Executoriaal loonbeslag stuit verjaring door maandelijkse inning als daad van rechtsvervolging.
Vermogensrecht. Verjaring. Vordering uit hypothecaire geldlening. Hypotheekrecht uitgewonnen. Stuiting door maandelijkse inning executoriaal loonbeslag? Daad van rechtsvervolging. Art. 3:307 BW. Art. 3:316 BW. Art. 3:323 lid 3 BW.
Rechtsvraag
Is de vordering van ABN AMRO betreffende de betaling van de restschuld uit hoofde van de hypothecaire geldleningsovereenkomst verjaard, ondanks de maandelijkse inning uit hoofde van het executoriale loonbeslag?
Regel
- art. 3:307 lid 1 BW (verjaringstermijn van vijf jaar voor vorderingen uit overeenkomsten van geldlening)
- art. 3:316 lid 1 BW (stuiting van verjaring door daad van rechtsvervolging)
- art. 3:323 lid 1 BW (pand- of hypotheekrechten vervallen bij verjaring van de vordering)
- art. 3:323 lid 3 BW (verlenging van verjaringstermijn bij hypotheekrechten tot 20 jaar)
Toepassing
- art. 3:307 lid 1 BW (verjaringstermijn van vijf jaar voor vorderingen uit overeenkomsten van geldlening) De restschuld van de hypothecaire geldlening valt onder de verjaringstermijn van vijf jaar zoals bepaald in art. 3:307 lid 1 BW. Omdat het hypotheekrecht is uitgewonnen en de woning is geleverd, geldt de gewone verjaringstermijn vanaf de levering van de woning op 2 november 2012. De verjaringstermijn zou zonder stuiting op 3 november 2017 zijn voltooid.
- art. 3:316 lid 1 BW (stuiting van verjaring door daad van rechtsvervolging) De uitvoering van het executoriale loonbeslag, bestaande uit de maandelijkse inning van het door het beslag getroffen loon, wordt beschouwd als een maandelijkse daad van rechtsvervolging. Dit betekent dat de verjaring telkens wordt gestuit door deze maandelijkse inning, wat betekent dat ABN AMRO ondubbelzinnig recht op nakoming wenst en dit aan [eiser] bekend is.
- art. 3:323 lid 1 BW (pand- of hypotheekrechten vervallen bij verjaring van de vordering) Omdat het hypotheekrecht door de executoriale verkoop van de woning is uitgewonnen en tenietgegaan, is de bescherming van art. 3:323 lid 1 BW niet langer van toepassing op de restschuld. Hierdoor geldt de gewone verjaringstermijn van art. 3:307 lid 1 BW.
- art. 3:323 lid 3 BW (verlenging van verjaringstermijn bij hypotheekrechten tot 20 jaar) De verlenging van verjaringstermijn tot 20 jaar zoals bedoeld in art. 3:323 lid 3 BW is niet van toepassing op de restschuld, omdat het hypotheekrecht reeds teniet is gegaan door de executoriale verkoop van de woning.
Conclusie
De Hoge Raad concludeert dat de vordering van ABN AMRO betreffende de betaling van de restschuld niet is verjaard, omdat de maandelijkse inning uit hoofde van het executoriale loonbeslag de verjaring telkens heeft gestuit. Het principale beroep van [eiser] wordt verworpen.
Partijen en standpunten
- Eiser: [eiser]
- Gedaagde: ABN AMRO Hypotheken Groep B.V.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat de vordering waarvoor ABN AMRO loonbeslag heeft laten leggen, is verjaard.
ABN AMRO betwist de verjaring van de vordering, omdat de maandelijkse inning uit hoofde van het loonbeslag de verjaring stuit.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 2007 [eiser] en zijn toenmalige partner sloten een overeenkomst van geldlening met ABN AMRO, waarbij zij een hypotheekrecht verleenden op hun woning.
- 08-2010 Vanwege een betalingsachterstand eiste ABN AMRO de geldlening op en legde executoriaal loonbeslag ten laste van [eiser].
- 26-08-2010 Het loonbeslag werd aan [eiser] overbetekend.
- 2012 De woning werd executoriaal verkocht op grond van het hypotheekrecht.
- 02-11-2012 De woning werd geleverd en er bleef een restschuld over.
- 08-2010 Vanaf augustus 2010 hield de werkgever van [eiser] maandelijks loon in dat aan de deurwaarder werd afgedragen ter delging van de schuld aan ABN AMRO.
- 24-08-2022 De rechtbank wees de vordering van [eiser] af, waarin hij een verklaring voor recht vroeg dat de vordering van ABN AMRO was verjaard.
- 20-08-2024 Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de vordering van ABN AMRO niet was verjaard.
- 13-02-2026 [eiser] stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad verwierp het principale beroep en oordeelde dat de maandelijkse inning uit hoofde van het loonbeslag een daad van rechtsvervolging is die de verjaring stuit.