Feitelijk gebruik voertuig bepaalt toepassing parkeerverbod in APV.

Raad van State ยท 6 juni 2014 ยท Voorlopige voorziening+bodemzaak ยท Bestuursrecht

Bij besluit van 28 juni 2013 heeft het dagelijks bestuur geweigerd [appellant] een ontheffing te verlenen van het verbod om een voertuig dat hoofdzakelijk voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te parkeren op of aan de weg.

Rechtsvraag

Is artikel 4.25, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) van toepassing op de camper van [appellant] en heeft het dagelijks bestuur terecht geweigerd om een ontheffing te verlenen op grond van die bepaling?

Regel

  • art. 8:51d, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (herstelfunctie bij gebrekkige besluiten)
  • art. 4.25, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) (verbod om voertuigen die hoofdzakelijk voor andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt langer dan drie dagen te parkeren)
  • art. 4.25, tweede lid, APV (ontheffing van het verbod om voertuigen langer dan drie dagen te parkeren)
  • art. 26, tweede lid, Verordening op de stadsdelen (overdracht van bevoegdheden aan dagelijks bestuur stadsdelen)
  • art. 3, eerste en tweede lid, Verordening op de bestuurscommissies 2013 (samenstelling bestuurscommissie stadsdelen)
  • art. 24, eerste en tweede lid, Verordening op de bestuurscommissies 2013 (bevoegdheden algemeen bestuur stadsdeel)

Toepassing

  • art. 8:51d, Algemene wet bestuursrecht (Awb) (herstelfunctie bij gebrekkige besluiten) De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het algemeen bestuur opgedragen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door te onderzoeken of de camper van [appellant] hoofdzakelijk voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt. Dit is gebaseerd op de herstelfunctie van artikel 8:51d van de Awb.
  • art. 4.25, eerste lid, Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) (verbod om voertuigen die hoofdzakelijk voor andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt langer dan drie dagen te parkeren) De voorzitter heeft beoordeeld dat artikel 4.25, eerste lid, van de APV van toepassing is op voertuigen die hoofdzakelijk voor andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt. Dit houdt in dat er naar het feitelijk gebruik van het voertuig moet worden gekeken. De voorzieningenrechter had niet onderkend dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet heeft onderzocht of [appellant] zijn camper hoofdzakelijk voor verkeersdoeleinden gebruikt.
  • art. 4.25, tweede lid, APV (ontheffing van het verbod om voertuigen langer dan drie dagen te parkeren) Het dagelijks bestuur heeft geweigerd de ontheffing te verlenen omdat de camper van [appellant] volgens hen valt onder het verbod in artikel 4.25, eerste lid, van de APV. Echter, omdat het dagelijks bestuur niet heeft onderzocht of de camper hoofdzakelijk voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt, is het besluit onvolledig. De voorzitter heeft bepaald dat [appellant] voorlopig behandeld moet worden alsof hij de ontheffing heeft totdat er een einduitspraak is gedaan.
  • art. 26, tweede lid, Verordening op de stadsdelen (overdracht van bevoegdheden aan dagelijks bestuur stadsdelen) De bevoegdheid om ontheffing te verlenen is gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen, zoals vastgelegd in de Verordening op de stadsdelen.
  • art. 3, eerste en tweede lid, Verordening op de bestuurscommissies 2013 (samenstelling bestuurscommissie stadsdelen) De bestuurscommissie van elk stadsdeel bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter, die de bevoegdheden uitoefenen zoals vastgelegd in de verordening.
  • art. 24, eerste en tweede lid, Verordening op de bestuurscommissies 2013 (bevoegdheden algemeen bestuur stadsdeel) Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie oefent de overgedragen of gemandateerde bevoegdheden uit, waaronder de bevoegdheid om ontheffing te verlenen zoals vastgelegd in bijlage 3 van de verordening.

Conclusie

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geconcludeerd dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet heeft onderzocht of de camper van [appellant] hoofdzakelijk voor verkeersdoeleinden wordt gebruikt. Het algemeen bestuur moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen waarbij dit wordt onderzocht. Tot die tijd wordt [appellant] behandeld alsof hij een ontheffing heeft.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 28-06-2013 Het dagelijks bestuur van stadsdeel Nieuw-West weigert [appellant] een ontheffing te verlenen van het verbod om een voertuig dat hoofdzakelijk voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te parkeren op of aan de weg.
  2. 26-11-2013 Het dagelijks bestuur verklaart het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de weigering van de ontheffing ongegrond.
  3. 08-04-2014 De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaart het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 26 november 2013 ongegrond.
  4. 08-04-2014 [appellant] stelt hoger beroep in tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2014.
  5. 08-04-2014 [appellant] verzoekt tevens de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen.
  6. 08-05-2014 De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt het verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting. Bij de zitting zijn [appellant] en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. C.M. Delstra, aanwezig.
  7. 06-06-2014 De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doet een tussenuitspraak waarin het algemeen bestuur wordt opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in de uitspraak. Tevens wordt bepaald dat [appellant] voorlopig wordt behandeld als ware hij in het bezit van een ontheffing voor zijn camper tot de einduitspraak is gedaan in de hoofdzaak.