig jaar. Art. 3:309 BW geeft vijf jaar voor de vordering uit onverschuldigde betaling, vanaf bekendheid met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger, met een objectieve grens van twintig jaar na het ontstaan. Art. 3:310 lid 1 BW geldt voor schadevergoeding en voor betaling van een bedongen boete: vijf jaar na bekendheid met de schade of de opeisbaarheid van de boete én met de aansprakelijke persoon, en in ieder geval twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Voor milieuschade, gevaarlijke stoffen en bodembeweging geldt de dertigjaarstermijn van lid 2, voor letsel- en overlijdensschade vervalt de lange termijn geheel (lid 5).
Aanvullend: art. 3:312 BW koppelt vorderingen ter zake van een tekortkoming, wettelijke of bedongen rente en afgifte van vruchten aan de verjaring van de hoofdverplichting of van de herstelvordering. Art. 3:314 BW regelt de aanvang bij opheffing van een onrechtmatige toestand en bij beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende, en vormt samen met art. 3:105 BW de basis van de verkrijgende werking na twintig jaar onafgebroken bezit, ook bij bezit te kwader trouw. Buiten Boek 3 verdient art. 611g Rv aandacht: verbeurde dwangsommen verjaren door verloop van zes maanden.
Aanvang van de termijn
De kwalificatie van de vordering bepaalt het aanvangsmoment. Bij art. 3:307 lid 1 BW is dat objectief: opeisbaarheid. Bij art. 3:310 lid 1 en art. 3:309 BW is de aanvang subjectief en vergt zij daadwerkelijke bekendheid, niet een enkel vermoeden. Vereist is voldoende zekerheid dat schade is geleden door tekortschietend of foutief handelen; kennis van de juridische kwalificatie van dat handelen is niet nodig (ECLI:NL:HR:2024:18). Bij schade door een onrechtmatig overheidsbesluit vangt de vijfjaarstermijn pas aan nadat de vernietiging van het besluit onherroepelijk is geworden dan wel het bestuursorgaan de onrechtmatigheid heeft erkend (ECLI:NL:HR:2023:1172).
Samenloop van termijnen is een terugkerend twistpunt. Bij een beroepsfout van een notaris die verzuimde een hypotheekrecht in te schrijven, is geoordeeld dat art. 3:307 BW niet toepasselijk is omdat het niet om een nakomingsvordering gaat en dat art. 3:312 BW evenmin toepassing vindt bij gebreke van een nevenverplichting; uitsluitend art. 3:310 BW beheerst de schadevergoedingsvordering, waarbij de termijn pas aanving toen het verzuim werd ontdekt (ECLI:NL:RBMNE:2015:6490). Wie een vordering primair als nakoming presenteert en subsidiair als schadevergoeding, moet er dus op bedacht zijn dat elke grondslag haar eigen klok heeft.
Bij duurrelaties en periodiek verschuldigde bedragen loopt per termijn een eigen verjaring. Dat speelde in de stadsverwarmingszaken, waarin verbruikers terugbetaling vorderden van gedurende dertig jaar in het vastrecht verwerkte aansluitbijdragen; het verjaringsverweer van de leverancier zag op de oudere jaartermijnen (ECLI:NL:HR:2026:93). Voor een restschuld die overblijft na uitwinning van de zekerheid geldt de gewone termijn van art. 3:307 lid 1 BW, met als aanvang de dag volgend op die waarop de restschuld opeisbaar werd, in de regel de dag na levering van het uitgewonnen goed (ECLI:NL:HR:2026:231).
Stuiting: art. 3:316 tot en met 3:319 BW
Stuiting is de kern van elk verjaringsdebat. Art. 3:316 lid 1 BW noemt het instellen van een eis en iedere andere daad van rechtsvervolging die in de vereiste vorm geschiedt. Een daad van rechtsvervolging is een handeling die erop is gericht een vorderingsrecht geldend te maken; daaronder valt ook een daad van executie in de vereiste vorm. Op die grondslag is beslist dat niet alleen het leggen van executoriaal loonbeslag, maar ook de daaropvolgende periodieke inning van het door het beslag getroffen loon telkens een daad van rechtsvervolging vormt, zodat de verjaring maandelijks wordt gestuit en een afzonderlijke stuitingsbrief niet nodig is zolang aan het beslag uitvoering wordt gegeven (ECLI:NL:HR:2026:231). De ratio die daaraan ten grondslag ligt is de klassieke: de schuldenaar moet weten dat hij er rekening mee moet houden zijn gegevens en bewijsmateriaal te bewaren.
Daartegenover staat de situatie waarin een beslag wel is gelegd maar niet wordt geëxecuteerd. Het enkele leggen van executoriaal beslag kan niet op één lijn worden gesteld met het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd in de zin van art. 3:319 lid 1 BW, en brengt geen voortdurende stuiting mee; van de executant mag worden gevergd dat hij de aangevangen tenuitvoerlegging voltooit binnen de nieuwe termijn van vijf jaar (ECLI:NL:HR:2016:2222). Dat arrest ziet op de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging (art. 3:324 en 3:325 BW) en is niet zonder meer overdraagbaar op de verjaring van de onderliggende rechtsvordering.
Art. 3:317 lid 1 BW is de werkpaardbepaling: een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Een e-mail waarin voor de wederpartij voldoende duidelijk is dat de schuldeiser haar aanspraken handhaaft en een procedure in het vooruitzicht stelt, volstaat (ECLI:NL:RBROT:2026:2297). Dezelfde uitspraak illustreert dat zo'n brief tegelijk kan tekortschieten als ingebrekestelling: schrijven dat iemand in gebreke is, is iets anders dan iemand in gebreke stellen. Voor andere rechtsvorderingen dan die tot nakoming, waaronder de vordering tot ontbinding, geldt het strengere art. 3:317 lid 2 BW: de aanmaning moet binnen zes maanden worden gevolgd door een stuitingshandeling ex art. 3:316 BW (ECLI:NL:HR:2025:1685). Erkenning door de schuldenaar stuit eveneens (art. 3:318 BW). Gevolg van stuiting anders dan door een toegewezen eis: een nieuwe termijn, gelijk aan de oorspronkelijke maar ten hoogste vijf jaar (art. 3:319 lid 1 BW).
Verjaring, zekerheidsrechten en verrekening
Art. 3:323 lid 1 BW bepaalt dat door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming de tot zekerheid strekkende pand- en hypotheekrechten tenietgaan; lid 2 maakt een uitzondering voor vuistpand op roerende zaken en toonder- of orderpapier. Om te voorkomen dat de hypotheekhouder door die sanctie wordt overvallen, verlengt lid 3 de verjaring van de gesecureerde vordering tot twintig jaar na de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden. Die bescherming is instrumenteel: zij verliest haar grond zodra het hypotheekrecht is tenietgegaan, bijvoorbeeld door uitwinning van het verbonden goed. Op de restschuld die dan resteert, is de gewone termijn van art. 3:307 lid 1 BW van toepassing (ECLI:NL:HR:2026:231). Wie na executie nog jaren incasseert, moet zich dus niet op art. 3:323 lid 3 BW verlaten maar op reguliere stuiting.
Verjaring raakt de afdwingbaarheid, niet het bestaan van de verbintenis. Betaling van een verjaarde schuld is niet onverschuldigd. Op dat spoor ligt ook art. 6:131 lid 1 BW: de bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering. De ratio is dat wie tot verrekening bevoegd is zich veelal reeds als bevrijd beschouwt en pas aan een verrekeningsverklaring denkt wanneer hij tot nakoming wordt aangesproken. De bepaling laat dus een reeds bestaande verrekeningsbevoegdheid voortbestaan; zij schept die bevoegdheid niet. Voor verrekening van een reeds verjaarde vordering met een pas na voltooiing van de verjaring ontstane schuld geldt onverkort het vereiste van art. 6:127 lid 2 BW dat de verrekenende partij bevoegd is de betaling van haar vordering af te dwingen. Het oordeel dat verjaring in het algemeen niet in de weg staat aan verrekening met een tegenvordering die de wederpartij heeft of nog krijgt, is daarom onjuist (ECLI:NL:HR:2026:93). In duurrelaties met periodieke afrekeningen betekent dit dat een verjaringsverweer niet zonder meer kan worden geneutraliseerd met een beroep op art. 6:131 BW: per verjaarde vordering moet worden nagegaan of de tegenover te stellen schuld al bestond toen de verjaring werd voltooid.
Toepassing in de praktijk
Voor de eisende partij. Kwalificeer de vordering expliciet en kies bewust de termijn: nakoming (art. 3:307 BW), schadevergoeding of boete (art. 3:310 BW), onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW) of restcategorie (art. 3:306 BW). Stel in de feitenparagraaf het aanvangsmoment met een concrete datum en onderbouw dat met stukken waaruit blijkt wanneer bekendheid met schade en aansprakelijke persoon intrad; noem bij subsidiaire grondslagen ook het daarbij horende aanvangsmoment. Neem vervolgens een chronologisch stuitingsoverzicht op: datum, wijze (art. 3:316, 3:317 of 3:318 BW), inhoud en bewijsstuk. Reken per stuitingshandeling voor dat de nieuwe termijn van art. 3:319 BW nog niet was verstreken toen de volgende stuiting plaatsvond. Bij vorderingen die niet strekken tot nakoming, in het bijzonder ontbinding, moet worden bevestigd dat de aanmaning binnen zes maanden is gevolgd door dagvaarding. Wordt geëxecuteerd, leg dan de periodieke inningen vast: die zijn zelfstandige stuitingshandelingen (ECLI:NL:HR:2026:231). Overweeg tot slot, als de termijn krap is, een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, maar reken erop dat dat een hoge drempel kent (ECLI:NL:HR:2018:2047).
Voor de gedaagde partij. Verjaring is een bevrijdend verweer dat de rechter niet ambtshalve toepast; het moet uitdrukkelijk worden gevoerd, bij voorkeur in de conclusie van antwoord en per gevorderde post. Splits de vordering in deelvorderingen en termijnen: bij duurovereenkomsten en periodieke betalingen is vaak een deel wel en een deel niet verjaard. Betwist gemotiveerd dat de door eiser aangevoerde brieven voldoen aan art. 3:317 lid 1 BW: een klachtbrief zonder ondubbelzinnig voorbehoud van het recht op nakoming stuit niet. Toets bij niet-nakomingsvorderingen of de zeswekentermijn, lees: zesmaandentermijn, van art. 3:317 lid 2 BW is gehaald. Controleer of gedragingen als erkenning in de zin van art. 3:318 BW kunnen worden geduid, bijvoorbeeld deelbetalingen of betalingsregelingen; die werken tegen de gedaagde. Bij dwangsommen loont het altijd de korte termijn van art. 611g Rv na te lopen. Wordt tegen het verjaringsverweer een beroep op verrekening ingebracht, ga dan na of de tegen te rekenen schuld al bestond vóór voltooiing van de verjaring (ECLI:NL:HR:2026:93).
Valkuilen
- Verkeerd stelsel. Verjaring van de rechtsvordering (art. 3:306 tot en met 3:323 BW) en verjaring van de executiebevoegdheid (art. 3:324 en 3:325 BW) hebben eigen regels. Rechtspraak over het ene stelsel is niet automatisch bruikbaar in het andere; dat werd expliciet vastgesteld bij de toepassing van ECLI:NL:HR:2016:2222 op een geval van reguliere verjaring.
- Aanvangsmoment te vroeg of te laat gesteld. Een vermoeden van schade is geen bekendheid; omgekeerd wacht de termijn niet op juridisch advies over de kwalificatie (ECLI:NL:HR:2024:18).
- Klachtbrief verward met stuitingsbrief. Uiten van ontevredenheid is geen ondubbelzinnig voorbehoud van het recht op nakoming. En andersom: een geldige stuitingsmededeling is nog geen ingebrekestelling met redelijke termijn in de zin van art. 6:82 lid 1 BW, zodat de vordering alsnog kan stranden op het ontbreken van verzuim (ECLI:NL:RBROT:2026:2297).
- Zes maanden vergeten. Bij ontbinding en andere niet-nakomingsvorderingen is de aanmaning zonder tijdige eis binnen zes maanden zonder effect (ECLI:NL:HR:2025:1685).
- Blind vertrouwen op art. 3:323 lid 3 BW. Na uitwinning van de hypotheek vervalt de verlengde termijn voor de restschuld (ECLI:NL:HR:2026:231).
- Verrekening als noodrem. Art. 6:131 lid 1 BW redt geen verjaarde vordering die pas na de verjaring tegenover een schuld komt te staan (ECLI:NL:HR:2026:93).
- Dwangsommen. Toepassing van de twintigjarige executietermijn in plaats van art. 611g Rv leidt tot verlies van aanspraken (ECLI:NL:HR:2024:1027).
- Onvoldoende bewijs van verzending en ontvangst van stuitingsbrieven; bewaar verzendbewijzen en ontvangstbevestigingen.
Open vragen en ontwikkelingen
De belangrijkste recente ontwikkeling is de erkenning dat feitelijke executiehandelingen zelfstandige stuitende werking hebben. De redenering dat de periodieke inning uit een executoriaal beslag telkens een daad van rechtsvervolging is (ECLI:NL:HR:2026:231), is naar de bewoordingen niet beperkt tot loonbeslag. Aannemelijk is dat hetzelfde geldt voor andere vormen van doorlopende derdenbeslagen en periodieke afdrachten, maar de grens is nog niet getrokken: welke mate van activiteit is vereist en wat geldt in perioden waarin het beslag geen doel treft omdat er niets boven de beslagvrije voet uitkomt? Onbeslist is ook of de schuldeiser bij een langdurig slapend beslag toch periodiek moet stuiten om te voldoen aan de waarschuwingsfunctie die aan het stuitingsregime ten grondslag ligt.
Een tweede lijn betreft de verhouding tussen verjaring en verrekening. Na ECLI:NL:HR:2026:93 staat vast dat art. 6:131 lid 1 BW een conserverende en geen scheppende functie heeft. Daarmee verschuift het debat naar de bewijsrechtelijke vraag op welk moment de tegenover te stellen schuld precies is ontstaan, wat bij duurovereenkomsten met voorschotten en jaarafrekeningen niet altijd eenvoudig te bepalen is. In collectieve acties komt daar de vraag bij hoe een verjaringsverweer zich verhoudt tot een gebundelde vordering waarin de posities van de achterliggende gerechtigden uiteenlopen; in de parallelzaak stond vooral de uitleg van de toepasselijke voorwaarden centraal (ECLI:NL:HR:2026:94).
Een derde thema is de correctie via de redelijkheid en billijkheid. De drempel is hoog en de rechtspraak casuïstisch; het toetsingskader kwam onder meer aan de orde in de zaak over de aansprakelijkheidsvordering na een geroyeerde procedure (ECLI:NL:HR:2018:2047, conclusie ECLI:NL:PHR:2018:791). Voor de praktijk blijft de veiligste route onveranderd: niet vertrouwen op correcties achteraf, maar tijdig en aantoonbaar stuiten.
Rechtspraaklijn
- 12 augustus 2015 Beroepsfout notaris, niet ingeschreven hypotheekrecht (ECLI:NL:RBMNE:2015:6490) Op een schadevergoedingsvordering wegens een beroepsfout is uitsluitend art. 3:310 BW van toepassing en niet art. 3:307 of art. 3:312 BW, waarbij de vijfjaarstermijn pas aanvangt bij daadwerkelijke ontdekking van het verzuim.
- 30 september 2016 Executoriaal beslag en verjaring van de executiebevoegdheid (ECLI:NL:HR:2016:2222) Het leggen van executoriaal beslag kan niet op één lijn worden gesteld met het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd en brengt geen voortdurende stuiting mee, zodat de aangevangen tenuitvoerlegging binnen de nieuwe vijfjaarstermijn moet worden voltooid.
- 23 november 2018, Hoge Raad Rechter tegen advocaat, verjaring van de vordering uit onrechtmatige daad (ECLI:NL:HR:2018:2047) Op een vordering uit onrechtmatige daad wegens het voeren van een op onwaarheid gebaseerde procedure is art. 3:310 BW van toepassing en een beroep op de voltooide verjaring kan slechts terzijde worden gesteld voor zover dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2018:791
- 8 september 2023 Verjaring bij onrechtmatig overheidsbesluit (ECLI:NL:HR:2023:1172) De vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW bij schade door een onrechtmatig overheidsbesluit vangt pas aan nadat de vernietiging van het besluit onherroepelijk is geworden dan wel het bestuursorgaan de onrechtmatigheid heeft erkend.
- 12 januari 2024 Subjectieve bekendheid art. 3:310 BW (ECLI:NL:HR:2024:18) Voor de aanvang van de vijfjaarstermijn is voldoende zekerheid vereist dat schade is veroorzaakt door foutief handelen, maar niet dat de benadeelde de juridische kwalificatie van dat handelen kent.
- 5 juli 2024, Hoge Raad Verjaring verbeurde dwangsommen (ECLI:NL:HR:2024:1027) Verbeurde dwangsommen verjaren door verloop van zes maanden na de dag van verbeurte op grond van art. 611g Rv en niet volgens de langere executieverjaringstermijn.
- 14 november 2025, Hoge Raad Stuiting van de ontbindingsvordering (ECLI:NL:HR:2025:1685) De verjaring van een andere rechtsvordering dan die tot nakoming, zoals de vordering tot ontbinding, wordt slechts gestuit indien de schriftelijke aanmaning binnen zes maanden wordt gevolgd door een stuitingshandeling als bedoeld in art. 3:316 BW.
- 23 januari 2026, Hoge Raad Ennatuurlijk B.V./Stichting Reeshofverzet (ECLI:NL:HR:2026:93) Art. 6:131 lid 1 BW laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid na verjaring voortbestaan maar schept geen bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een pas na voltooiing van de verjaring ontstane schuld. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:970
- 23 januari 2026, Hoge Raad Ennatuurlijk B.V./Stichting Stadsverwarming Eindhoven (ECLI:NL:HR:2026:94) De uitleg van algemene leverings- en aansluitvoorwaarden waarop een periodiek in rekening gebrachte tariefcomponent wordt gebaseerd is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:969
- 13 februari 2026, Hoge Raad Restschuld na hypothecaire executie, stuiting door maandelijkse inning loonbeslag (ECLI:NL:HR:2026:231) De periodieke inning van het door een executoriaal loonbeslag getroffen loon is telkens een daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316 lid 1 BW, terwijl op de restschuld na uitwinning van het hypotheekrecht de gewone termijn van art. 3:307 lid 1 BW geldt omdat art. 3:323 lid 3 BW zijn functie heeft verloren. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2025:1296
- 25 maart 2026, Rechtbank Rotterdam Samenwerkingsovereenkomst duurzame verpakkingen, stuitingsmededeling en ingebrekestelling (ECLI:NL:RBROT:2026:2297) Een e-mail waaruit voor de schuldenaar voldoende duidelijk blijkt dat de schuldeiser haar aanspraken handhaaft en een procedure in het vooruitzicht stelt, is een geldige stuitingsmededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW, maar geldt niet zonder concrete aanmaning met redelijke termijn als ingebrekestelling.