Onverbindende planregel zonder beleidswijziging kan omgevingsvergunning niet ongeldig maken.

Raad van State ยท 6 september 2023 ยท Hoger beroep ยท Bestuursrecht; Omgevingsrecht

Bij besluit van 11 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan BRECOD een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een woontoren op het perceel aan het Maanplein 110 in Den Haag en het uitbreiden van de parkeergarage, behorend bij Maanplein 128 tot en met 133. BRECOD heeft omgevingsvergunning gevraagd voor het realiseren van een woongebouw in de vorm van een woontoren met 183 woningen, 300 m2 detailhandel, 299 m2 maatschappelijke diensteverlening en een parkeergarage aan het Maanplein 110 in Den Haag, en voor de uitbreiding van de parkeergarage, behorend bij Maanplein 128 tot en met 133. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten "bouwen" en "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening" als is bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Met die laatste activiteit heeft het college gebruik gemaakt van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid uit het bestemmingsplan "Omgevingsplan Binkchorst" en toegestaan dat de woontoren een hoogte van 73,1 m in plaats van de maximaal toegestane bouwhoogte van 70 m krijgt.

Rechtsvraag

Is het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een woontoren op het Maanplein 110 in Den Haag rechtmatig, gezien de bezwaren van [appellant sub 3] met betrekking tot de verbindendheid van planregels, de toepassing van een binnenplanse afwijking en andere relevante juridische en planologische kwesties?

Regel

  • Art. 2.1, lid 1, onder a en c, Wabo (Omgevingsvergunning voor bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening)
  • Art. 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 2o, Wabo (Afwijken van planregels)
  • Art. 7.2.2, planregels Omgevingsplan Binckhorst (Regels over bouwhoogte en bezonning)
  • Art. 23, planregels Omgevingsplan Binckhorst (Saldering en afwijkingen van bouwhoogte)
  • Art. 8:69a Awb (Relativiteitsvereiste)
  • Art. 1.6a Chw (Geen nieuwe beroepsgronden na beroepstermijn)

Toepassing

  • Art. 2.1, lid 1, onder a en c, Wabo (Omgevingsvergunning voor bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor activiteiten 'bouwen' en 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening'. Dit omvat het gebruik van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om de hoogte van de woontoren te verhogen tot 73,1 meter, wat boven de toegestane bouwhoogte van 70 meter is. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd omdat de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid onvoldoende was gemotiveerd.
  • Art. 2.12, lid 1, aanhef en onder a, onder 2o, Wabo (Afwijken van planregels) Afwijking van de planregels over de bezonning is toegepast, maar de rechtbank oordeelde dat de toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid onvoldoende was gemotiveerd.
  • Art. 7.2.2, planregels Omgevingsplan Binckhorst (Regels over bouwhoogte en bezonning) De rechtbank overwoog dat artikel 7.2.2, onder a, verbindend is, maar dat de motivering van het hoogteaccent onvoldoende was. Artikel 7.2.2, onder b, werd als evident onverbindend beschouwd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Artikel 7.2.2, onder d, over bezonning, was niet van toepassing op de belangen van [appellant sub 3] vanwege de afstand tot zijn woning.
  • Art. 23, planregels Omgevingsplan Binckhorst (Saldering en afwijkingen van bouwhoogte) Het college heeft een binnenplanse afwijking toegepast om de bouwhoogte te verhogen. De rechtbank vond dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van een onaanvaardbare aantasting van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  • Art. 8:69a Awb (Relativiteitsvereiste) De rechtbank paste het relativiteitsvereiste toe en oordeelde dat de normen van de Wet natuurbescherming en het Haags bezonningsbeleid niet strekken tot de bescherming van de belangen van [appellant sub 3], omdat zijn woning te ver van de locatie ligt.
  • Art. 1.6a Chw (Geen nieuwe beroepsgronden na beroepstermijn) Nieuwe gronden die [appellant sub 3] na de beroepstermijn aanvoerde, werden door de Afdeling niet inhoudelijk besproken, omdat dit in strijd is met artikel 1.6a Chw.

Conclusie

De hoger beroepen zijn ongegrond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 7.2.2, onder a, van de planregels verbindend is, en dat het besluit van het college onvoldoende gemotiveerd was ten aanzien van het hoogteaccent en de toepassing van binnenplanse afwijkingen. Het besluit van 30 november 2022, dat uitvoering geeft aan de uitspraak van de rechtbank, is rechtmatig, omdat het college daarin de motivering heeft aangevuld zoals vereist.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 11-12-2020 Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan BRECOD voor het realiseren van een woontoren en het uitbreiden van een parkeergarage aan het Maanplein 110 in Den Haag.
  2. 14-07-2021 Het college verklaart het bezwaar van [appellant sub 3] tegen de omgevingsvergunning ongegrond.
  3. 19-07-2022 De rechtbank verklaart het beroep van [appellant sub 3] gegrond, vernietigt het besluit van 14 juli 2021 en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.
  4. 30-11-2022 Het college verklaart opnieuw het bezwaar van [appellant sub 3] tegen het besluit van 11 december 2020 ongegrond.
  5. 27-02-2023 De zitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vindt plaats, waarbij alle partijen, inclusief de staatsraad advocaat-generaal, aanwezig zijn.
  6. 05-04-2023 De staatsraad advocaat-generaal neemt een conclusie over de kwestie, die betrekking heeft op de exceptieve toetsing van planregels met open normen.
  7. 06-09-2023 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doet uitspraak in hoger beroep. De hoger beroepen van het college, BRECOD en [appellant sub 3] worden ongegrond verklaard. Tevens wordt het beroep tegen het besluit van 30 november 2022 ongegrond verklaard.