Beroep op verjaring kan onaanvaardbaar zijn bij onrechtmatig procesgedrag.
Onrechtmatige daad. Verjaring; art. 3:310 BW. Rechter heeft procedure aangespannen tegen advocaat wegens uitlating advocaat in interview dat die rechter met advocaten belde over een zaak. Na royement van die procedure vordert advocaat schadevergoeding van rechter op de grond dat de rechter onrechtmatig heeft gehandeld door de eerste procedure op een leugen te baseren. Is rechtsvordering advocaat verjaard? Beroep van rechter op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Klachten tegen oordeel hof dat rechter onrechtmatig heeft gehandeld. Samenhang met 17/02695.
Rechtsvraag
Heeft [eiser] misbruik van procesrecht gemaakt door een procedure tegen [verweerder] te beginnen op basis van een feitelijke onwaarheid, waardoor hij onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld?
Regel
- Art. 3:310 lid 1 BW (Verjaringstermijn schadevergoeding): Een rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart vijf jaar na de dag waarop de benadeelde bekend is met de schade en de aansprakelijke persoon.
- Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW): Een beroep op verjaring kan onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
Toepassing
- Art. 3:310 lid 1 BW (Verjaringstermijn schadevergoeding) Het hof oordeelde dat [verweerder] in 2004 in staat was een vordering tegen [eiser] in te stellen. De verjaringstermijn begon te lopen toen [verweerder] bekend was met de schade en de aansprakelijkheid van [eiser]. Het hof stelde dat de verjaringstermijn niet werd gestuit door de juridische onzekerheid die [verweerder] ervoer.
- Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) Het hof oordeelde dat het beroep op verjaring door [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Dit oordeel was gebaseerd op de uitzonderlijke omstandigheden, waaronder de confrontatie van [verweerder] met een rechter als tegenpartij en de reputatieschade die [verweerder] leed. Het hof vond dat de omstandigheden het begrijpelijk maakten dat [verweerder] niet eerder een vordering instelde of de verjaring stuitte.
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het beroep van [eiser] en oordeelt dat [eiser] onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld door een procedure te beginnen op basis van een feitelijke onwaarheid, waardoor [verweerder] reputatieschade leed. Het beroep op verjaring door [eiser] is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Partijen en standpunten
- Eiser: [eiser]
- Gedaagde: [verweerder]
De eiser stelde dat hij nooit met advocaten heeft gebeld over de procedures en dat de publicatie zijn eer en goede naam aantastte.
De gedaagde beweerde dat de eiser onrechtmatig handelde door een procedure te starten op basis van onwaarheden en eiste schadevergoeding.
Wetsartikelen
- art. 3:3:310 lid 1 BW
- art. 6 EVRM
- art. 81 lid 1 RO
Tijdlijn
- 06-12-1994 [verweerder] heeft telefonisch contact met [eiser] over pleitduur in Chipshol-zaak. [verweerder] beweert dat [eiser] contact had met advocaten van gedaagden.
- 08-12-1994 [eiser] treedt op als voorzitter tijdens een zitting betreffende Chipshol.
- 12-12-1994 [verweerder] stuurt een brief naar de president van de rechtbank โs-Gravenhage over het optreden van [eiser].
- 02-1997 Opvolgend advocaat van Chipshol dient verzoekschrift in bij rechtbank โs-Gravenhage.
- 25-03-1997 Artikel over uitspraken in Chipshol-zaak gepubliceerd.
- 02-04-1997 Persrechter reageert op artikel in NRC Handelsblad.
- 19-04-1997 Persrechter publiceert vervolgbrief in NRC Handelsblad.
- Begin 2004 Boek 'Topadvocatuur' met interview [verweerder] wordt gepubliceerd.
- 02-04-2004 [eiser] schrijft [verweerder] aan over uitspraken in boek.
- 19-04-2004 [eiser] dagvaardt [verweerder] in Rotterdamse procedure voor onrechtmatige uitlatingen.
- 08-10-2004 Comparitie van partijen in Rotterdamse procedure.
- 23-01-2008 Rechtbank verklaart dat uitlatingen [verweerder] onrechtmatig zijn jegens [eiser].