Gemeentelijke softdrugsverboden dupliceren Opiumwet en missen verbindende kracht.

Raad van State Β· 13 juli 2011 Β· Hoger beroep Β· Bestuursrecht

Bij besluit van 27 november 2008 heeft de stadsdeelvoorzitter van het stadsdeel Oud-Zuid (thans: stadsdeel Zuid) het verzoek van [appellant] en anderen van 27 augustus 2008 om de kinderspeelplaats in de Hemonystraat aan te wijzen als gebied waar een softdrugsverbod geldt, afgewezen.

Rechtsvraag

Is de burgemeester van Amsterdam bevoegd om op grond van artikel 2.17, vijfde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 een kinderspeelplaats aan te wijzen als gebied waar een softdrugsverbod geldt?

Regel

  • art. 3, Opiumwet (verbod op het aanwezig hebben van middelen op lijst II, waaronder softdrugs)
  • art. 11, Opiumwet (straf op overtreding van art. 3 Opiumwet)
  • art. 2.17, vijfde lid, Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (verbod op gebruik of openlijk voorhanden hebben van softdrugs op door de burgemeester aangewezen wegen)
  • art. 6.1, APV (straf op overtreding van het softdrugsverbod in APV)

Toepassing

  • art. 3, Opiumwet (verbod op het aanwezig hebben van middelen op lijst II, waaronder softdrugs) De Afdeling oordeelt dat het gebruik van softdrugs strafbaar is op grond van de Opiumwet omdat dit het aanwezig hebben ervan impliceert. Dit oordeel wordt ondersteund door de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3 van de Opiumwet, waarin 'aanwezig hebben' ook het 'aanwenden' van softdrugs omvat.
  • art. 11, Opiumwet (straf op overtreding van art. 3 Opiumwet) Overtreding van het verbod op het aanwezig hebben van softdrugs is reeds strafbaar gesteld op grond van artikel 11 van de Opiumwet.
  • art. 2.17, vijfde lid, Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (verbod op gebruik of openlijk voorhanden hebben van softdrugs op door de burgemeester aangewezen wegen) De Afdeling stelt dat het gebruik en het openlijk voorhanden hebben van softdrugs reeds verboden zijn op grond van de Opiumwet, waardoor er geen ruimte is voor gemeentelijke bepalingen die deze voorschriften dupliceren.
  • art. 6.1, APV (straf op overtreding van het softdrugsverbod in APV) Omdat de handelingen reeds strafbaar zijn onder de Opiumwet, mist de gemeentelijke strafbepaling verbindende kracht. De burgemeester was dus niet bevoegd een gebied aan te wijzen onder deze bepaling.

Conclusie

De Afdeling concludeert dat artikel 2.17, vijfde lid, van de APV in strijd is met de Opiumwet en daarom onverbindend is. De burgemeester was niet bevoegd om de kinderspeelplaats aan te wijzen als gebied waar een softdrugsverbod geldt. Het hoger beroep is gegrond, en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 27-08-2008 [appellant] en anderen verzoeken de burgemeester van Amsterdam om de kinderspeelplaats in de Hemonystraat aan te wijzen als gebied waar een softdrugsverbod geldt vanwege overlast door blowende jongeren.
  2. 27-11-2008 De stadsdeelvoorzitter van stadsdeel Oud-Zuid wijst het verzoek van [appellant] en anderen om de kinderspeelplaats aan te wijzen als gebied met een softdrugsverbod af.
  3. 16-12-2008 Er wordt een bewonersavond gehouden door de gemeente Amsterdam om de problematiek rondom het softdrugsgebruik op de kinderspeelplaats te bespreken.
  4. 11-05-2009 De bezwaarschriftencommissie adviseert de burgemeester om het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek voor een softdrugsverbod ongegrond te verklaren.
  5. 14-05-2009 De burgemeester besluit het bezwaar van [appellant] en anderen tegen de afwijzing van het verzoek voor een softdrugsverbod ongegrond te verklaren.
  6. 03-09-2010 De rechtbank Amsterdam verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de burgemeester ongegrond.
  7. 13-10-2010 [appellant] en anderen dienen een hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
  8. 18-04-2011 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State houdt een zitting over het hoger beroep van [appellant] en anderen.
  9. 13-07-2011 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en het besluit van de burgemeester, herroept het besluit van 27 november 2008 en wijst het verzoek van [appellant] en anderen af omdat de burgemeester niet bevoegd is om de kinderspeelplaats aan te wijzen als gebied met een softdrugsverbod.