Afwijken van negatief welstandsoordeel mag op basis van individuele omstandigheden, niet alleen algemeen belang.

Raad van State ยท 22 januari 2014 ยท Hoger beroep ยท Bestuursrecht

Bij besluit van 21 november 2011 heeft het college het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het gedeeltelijk vervangen van het dak en de dakgoten van de woning op het perceel [locatie] te Leeuwarden (hierna: het perceel) afgewezen.

Rechtsvraag

Mocht het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden afwijken van het negatieve welstandsoordeel en toch een omgevingsvergunning verlenen voor het gedeeltelijk vervangen van het dak en de dakgoten van de woning van [vergunninghouder]?

Regel

  • art. 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (Weigering omgevingsvergunning bij strijd met redelijke eisen van welstand, tenzij bevoegd gezag anders oordeelt)

Toepassing

  • art. 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, Wabo (Weigering omgevingsvergunning bij strijd met redelijke eisen van welstand, tenzij bevoegd gezag anders oordeelt) De Afdeling overweegt dat uit de tekst van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo niet kan worden afgeleid dat het college slechts op grond van overwegingen van algemeen belang mag afwijken van een negatief welstandsoordeel. De geschiedenis van de totstandkoming van het artikel ondersteunt dit ook niet. Het college heeft in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het negatieve welstandsoordeel, gebaseerd op het gewekte vertrouwen bij de vergunninghouder dat geen omgevingsvergunning nodig was, en de afwezigheid van een bouwstop ondanks inspecties. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat alleen overwegingen van algemeen belang afwijking zouden rechtvaardigen. (Rechtsoverwegingen 4.1, 4.2, 5.1, 5.5)

Conclusie

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State concludeert dat het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de omgevingsvergunning moest worden verleend, ondanks dat het bouwplan in strijd was met redelijke eisen van welstand. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond, terwijl het hoger beroep van het college gegrond is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het besluit van 11 mei 2012 (besluit B).

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 01-08-2011 Het college heeft [vergunninghouder] en [appellant sub 1] meegedeeld dat voor het gedeeltelijk vervangen van het dak en de dakgoten van de woning op het perceel geen omgevingsvergunning is vereist.
  2. 21-11-2011 Het college heeft het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen het gedeeltelijk vervangen van het dak en de dakgoten afgewezen.
  3. 19-12-2011 Het college heeft aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk vervangen van het dak en de dakgoten van de woning.
  4. 11-05-2012 Het college heeft de bezwaren van [appellant sub 1] tegen de besluiten van 21 november 2011 en 19 december 2011 ongegrond verklaard (besluiten A en B).
  5. 22-01-2013 De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] gegrond verklaard en het besluit van 19 december 2011 vernietigd. Het besluit van 21 november 2011 bleef in stand.
  6. 03-10-2013 Mondelinge behandeling van de hoger beroepen van [appellant sub 1] en het college door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  7. 22-01-2014 De Afdeling verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond en dat van het college gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zaaknr. 12/1425 en verklaart het beroep tegen besluit B alsnog ongegrond.