[Belanghebbendheid vereist feitelijke gevolgen van enige betekenis voor handhavingsverzoeken.]

Raad van State ยท 15 mei 2024 ยท Hoger beroep ยท Bestuursrecht

Bij besluit van 10 februari 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het verzoek van [partij A] en anderen om handhaving van de natuurvergunning van de Efteling niet in behandeling genomen voor zover het verzoek is ingediend door [partij F] en afgewezen voor zover het is ingediend namens de overige omwonenden. Deze zaak gaat over een verzoek om handhaving dat omwonenden van de Efteling hebben gedaan. De Efteling bestaat uit een attractiepark, verschillende verblijfsrecreatieve voorzieningen (hotels en vakantieparken), een golfbaan en parkeerterreinen. De Efteling wordt ontsloten via de N261. Ten oosten van de Efteling, aan de overzijde van de N261, ligt het Natura 2000-gebied "Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen". [partij A] en anderen hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen de Efteling, omdat de Efteling haar natuurvergunning niet naleeft. De Efteling heeft volgens hen in 2017, 2018 en 2019 meer dan 5 miljoen bezoekers per jaar gehad. De overschrijding van het toegestane bezoekersaantal heeft volgens de omwonenden tot een overschrijding van de toegestane stikstofdepositie van 15,15 mol N/ha/jaar geleid.

Rechtsvraag

Was [partij F] een belanghebbende bij het verzoek om handhaving van de natuurvergunning van de Efteling en was het college gerechtigd om het verzoek van de overige omwonenden af te wijzen op basis van onevenredigheid en concreet zicht op legalisatie?

Regel

  • art. 1:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (definitie van belanghebbende)
  • art. 6:19, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (beroep van rechtswege tegen een besluit)
  • art. 8:69a, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (relativiteitsvereiste)

Toepassing

  • art. 1:2, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (definitie van belanghebbende) De Afdeling beoordeelde of [partij F] feitelijke gevolgen ondervond van de exploitatie van de Efteling. Hoewel hij geluiden van het attractiepark kon horen, was het verkeerslawaai bij zijn woning maatgevend en dus ondervond hij geen gevolgen van enige betekenis. De Afdeling overwoog verder dat de geringe toename van Eftelingverkeer op de N261 geen waarneembare toename van het geluid bij zijn woning zou veroorzaken.
  • art. 6:19, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (beroep van rechtswege tegen een besluit) De besluiten van 1 oktober 2021 en 10 mei 2022 waren van rechtswege aan beroep onderhevig vanwege eerdere besluiten van de rechtbank. Omdat de basis voor deze besluiten was komen te vervallen, vernietigde de Afdeling deze besluiten.
  • art. 8:69a, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (relativiteitsvereiste) De Afdeling oordeelde dat de belangen van [partij A] en anderen niet voldoende verweven waren met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, omdat hun woningen te ver van het Natura 2000-gebied lagen. Hierdoor kon hun beroep op de bepalingen van de Wnb niet slagen.

Conclusie

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State concludeerde dat [partij F] geen belanghebbende was bij het handhavingsverzoek en dat de overige omwonenden niet konden slagen in hun beroep op de Wnb. De hoger beroepen van het college en Efteling B.V. werden gegrond verklaard, en de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant werden vernietigd.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 30-08-2016 Aan de Efteling is een natuurvergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. In deze vergunning is uitgegaan van een maximaal bezoekersaantal van 5 miljoen per jaar en een stikstofdepositie van 15,15 mol N/ha/jaar.
  2. 2017 De Efteling heeft in het jaar 2017 meer dan 5 miljoen bezoekers ontvangen, wat volgens omwonenden heeft geleid tot een overschrijding van de toegestane stikstofdepositie.
  3. 2018 De Efteling heeft in het jaar 2018 meer dan 5 miljoen bezoekers ontvangen, wat volgens omwonenden heeft geleid tot een overschrijding van de toegestane stikstofdepositie.
  4. 2019 De Efteling heeft in het jaar 2019 meer dan 5 miljoen bezoekers ontvangen, wat volgens omwonenden heeft geleid tot een overschrijding van de toegestane stikstofdepositie.
  5. 10-02-2020 Het college heeft het verzoek van [partij A] en anderen om handhaving van de natuurvergunning van de Efteling niet in behandeling genomen voor zover het verzoek is ingediend door [partij F] en afgewezen voor zover het is ingediend namens de overige omwonenden.
  6. 23-10-2020 Het college heeft het bezwaar van [partij A] en anderen niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is ingediend namens [partij F] en gegrond verklaard voor zover het is ingediend namens de andere omwonenden. Het besluit van 10 februari 2020 is met een gewijzigde motivering in stand gelaten.
  7. 29-07-2021 De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld een in de uitspraak geconstateerd gebrek aan het besluit van 10 februari 2020 te herstellen.
  8. 01-10-2021 Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 10 februari 2020 met een gewijzigde motivering in stand gelaten.
  9. 28-01-2022 De rechtbank heeft het beroep van [partij A] en anderen gegrond verklaard, de besluiten van 23 oktober 2020 en 1 oktober 2021 vernietigd, het besluit van 10 februari 2020 herroepen en het college opgedragen om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op het handhavingsverzoek.
  10. 10-05-2022 Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank alsnog aan Efteling B.V. een last onder dwangsom opgelegd.
  11. 17-04-2024 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak op zitting behandeld. Het college, vertegenwoordigd door mr. S.J. van Winzum en mr. D. Oostvogels, en Efteling B.V., vertegenwoordigd door mr. H. Witbreuk, ir. M.T. Dijkstra en C.J.A. Boogerd Msc, waren aanwezig. Verder zijn [partij A] en anderen, vertegenwoordigd door H.R. [partij D] en F. van der Pas, als partij gehoord.
  12. 15-05-2024 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de hoger beroepen van Efteling B.V. en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant gegrond verklaard. De tussenuitspraak en de einduitspraak van de rechtbank zijn vernietigd. Het beroep van [partij A] en anderen tegen het besluit van 23 oktober 2020 is ongegrond verklaard. De besluiten van 1 oktober 2021 en 10 mei 2022 zijn vernietigd. Het college moet de proceskosten van Efteling B.V. vergoeden en het griffierecht aan Efteling B.V. terugbetalen.