Bevoegdheid tot opruimen van wrakken ligt bij de waterstaatkundig beheerder volgens de Waterwet.
Bij brief van 30 maart 2017 heeft het college aan [wederpartij] mededeling gedaan van het besluit van 29 maart 2017 dat de schepen in de Marshaven, aan de [locatie 1] in Zutphen, zullen worden opgeruimd.
Rechtsvraag
Was het college van burgemeester en wethouders van Zutphen bevoegd om de gezonken schepen in de Marshaven op te ruimen op grond van de Wrakkenwet?
Regel
- art. 1, eerste lid, Wrakkenwet (beheerder van het water is bevoegd om gezonken vaartuigen op te ruimen)
- art. 2.1, Waterwet (de toepassing van de wet is gericht op waterkwaliteit, waterkwantiteit en maatschappelijke functies van watersystemen)
- art. 3.2, eerste lid, Waterregeling (het waterstaatkundig beheer van rijkswateren berust bij het Rijk)
- art. 2, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet (SvW) (het bevoegd gezag voor scheepvaartwegen)
Toepassing
- art. 1, eerste lid, Wrakkenwet (beheerder van het water is bevoegd om gezonken vaartuigen op te ruimen) De rechtbank heeft vastgesteld dat voor de vraag of het college bevoegd was om de schepen op te ruimen, het van belang is of het college de beheerder is in de zin van de Wrakkenwet. Omdat de Wrakkenwet zelf niet aangeeft welk bestuursorgaan voor welk water de beheerder is, heeft de rechtbank gekeken naar andere wettelijke voorschriften zoals de Waterwet en de SvW om te bepalen wie de beheerder is.
- art. 2.1, Waterwet (de toepassing van de wet is gericht op waterkwaliteit, waterkwantiteit en maatschappelijke functies van watersystemen) De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het opruimen van de schepen aansluit bij de doeleinden van de Waterwet, namelijk het voorkomen van watervervuiling en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Dit betekent dat het beheer van de Marshaven onder de Waterwet valt, en dus onder het beheer van Rijkswaterstaat.
- art. 3.2, eerste lid, Waterregeling (het waterstaatkundig beheer van rijkswateren berust bij het Rijk) Op de kaart in bijlage IV bij de Waterregeling is aangegeven wat de begrenzing is van het beheer door het Rijk. Omdat op deze kaart geen ander, niet tot het Rijk behorend overheidslichaam is vermeld, is vastgesteld dat het waterstaatkundig beheer van de Marshaven bij het Rijk berust.
- art. 2, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet (SvW) (het bevoegd gezag voor scheepvaartwegen) De Marshaven is voor openbaar scheepvaartverkeer toegankelijk en valt daarom onder de definitie van een scheepvaartweg volgens de SvW. Dit betekent dat Rijkswaterstaat de beheerder is, tenzij het vaarwegbeheer afzonderlijk aan het college is toegekend, wat hier niet het geval is.
Conclusie
De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het college van burgemeester en wethouders van Zutphen niet de beheerder is van de Marshaven in de zin van de Wrakkenwet en dus niet bevoegd was om over te gaan tot opruiming van de wrakken. Het hoger beroep van het college is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd.
Tijdlijn
- 30-03-2017 Het college heeft aan [wederpartij] mededeling gedaan van het besluit van 29 maart 2017 dat de schepen in de Marshaven, Zutphen, zullen worden opgeruimd.
- 21-07-2017 Het college heeft het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2017 ongegrond verklaard.
- 19-10-2018 De rechtbank Gelderland heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard, het besluit van 21 juli 2017 vernietigd en het besluit van 30 maart 2017 herroepen.
- [19-10-2018] Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 oktober 2018.
- [datum onbekend] [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven in reactie op het hoger beroep van het college.
- 05-07-2019 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak ter zitting behandeld, waar het college en [wederpartij] zijn verschenen.
- 18-09-2019 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitspraak gedaan en het hoger beroep van het college ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [wederpartij] en betaling van het griffierecht.