Regresvordering verjaart pas na opeisbaarheid, niet bij eerdere bekendheid met schade en aansprakelijke persoon.
Verbintenissenrecht. Regresvordering op hoofdelijk medeschuldenaar verjaard? Art. 3:310 lid 1 BW van toepassing op regresvorderingen uit hoofde van art. 6:10 BW. Vijfjarige verjaringstermijn art. 3:310 lid 1 vangt niet eerder aan dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden, ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is (vgl. HR 10 oktober 2003, LJN AF9416, NJ 2003/680). Regresvordering uit hoofde van art. 6:10 ontstaat pas indien hoofdelijk medeschuldenaar vordering voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Niet uitgesloten dat instellen regresvordering naar maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, of dat regresnemer zijn recht heeft verwerkt.
Rechtsvraag
Is de regresvordering van Achmea tegen [eiseres 1] en ASR verjaard onder toepassing van art. 3:310 BW, gezien het moment waarop de verjaringstermijn begint te lopen?
Regel
- art. 3:310 BW (verjaring van rechtsvorderingen tot schadevergoeding)
- art. 6:10 BW (hoofdelijke verbondenheid en regresvordering)
- art. 3:313 BW (opeisbaarheid van de vordering als voorwaarde voor verjaring)
Toepassing
- art. 3:310 BW (verjaring van rechtsvorderingen tot schadevergoeding) Het hof heeft overwogen dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas begint te lopen nadat de regresvordering opeisbaar is geworden, wat inhoudt dat de hoofdelijke schuldenaar meer dan zijn aandeel in de schuld heeft betaald. Het moment van bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon is niet beslissend zolang de vordering niet opeisbaar is. De Hoge Raad bevestigt dat de regresvordering een 'rechtsvordering tot vergoeding van schade' is, en dat de termijn pas begint te lopen wanneer de vordering opeisbaar is. (Rechtsoverwegingen 3.5, 3.7.1, 3.7.2)
- art. 6:10 BW (hoofdelijke verbondenheid en regresvordering) De regresvordering ontstaat pas als een hoofdelijke schuldenaar meer dan zijn interne aandeel heeft betaald. De Hoge Raad oordeelt dat de betaling een wettelijke voorwaarde is voor het ontstaan van de regresvordering, en dat de verjaringstermijn niet kan beginnen voordat de vordering daadwerkelijk is ontstaan. (Rechtsoverwegingen 3.6, 3.7.3)
- art. 3:313 BW (opeisbaarheid van de vordering als voorwaarde voor verjaring) De Hoge Raad stelt dat de verjaringstermijn niet kan beginnen voordat de vordering opeisbaar is, omdat de verjaring het gevolg is van het niet geldend maken van een reeds opeisbare vordering. Dit principe sluit aan bij art. 3:313 BW, wat vereist dat de verjaringstermijn pas begint te lopen wanneer de vordering opeisbaar is. (Rechtsoverwegingen 3.7.2, 3.7.3)
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de verjaringstermijn voor de regresvordering van Achmea pas begint te lopen nadat de vordering opeisbaar is geworden, dat wil zeggen nadat Achmea meer dan haar interne aandeel in de schuld heeft betaald. De regresvordering is dus niet verjaard.
Partijen en standpunten
- Eiser: [Eiseres 1], ASR Schadeverzekering N.V.
- Gedaagde: Achmea Schadeverzekeringen N.V.
[Eiseres 1] en ASR stellen dat de regresvordering van [betrokkene 1], waarin Achmea is gesubrogeerd, is verjaard volgens art. 3:310 BW.
Achmea stelt dat [eiseres 1] als mede-eigenaar van het paard hoofdelijk medeaansprakelijk is voor de schade en dat de vordering niet is verjaard.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 26-10-1990 Betrokkene 2, werkzaam als vrijwilliger in manege [A], werd bij de verzorging van een Fries paard door het dier tegen haar knie getrapt, wat leidde tot ernstig letsel.
- 08-09-1995 Betrokkene 2 stelde Betrokkene 1 aansprakelijk voor schade als gevolg van het ongeval met het paard.
- 01-04-1999 Betrokkene 2 dagvaardde Betrokkene 1 voor de rechtbank 's-Hertogenbosch voor de schadevergoeding.
- 15-06-2001 De rechtbank verklaarde Betrokkene 1 aansprakelijk voor de schade van Betrokkene 2.
- 07-08-2001 Achmea informeerde Eiseres 1 over het vonnis van 15 juni 2001 en stelde haar medeaansprakelijk voor de financiële gevolgen.
- Augustus 2005 Achmea en Betrokkene 2 kwamen overeen dat de totale schade € 602.335 bedroeg, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
- 20-07-2007 Achmea betaalde het restant van de schade aan Betrokkene 2 nadat Betrokkene 1 in een nieuwe procedure was veroordeeld.
- 13-02-2008 Rechtbank Utrecht deed een eerste uitspraak in zaak 240057/HA ZA 07-2159.
- 23-07-2008 Rechtbank Utrecht deed een tweede uitspraak in zaak 240057/HA ZA 07-2159.
- 02-02-2010 Het gerechtshof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Utrecht.
- 18-11-2011 De advocaat van Eiseres 1 en ASR reageerde op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal.
- 06-04-2012 De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Eiseres 1 en ASR en veroordeelde hen in de proceskosten.