Leerstuk · verbintenissenrecht

Nakoming

De schuldeiser heeft in beginsel recht op de prestatie zelf: art. 3:296 BW geeft hem een afdwingbare vordering tot nakoming, te versterken met dwangsom of reële executie, met een eigen verjaringsregime in art. 3:307 en 3:311 BW.

Anders dan in common law-stelsels is specifieke nakoming in het Nederlandse recht de hoofdregel: wie jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, wordt daartoe op vordering van de gerechtigde veroordeeld, tenzij de wet, de aard van de verplichting of een rechtshandeling anders meebrengt (art. 3:296 BW). De veroordeling wordt afdwingbaar gemaakt met een dwangsom (art. 611a Rv), die een termijn voor nakoming vereist, of met de machtiging tot reële executie van art. 3:299 BW. De nakomingsvordering verjaart vijf jaar na opeisbaarheid (art. 3:307 BW), maar bij gedeeltelijke of gebrekkige nakoming geldt het regime van art. 3:311 BW met een ander aanvangsmoment; het verkeerde regime kiezen kan fataal zijn. Nakoming laat zich combineren met aanvullende schadevergoeding, mits verzuim is gesteld, en moet worden onderscheiden van de situaties waarin de verbintenis door ontbinding of vernietiging is geëindigd en nakoming dus niet meer gevorderd kan worden.

Wettelijk kader

  • art. 3:296 BW hoofdregel: veroordeling tot geven, doen of nalaten op vordering van de gerechtigde, behoudens uitzonderingen

    Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, veroordeeld. Hij die onder een voorwaarde of een tijdsbepaling tot iets is gehouden, kan onder die voorwaarde of tijdsbepaling worden veroordeeld.

  • art. 3:299 BW reële executie: machtiging om zelf te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid, op kosten van de schuldenaar

    Wanneer iemand niet verricht waartoe hij is gehouden, kan de rechter hem jegens wie de verplichting bestaat, op diens vordering machtigen om zelf datgene te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid. Op gelijke wijze kan hij jegens wie een ander tot een nalaten is gehouden, worden gemachtigd om hetgeen in strijd met die verplichting is verricht, teniet te doen. De kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering der machtiging, komen ten laste van hem die zijn verplichting niet is nagekomen. De uitspraak waarbij de machtiging wordt verleend, kan tevens de voldoening van deze kosten op vertoon van de daartoe nodige, in de uitspraak te vermelden bescheiden gelasten.

  • art. 3:307 BW verjaring van de nakomingsvordering: vijf jaar na opeisbaarheid

    Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. In geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd loopt de in lid 1 bedoelde termijn pas van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de in lid 1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.

  • art. 3:311 BW verjaring bij tekortkoming: vijf jaar na bekendheid met de tekortkoming, voor herstel en ontbinding

    Een rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst op grond van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel van een tekortkoming verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de tekortkoming is ontstaan. Een rechtsvordering tot ongedaanmaking als bedoeld in artikel 271 van Boek 6 verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de overeenkomst is ontbonden.

  • art. 611a Rv dwangsom als prikkel tot nakoming; uitgesloten bij veroordeling tot betaling van een geldsom

    De rechter kan op vordering van een der partijen de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn. Een dwangsom kan echter niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom. De dwangsom kan ook voor het eerst in verzet of in hoger beroep worden gevorderd. De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. De rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren.

  • art. 6:83 BW verzuim van rechtswege: fatale termijn, verbintenis uit onrechtmatige daad of schadevergoeding, en de mededeling dat niet zal worden nagekomen

    Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in: wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft; wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen; wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.

Wettelijk kader

Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter op vordering van de gerechtigde veroordeeld (art. 3:296 BW). Wie onder een voorwaarde of tijdsbepaling gehouden is, kan onder die voorwaarde of tijdsbepaling worden veroordeeld. De bepaling drukt het Nederlandse uitgangspunt uit dat de schuldeiser recht heeft op de prestatie zelf: schadevergoeding is het vangnet voor de gevallen van verzuim of blijvende onmogelijkheid, niet het eerste redmiddel.

De uitzonderingen zijn even wezenlijk als de hoofdregel. Nakoming kan niet worden gevorderd van een verbintenis die inmiddels door ontbinding of vernietiging is geëindigd, en de aard van sommige verplichtingen, zoals hoogstpersoonlijke prestaties, verzet zich tegen een veroordeling. De vordering tot nakoming laat zich combineren met aanvullende schadevergoeding voor vertragingsschade, maar daarvoor is verzuim vereist: via een ingebrekestelling met redelijke termijn, een fatale termijn, of een van de gevallen waarin het verzuim van rechtswege intreedt, zoals de mededeling van de schuldenaar waaruit de schuldeiser moet afleiden dat hij zal tekortschieten (art. 6:83 BW).

Verjaring: het onderscheid tussen art. 3:307 en 3:311 BW

Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (art. 3:307 BW); bij een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd begint de termijn pas te lopen na de mededeling tot opeising, met een absolute grens van twintig jaar. Daarnaast staat art. 3:311 BW: de rechtsvordering tot ontbinding wegens een tekortkoming of tot herstel van een tekortkoming verjaart vijf jaar na de dag waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden.

De afbakening tussen beide regimes is door de Hoge Raad scherp gesteld: art. 3:307 BW geldt bij het geheel uitblijven van de nakoming, terwijl bij gedeeltelijke of gebrekkige nakoming het regime van art. 3:311 BW toepasselijk is, met zijn eigen, op bekendheid met de tekortkoming gebaseerde aanvangsmoment (ECLI:NL:HR:2015:2194). Het onderscheid is geen theorie: wie zijn vordering onder het verkeerde regime rubriceert, kan een termijn missen die onder het juiste regime nog liep, of omgekeerd een verweer laten liggen dat de vordering al verjaard was.

Het praktische verschil zit in het aanknopingspunt. De termijn van art. 3:307 BW loopt vanaf de opeisbaarheid, of de schuldeiser het gebrek nu kent of niet; de termijn van art. 3:311 BW loopt pas vanaf de bekendheid met de tekortkoming, maar wordt begrensd door de twintigjaarstermijn na het ontstaan ervan. Bij duurovereenkomsten en bij prestaties die pas na jaren gebrekkig blijken, valt de keuze tussen beide regimes dus samen met de vraag of de vordering überhaupt nog leeft.

Dwangsom en reële executie

Een kale veroordeling dwingt nog niet. Voor niet-geldelijke verplichtingen is de dwangsom van art. 611a Rv het standaardinstrument: de rechter kan de wederpartij veroordelen tot betaling van een geldsom voor het geval aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Bij een veroordeling tot betaling van een geldsom is een dwangsom wettelijk uitgesloten; daar dwingt het executierecht zelf. De dwangsomveroordeling luistert nauw: de rechter moet een termijn voor nakoming bepalen of op de voet van art. 611a lid 4 Rv bepalen dat pas na verloop van een zekere termijn een dwangsom wordt verbeurd; ontbreekt iedere termijn, dan is onvoldoende duidelijk vanaf welk moment de dwangsom verschuldigd wordt en houdt de veroordeling in cassatie geen stand (ECLI:NL:HR:2021:792).

Het tweede dwangmiddel is de reële executie van art. 3:299 BW: de rechter kan de gerechtigde machtigen om zelf te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid, of om wat in strijd met een verplichting tot nalaten is verricht teniet te doen, telkens op kosten van de niet-nakomende schuldenaar. In de praktijk worden dwangsom en machtiging vaak naast elkaar gevorderd; rechters wijzen dan geregeld één van beide toe, omdat een tweede dwangmiddel naast een gemaximeerde dwangsom niet nodig is.

De dwangsom kan ook voor het eerst in verzet of in hoger beroep worden gevorderd en wordt niet verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Voor de schuldeiser betekent dit dat de executie begint bij de deurwaarder: zonder betekening geen verbeurte, hoe hardnekkig de weigering ook is.

De grenzen: onmogelijkheid en opschorting

De veroordeling tot nakoming veronderstelt dat de prestatie nog mogelijk en verschuldigd is. Sommige prestaties zijn naar hun aard niet in te halen: een verhuurder kan huurgenot over een verstreken periode niet alsnog verschaffen. Dat maakte de vraag prangend of een verhuurder de nakoming van zijn kernverplichting mag opschorten wegens een betalingsachterstand van de huurder. De Hoge Raad beantwoordde haar bevestigend voor het geval waarin de huurder het gehuurde vrijwillig had verlaten: de nakomingsverplichting van de ene partij kan tijdelijk worden bevroren als reactie op de niet-nakoming van de ander, ook wanneer de opgeschorte prestatie naar haar aard niet met terugwerkende kracht kan worden ingehaald (ECLI:NL:HR:2024:389).

De spiegelbeeldige grens geldt voor de schuldeiser: wie nakoming vordert van een verbintenis die door ontbinding of vernietiging is geëindigd, vordert iets dat niet meer verschuldigd is. De volgorde van de remedies verdient daarom aandacht in elke sommatiebrief: wie ontbindt, geeft de nakomingsvordering prijs.

Nakoming in de feitenrechtspraak

De feitenrechtspraak toont de breedte van het instrument. Een exclusieve distributieafspraak voor onbepaalde tijd kon niet rauwelijks worden doorbroken: door de producten zonder redelijke opzegtermijn zelf aan andere afnemers te leveren, schoot de leverancier toerekenbaar tekort in de nakoming van de distributieovereenkomst, met een veroordeling tot opgave van de verkoopcijfers als op nakoming gerichte nevenvoorziening (ECLI:NL:RBDHA:2023:13389). Een geheimhoudingsbeding tussen twee bekende ex-partners werd met een veroordeling tot nakoming en een gematigde, gemaximeerde dwangsom gehandhaafd, terwijl de verdergaande vordering tot voorafgaande inzage in het aangekondigde boek als preventieve controle werd afgewezen (ECLI:NL:RBMNE:2023:6354).

Ook in kort geding is nakoming afdwingbaar wanneer voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen: de voorzieningenrechter gelastte de levering van aandelen onder dwangsom, nadat het verweer dat de overeenkomst door het verstrijken van de leveringsdatum was geëindigd, strandde op de vaststelling dat partijen de overeenkomst feitelijk bleven uitvoeren en de termijn stilzwijgend hadden verlengd (ECLI:NL:RBAMS:2025:10092).

Toepassing in de praktijk

De standaardopbouw van een vordering bij toerekenbare tekortkoming is primair nakoming, subsidiair schadevergoeding. De nakomingsvordering moet concreet zijn: welke prestatie, welke specificaties, binnen welke termijn; vaag geformuleerde vorderingen worden afgewezen of leveren een executiegeschil op. Bij niet-geldelijke verplichtingen hoort een dwangsomvordering met bedrag per dag of per overtreding en een maximum; vergeet daarbij de nakomingstermijn niet, want zonder termijn sneuvelt de dwangsomveroordeling. Bij een geldvordering is de combinatie nakoming plus wettelijke rente vanaf het verzuim de aangewezen route.

Stel het verzuim zorgvuldig: een ingebrekestelling met redelijke termijn is het veilige pad, een beroep op een fatale termijn of op een mededeling van de schuldenaar (art. 6:83 BW) het snellere maar bewijsgevoeligere. En bewaak de verjaring langs het juiste spoor: vijf jaar na opeisbaarheid voor de zuivere nakomingsvordering (art. 3:307 BW), vijf jaar na bekendheid met de tekortkoming voor herstel en ontbinding (art. 3:311 BW). Wie beide regimes uit elkaar houdt en zijn stuitingsbrieven daarop inricht, houdt alle remedies open.

Tot slot de verhouding tot de wederpartij die zelf iets te vorderen heeft: een nakomingsvordering lokt in de praktijk vrijwel altijd een opschortings- of verrekeningsverweer uit. Wie de eigen prestatie aantoonbaar heeft geleverd en het verzuim van de ander schriftelijk heeft vastgelegd, ontneemt die verweren hun voedingsbodem voordat de procedure begint.

Rechtspraaklijn

  1. 14 augustus 2015 verjaring leveringsvordering (ECLI:NL:HR:2015:2194) Art. 3:307 BW geldt bij het geheel uitblijven van nakoming; bij gedeeltelijke of gebrekkige nakoming geldt het verjaringsregime van art. 3:311 BW met zijn eigen aanvangsmoment. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2015:570
  2. 28 mei 2021 NS Stations/JCDecaux (ECLI:NL:HR:2021:792) Een dwangsomveroordeling vereist dat de rechter een termijn voor nakoming bepaalt of op de voet van art. 611a lid 4 Rv een termijn stelt waarna de dwangsom wordt verbeurd; zonder termijn is onvoldoende duidelijk vanaf welk moment de dwangsom verschuldigd wordt.
  3. 30 augustus 2023 exclusieve distributie (ECLI:NL:RBDHA:2023:13389) Het zonder redelijke opzegtermijn doorbreken van een voor onbepaalde tijd verleende exclusieve distributieafspraak is een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
  4. 30 november 2023, Rechtbank Midden-Nederland Peter Gillis v ex (ECLI:NL:RBMNE:2023:6354) Een geheimhoudingsbeding kan met een veroordeling tot nakoming onder dwangsom worden gehandhaafd, maar preventieve controle van een aangekondigde publicatie vergt dat aannemelijk is dat de publicatie het beding schendt.
  5. 15 maart 2024, Hoge Raad opschorting huurgenot (ECLI:NL:HR:2024:389) Een verhuurder kan de nakoming van zijn verplichting tot het verschaffen van huurgenot onder omstandigheden opschorten wegens een betalingsachterstand, ook al kan die prestatie naar haar aard niet met terugwerkende kracht worden ingehaald. Conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2023:1204
  6. 25 november 2025 levering aandelen in kort geding (ECLI:NL:RBAMS:2025:10092) In kort geding kan nakoming worden gelast wanneer voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen; het verstrijken van een leveringsdatum baat de schuldenaar niet wanneer partijen de overeenkomst feitelijk bleven uitvoeren.

Verwante leerstukken

Bijgewerkt 1 september 2026