Afghaanse terugkeerders uit het Westen lopen niet per definitie risico op ernstige schade bij terugkeer.
Bij besluit van 20 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. De vreemdeling heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij stelt in 2011 Afghanistan te hebben verlaten. Sinds 2015 verblijft hij in Nederland. Hij heeft eerder asielaanvragen ingediend, die allemaal zijn afgewezen. Aan zijn huidige, zesde, asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat de Taliban inmiddels de macht hebben overgenomen en dat hij vreest voor de gevolgen bij terugkeer, omdat hij voor een bouwbedrijf heeft gewerkt dat banden had met Amerikaanse bedrijven. De minister heeft de werkzaamheden van de vreemdeling geloofwaardig geacht, maar heeft niet geloofwaardig geacht dat de vreemdeling in Afghanistan problemen met de Taliban heeft ondervonden. De vreemdeling betoogt dat hij wegens zijn werkzaamheden bij een bouwbedrijf dat samen heeft gewerkt met de Amerikanen, bij terugkeer doelwit zal zijn van de Taliban.
Rechtsvraag
De centrale juridische vraag is of de vreemdeling, een Afghaanse staatsburger, bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn verblijf in het Westen en zijn eerdere werkzaamheden voor een bouwbedrijf met banden met de Amerikanen.
Regel
- art. 29, lid 1, aanhef en onder b, Vw 2000 (bescherming tegen ernstige schade)
- art. 15 Kwalificatierichtlijn (bescherming tegen ernstige schade bij terugkeer)
- art. 4 EU Handvest (recht op bescherming tegen onmenselijke of vernederende behandeling)
Toepassing
- art. 29, lid 1, aanhef en onder b, Vw 2000 (bescherming tegen ernstige schade) De Afdeling heeft overwogen dat de vreemdeling, vanwege zijn langdurige verblijf in het Westen, niet automatisch een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Afghanistan. De vreemdeling moet individuele omstandigheden aantonen die leiden tot een dergelijk risico. De minister heeft echter niet alle relevante factoren, zoals de eerdere werkzaamheden van de vreemdeling die nu door de Taliban als problematisch kunnen worden gezien, in samenhang beoordeeld. Dit is in strijd met art. 3:46 Awb. (Rechtsoverwegingen 11-11.2, 12.3)
- art. 15 Kwalificatierichtlijn (bescherming tegen ernstige schade bij terugkeer) De Afdeling heeft geoordeeld dat vreemdelingen die terugkeren naar Afghanistan geen systematisch risico lopen op een behandeling in strijd met art. 15 Kwalificatierichtlijn, tenzij zij specifieke persoonlijke omstandigheden hebben die hen in de negatieve aandacht van de Taliban brengen. De vreemdeling heeft niet voldoende bewezen dat hij door zijn verblijf in het Westen een dergelijk risico loopt, maar zijn eerdere werkzaamheden kunnen wel een risico vormen. (Rechtsoverwegingen 11-11.2, 12.3)
- art. 4 EU Handvest (recht op bescherming tegen onmenselijke of vernederende behandeling) Volgens de Afdeling is er geen bewijs dat Afghanen die terugkeren uit het Westen systematisch worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling alleen vanwege hun verblijf in het Westen. De vreemdeling moet individuele omstandigheden aantonen. De minister heeft het risico dat de vreemdeling loopt door zijn eerdere werkzaamheden en verblijf in het Westen niet voldoende meegenomen. (Rechtsoverwegingen 11-11.2, 12.3)
Conclusie
De Afdeling concludeert dat Afghanen die terugkeren naar Afghanistan na verblijf in het Westen geen groep vormen die een reëel risico op ernstige schade loopt. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege toegedichte verwestering een reëel risico op ernstige schade loopt, maar de minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zijn eerdere werkzaamheden voor een bouwbedrijf met banden met de Amerikanen geen risico vormen. Het hoger beroep is gegrond en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Partijen en standpunten
- Eiser: de vreemdeling
- Gedaagde: de minister van Asiel en Migratie
De vreemdeling stelt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan risico loopt vanwege zijn werkzaamheden voor een bouwbedrijf dat banden had met Amerikanen en vanwege zijn verblijf in het Westen.
De minister acht de werkzaamheden van de vreemdeling geloofwaardig, maar niet dat hij hierdoor problemen met de Taliban zal ondervinden bij terugkeer. Ook acht de minister het verblijf in het Westen op zichzelf onvoldoende voor een risico op ernstige schade.
Wetsartikelen
- art. 31 Vw
- art. 3 EVRM
- art. 3:46 Awb
- art. 29 lid 1 Vw
Tijdlijn
- 2011 De vreemdeling verlaat Afghanistan en reist naar Nederland.
- 2015 De vreemdeling arriveert in Nederland en dient meerdere asielaanvragen in, die allemaal worden afgewezen.
- 20-12-2022 De staatssecretaris wijst de zesde asielaanvraag van de vreemdeling af, ondanks erkenning van zijn werk voor een bouwbedrijf met Amerikaanse banden.
- 14-02-2023 De rechtbank verklaart het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond.
- na 14-02-2023 De vreemdeling stelt hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
- onbekend De staatssecretaris verstrekt nadere schriftelijke inlichtingen op verzoek van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
- onbekend De vreemdeling dient nadere stukken in ter ondersteuning van zijn hoger beroep.
- onbekend De UNHCR wordt in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan de procedure en geeft een reactie.
- 10-06-2024 De Afdeling bestuursrechtspraak behandelt de zaak ter zitting, waarbij de vreemdeling, zijn advocaat en de vertegenwoordigers van de minister aanwezig zijn. De UNHCR neemt via een videoverbinding deel.
- 20-11-2024 De Afdeling verklaart het hoger beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 20 december 2022, en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.