Gerechtvaardigde verwachtingen door toezegging bestuursorgaan moeten worden nagekomen, tenzij zwaarder wegende belangen.
Bij besluit van 18 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest besloten over te gaan tot invordering van door [wederpartij] verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 15.000,00. Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd om het met het bestemmingsplan "Soestdijkse Grachten" strijdige gebruik van een autohandelsbedrijf op het perceel [locatie] in Soest te beëindigen en beëindigd te houden. Ook is in dat besluit bepaald dat [wederpartij] na afloop van de begunstigingstermijn een dwangsom van € 5.000,00 verbeurt per maand of deel van een maand dat niet aan de last is voldaan, met een maximum van € 50.000,00. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit controles op 19 september 2019 en 30 oktober 2019 blijkt dat [wederpartij] in strijd met de last onder dwangsom een autohandelsbedrijf op het perceel had. Volgens het college betekent dit dat in september en oktober 2019 dwangsommen zijn verbeurd. Daarom heeft het college bij het besluit op bezwaar van 15 oktober 2020 besloten tot invordering van een bedrag van € 10.000,00.
Rechtsvraag
Mocht het college van burgemeester en wethouders van Soest overgaan tot invordering van dwangsommen voor overtredingen van een last onder dwangsom, gezien de gerechtvaardigde verwachtingen die bij [wederpartij] waren gewekt?
Regel
- art. 4.23, lid 1, Invoeringswet Omgevingswet (overgangsrecht bij inwerkingtreding Omgevingswet)
- art. 4:8, lid 1, Awb (zienswijze belanghebbende bij beschikking)
- art. 7:12, lid 1, Awb (motivering van besluiten)
- Vertrouwensbeginsel (gerechtvaardigde verwachtingen bij burgers)
Toepassing
- art. 4.23, lid 1, Invoeringswet Omgevingswet (overgangsrecht bij inwerkingtreding Omgevingswet) De overtreding en de last onder dwangsom zijn opgelegd vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom blijft het oude recht van toepassing, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
- art. 4:8, lid 1, Awb (zienswijze belanghebbende bij beschikking) [wederpartij] was niet in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voorafgaand aan het invorderingsbesluit. Echter, dit gebrek is hersteld in bezwaar, omdat [wederpartij] toen alsnog zijn zienswijze kon geven.
- art. 7:12, lid 1, Awb (motivering van besluiten) Het college heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat er belangen zijn die zwaarder wegen dan het belang van [wederpartij] bij nakoming van de gewekte verwachtingen.
- Vertrouwensbeginsel (gerechtvaardigde verwachtingen bij burgers) Een gemeentelijke ambtenaar heeft aan [wederpartij] toegezegd dat het college pas tot invordering zou overgaan als vijf dwangsommen waren verbeurd. Dit wekte bij [wederpartij] de gerechtvaardigde verwachting dat er nog geen invordering zou plaatsvinden voor de maanden september en oktober 2019.
Conclusie
Het hoger beroep van het college is gegrond verklaard. De rechtbank had ten onrechte het besluit van 18 juni 2020 herroepen. Het college heeft gerechtvaardigde verwachtingen gewekt bij [wederpartij] en moet in een nieuw besluit op bezwaar motiveren of er zwaarder wegende belangen zijn dan die verwachtingen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank is vernietigd voor zover het besluit van 18 juni 2020 is herroepen.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 13-03-2018 Het college legt [wederpartij] een last onder dwangsom op om het strijdige gebruik van een autohandelsbedrijf op het perceel te beëindigen volgens het bestemmingsplan 'Soestdijkse Grachten'. Bij niet-naleving wordt een dwangsom van €5.000 per maand verbeurd, met een maximum van €50.000.
- 11-07-2018 Het college verklaart het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 13 maart 2018 ongegrond en verlengt de begunstigingstermijn naar 22 augustus 2018.
- 26-02-2019 De rechtbank verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 11 juli 2018 ongegrond. [wederpartij] gaat niet in hoger beroep.
- 19-09-2019 Het college constateert dat [wederpartij] een autohandelsbedrijf op het perceel heeft in strijd met de last onder dwangsom.
- 30-10-2019 Het college voert een tweede controle uit en constateert opnieuw dat [wederpartij] het autohandelsbedrijf voortzet, wat leidt tot verbeurde dwangsommen.
- 18-06-2020 Het college besluit over te gaan tot invordering van verbeurde dwangsommen van €15.000 van [wederpartij].
- 15-10-2020 Het college verklaart het bezwaar van [wederpartij] gedeeltelijk gegrond en wijzigt het ingevorderde bedrag naar €10.000.
- 02-08-2021 De rechtbank verklaart het beroep van [wederpartij] gegrond, vernietigt het besluit van 15 oktober 2020 en herroept het besluit van 18 juni 2020.
- 09-10-2024 De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep van het college gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het besluit van 18 juni 2020 is herroepen, en bevestigt de uitspraak voor het overige.