Niet tijdig beslissen op bezwaar leidt tot dwangsom van € 500 per dag, max € 75.000.

Raad van State · 27 mei 2024 · Eerste aanleg - enkelvoudig,Mondelinge uitspraak · Bestuursrecht

Bij besluit van 7 juni 2018 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen scootmobielbergingen op het Willem Dreespark in Den Haag afgewezen. Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 augustus 2020 heeft de rechtbank Den Haag het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 18 december 2018 vernietigd, voor zover dat ziet op de handhaving ten aanzien van twee scootmobielbergingen waarvan de omgevingsvergunning is ingetrokken en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Rechtsvraag

Heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag onrechtmatig gehandeld door niet tijdig een nieuw besluit op bezwaar te nemen naar aanleiding van de eerdere uitspraken van de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State?

Regel

  • art. 6:2, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelijkgesteld met een besluit)
  • art. 4:17, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Dwangsom bij niet tijdig beslissen)
  • art. 7:10, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar)

Toepassing

  • art. 6:2, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelijkgesteld met een besluit) Het college heeft nagelaten binnen de gestelde termijn een nieuw besluit op bezwaar te nemen, ondanks eerdere uitspraken van de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak. Dit nalaten wordt volgens art. 6:2 Awb gelijkgesteld met een besluit, wat het mogelijk maakt om hiertegen beroep in te stellen.
  • art. 4:17, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Dwangsom bij niet tijdig beslissen) De Afdeling bestuursrechtspraak heeft bepaald dat het college een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het nieuwe besluit op bezwaar uitblijft. Dit is gebaseerd op art. 4:17 Awb, dat voorziet in een dwangsomregeling bij niet tijdig beslissen.
  • art. 7:10, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar) Het college heeft niet voldaan aan de verplichting om binnen de gestelde termijn van zes weken een besluit op bezwaar te nemen, zoals voorgeschreven door art. 7:10 Awb. Dit heeft geleid tot de vernietiging van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit.

Conclusie

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar vernietigd. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is opgedragen om binnen zes weken een besluit op bezwaar te nemen en is tevens veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 500,00 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 75.000,00.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 07-06-2018 Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wijst het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen scootmobielbergingen op het Willem Dreespark af.
  2. 18-12-2018 Het college verklaart het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van 7 juni 2018 ongegrond.
  3. 07-08-2020 De rechtbank Den Haag verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 december 2018 gegrond, vernietigt het besluit voor zover het ziet op de handhaving van twee scootmobielbergingen waarvan de omgevingsvergunning is ingetrokken, en draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
  4. 13-09-2021 De rechtbank Den Haag verklaart het beroep van [appellant] tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar gegrond, draagt het college op binnen twee weken een nieuwe beslissing te nemen, en legt een dwangsom op van € 100,00 per dag met een maximum van € 15.000,00.
  5. 15-09-2021 De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2020 gegrond, vernietigt de uitspraak voor zover aangevallen, en vernietigt het besluit van 18 december 2018. De Afdeling bepaalt dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
  6. 07-03-2023 De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep van [appellant] tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar kennelijk gegrond, draagt het college op binnen vier weken een besluit te nemen, en legt een dwangsom op van € 250,00 per dag met een maximum van € 37.500,00.
  7. 27-05-2024 De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, draagt het college op binnen zes weken een besluit te nemen, en legt een dwangsom op van € 500,00 per dag met een maximum van € 75.000,00. Tevens gelast de Afdeling dat het college het door [appellant] betaalde griffierecht van € 184,00 vergoedt.