Onvoldoende onderzoek naar geur- en geluidsoverlast leidt tot vernietiging besluit.
Bij besluit van 3 juli 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het verzoek van [appellant A] om handhavend op te treden wegens geur- en geluidsoverlast afgewezen. [appellant A] woont op het adres [locatie] te Amsterdam. [appellant A] heeft op 21 juni 2018 het college verzocht om handhavend op te treden tegen de geur- en geluidsoverlast die hij ondervindt van de voedselbereidende en cateringbedrijven in de directe nabijheid van zijn woning. Toezichthouders van de gemeente hebben naar aanleiding van het verzoek om handhaving in 2018 controles uitgevoerd. Bij besluit van 3 juli 2019 heeft het college het verzoek om handhavend optreden afgewezen, omdat ten aanzien van geur- en geluidsoverlast geen overtredingen zijn vastgesteld. [appellant A] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar op 25 januari 2021 een ingebrekestelling aan het college gestuurd. Ook heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank omdat het college volgens hem een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Bij uitspraak van 20 mei 2021 heeft de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen gegrond verklaard.
Rechtsvraag
Is het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verplicht om handhavend op te treden tegen geur- en geluidsoverlast zoals gesteld door [appellant A] en is de ingebrekestelling door [appellant A] onredelijk laat ingediend?
Regel
- Artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Geen dwangsom indien onredelijk laat in gebreke gesteld)
- Artikel 2.3a van het Activiteitenbesluit (Regels voor emissies van geurhinder)
- Artikel 3.132 van het Activiteitenbesluit (Regels voor het bereiden van voedingsmiddelen en geurhinder)
- Artikel 3.103 van de Activiteitenregeling milieubeheer (Eisen voor afvoeren van dampen en gassen bij voedselbereiding)
- Artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit (Geluidsoverlast regels)
Toepassing
- Artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Geen dwangsom indien onredelijk laat in gebreke gesteld) De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de ingebrekestelling van [appellant A] onredelijk laat is ingediend. De beslistermijn om op het bezwaar van [appellant A] te beslissen is op 25 september 2019 verstreken, en de ingebrekestelling is pas op 25 januari 2021 verstuurd, meer dan een jaar later. Er is geen bewijs dat er tussentijds contact is geweest om het college te wijzen op het verstrijken van de beslistermijn. Daarom is het college geen dwangsom verschuldigd. (Rechtsoverweging: 4.2)
- Artikel 2.3a van het Activiteitenbesluit (Regels voor emissies van geurhinder) De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de door [appellant A] gestelde overtreding van de geurhinderregels. Hoewel de voedsel- en cateringbedrijven over afzuigpijpen en ontgeuringsinstallaties beschikken, is niet vastgesteld of deze installaties doelmatig zijn. Zonder deze controles is onduidelijk of de geurhinder op een aanvaardbaar niveau is beperkt. (Rechtsoverweging: 5.1)
- Artikel 3.132 van het Activiteitenbesluit (Regels voor het bereiden van voedingsmiddelen en geurhinder) Het college heeft bij de controles in 2016 en 2017 vastgesteld dat de bedrijven beschikken over afzuigpijpen of ontgeuringsinstallaties. Echter, na het handhavingsverzoek van [appellant A] in 2018 zijn geen nieuwe controles uitgevoerd om de doelmatigheid van deze installaties te verifiรซren. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat er geen overtreding is. (Rechtsoverweging: 5.1)
- Artikel 3.103 van de Activiteitenregeling milieubeheer (Eisen voor afvoeren van dampen en gassen bij voedselbereiding) De rechtbank heeft niet onderkend dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de doelmatigheid van de ontgeuringsinstallaties en afzuigpijpen, waardoor het niet duidelijk is of de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau is beperkt. (Rechtsoverweging: 5.1)
- Artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit (Geluidsoverlast regels) Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de geluidsoverlast door laad- en losbewegingen van vrachtwagens. De controles werden uitgevoerd op niet-representatieve tijdstippen (Pasen, Koningsnacht, Dodenherdenking). Hierdoor is niet adequaat vastgesteld of er sprake is van overtreding van de geluidsoverlastregels. (Rechtsoverweging: 9)
Conclusie
Het hoger beroep van [appellant A] is gegrond. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2022 wordt vernietigd. Het besluit van het college van 8 juni 2021 wordt vernietigd en het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van [appellant A] met betrekking tot de weigering om handhavend op te treden tegen geur- en geluidsoverlast. Het college moet ook de proceskosten en het griffierecht aan [appellant A] vergoeden.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 21-06-2018 [appellant A] heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verzocht om handhavend op te treden tegen geur- en geluidsoverlast veroorzaakt door voedselbereidende en cateringbedrijven nabij zijn woning.
- 2018 Toezichthouders van de gemeente Amsterdam hebben controles uitgevoerd om de geur- en geluidsoverlast te beoordelen.
- 03-07-2019 Het college heeft het verzoek van [appellant A] om handhavend op te treden wegens geur- en geluidsoverlast afgewezen omdat er geen overtredingen zijn vastgesteld.
- 25-09-2019 De beslistermijn om op het bezwaar van [appellant A] te beslissen is verstreken.
- 25-01-2021 [appellant A] heeft een ingebrekestelling aan het college gestuurd wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar.
- 20-05-2021 De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van [appellant A] tegen het niet tijdig beslissen door het college gegrond verklaard.
- 08-06-2021 Het college heeft het bezwaar van [appellant A] ongegrond verklaard en de ingebrekestelling als onredelijk laat ingediend aangemerkt.
- 16-03-2022 De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van [appellant A] tegen het besluit van 8 juni 2021 ongegrond verklaard.
- 20-03-2024 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak in hoger beroep behandeld, waarbij [appellant A], bijgestaan door mr. C. Lubben, en het college, vertegenwoordigd door mr. M van Looij en J.F. Kruijt, zijn verschenen.
- 12-06-2024 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van [appellant A] gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2022 vernietigd, en het besluit van 8 juni 2021 vernietigd. Het college moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van [appellant A].