Openbaar vaarwater maakt perceel niet tot achtererfgebied voor omgevingsvergunning.

Raad van State ยท 7 oktober 2020 ยท Hoger beroep ยท Bestuursrecht

Bij besluit van 19 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren de mondeling op 16 oktober 2018 opgelegde bouwstop, wegens het bouwen zonder omgevingsvergunning van een erfafscheiding en een schuur op het perceel [locatie] te Loosdrecht, schriftelijk bevestigd. Bij dit besluit heeft het college [appellanten] gelast de stilgelegde werkzaamheden te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom van โ‚ฌ 20.000,00 ineens. De vraag die centraal staat in dit geschil is of voor de schuur en de erfafscheiding een omgevingsvergunning nodig is. De

Rechtsvraag

Is er voor de schuur en de erfafscheiding op het perceel van [appellanten] een omgevingsvergunning vereist, gezien de situering in het achtererfgebied zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor)?

Regel

  • art. 1, eerste lid, van bijlage II, Besluit omgevingsrecht (Bor) (definitie van achtererfgebied en openbaar toegankelijk gebied)

Toepassing

  • art. 1, eerste lid, van bijlage II, Besluit omgevingsrecht (Bor) (definitie van achtererfgebied en openbaar toegankelijk gebied) De rechtbank heeft bepaald dat de schuur en de erfafscheiding omgevingsvergunningplichtig zijn omdat zij niet in het achtererfgebied liggen. Dit komt doordat de zuidzijde van het perceel wordt doorkruist door openbaar toegankelijk gebied, namelijk openbaar vaarwater. Het water op de zuidzijde maakt deel uit van het openbaar plassengebied Loosdrecht en ligt in open verbinding met de Vuntusplas, waar scheepvaart en pleziervaart zijn toegestaan. Dit maakt het water openbaar toegankelijk en daarmee is het gebied niet aan te merken als achtererfgebied. Of het water daadwerkelijk bevaren wordt, is niet van belang voor de definitie van openbaar vaarwater volgens het Bor. Daarom is [appellanten]'s betoog dat het water geen openbaar vaarwater is, ongegrond. (Rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2)

Conclusie

Het hoger beroep is ongegrond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een omgevingsvergunning nodig is voor de schuur en de erfafscheiding, aangezien ze niet in het achtererfgebied liggen door de aanwezigheid van openbaar vaarwater. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Tijdlijn

  1. 16-10-2018 Toezichthouders van de gemeente brachten een bezoek aan het perceel [locatie] te Loosdrecht na een melding van een omwonende. Tijdens dit bezoek werd mondeling een bouwstop opgelegd vanwege het bouwen zonder omgevingsvergunning van een erfafscheiding en een schuur.
  2. 19-10-2018 Het college bevestigde schriftelijk de op 16 oktober 2018 mondeling opgelegde bouwstop en legde een dwangsom van โ‚ฌ 20.000,00 op voor het staken van de bouwactiviteiten.
  3. 21-02-2019 Het college verklaarde het bezwaar van [appellanten] tegen de bouwstop ongegrond.
  4. 03-05-2019 Het college verleende een omgevingsvergunning aan [appellanten] voor het legaliseren van de erfafscheiding.
  5. 07-06-2019 Het college verleende een omgevingsvergunning aan [appellanten] voor het legaliseren van de schuur.
  6. 22-07-2019 Het college hief de bouwstop op.
  7. 04-02-2020 De rechtbank verklaarde het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 21 februari 2019 ongegrond.
  8. 23-09-2020 De zaak werd ter zitting behandeld waar [appellant B], bijgestaan door een advocaat, en het college vertegenwoordigd door A.E.J. Debie verschenen.
  9. 07-10-2020 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat de schuur en erfafscheiding omgevingsvergunningplichtig zijn, en verklaarde het hoger beroep ongegrond.