Bestuursdwang bij aantreffen handelshoeveelheid harddrugs vereist geen persoonlijke verwijtbaarheid exploitant.
Bij besluit van 6 februari 2003 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de onmiddellijke sluiting bevolen van de voor het publiek toegankelijke inrichting aan de [locatie] te [plaats].
Rechtsvraag
Is de burgemeester van Amsterdam bevoegd om de sluiting van een horecagelegenheid te bevelen op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, ondanks dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne gering is en de sluiting aanzienlijke financiële gevolgen heeft voor de exploitanten?
Regel
- art. 13b, eerste lid, Opiumwet (bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang bij aanwezigheid van drugs in voor publiek toegankelijke lokalen)
- art. 6 en 7 EVRM (recht op een eerlijk proces en legaliteitsbeginsel bij punitieve sancties)
Toepassing
- art. 13b, eerste lid, Opiumwet (bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang bij aanwezigheid van drugs in voor publiek toegankelijke lokalen) De rechtbank oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om bestuursdwang toe te passen, omdat er meer dan 0,5 gram cocaïne was aangetroffen, wat als handelshoeveelheid geldt. Het feit dat de cocaïne in negen bolletjes was verpakt, ondersteunde de aanname dat het bedoeld was voor verkoop. De aanwezigheid van de cocaïne, ongeacht de verklaring van de persoon die het bij zich had, gaf de burgemeester de bevoegdheid tot sluiting van de inrichting. De rechtbank oordeelde dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid voldoende was voor deze bevoegdheid, zonder dat daadwerkelijke handel hoefde te worden aangetoond. (Rechtsoverwegingen 2.2, 2.3, 2.5)
- art. 6 en 7 EVRM (recht op een eerlijk proces en legaliteitsbeginsel bij punitieve sancties) De rechtbank verwierp het argument dat de sluiting een punitieve sanctie was die getoetst moest worden aan de artikelen 6 en 7 van het EVRM. De toepassing van bestuursdwang was bedoeld om de overtreding van de Opiumwet te beëindigen en te voorkomen, en had geen leedtoevoegend karakter. Ondanks de aanzienlijke financiële gevolgen voor de exploitanten, was er geen sprake van een strafrechtelijke sanctie. (Rechtsoverweging 2.2)
Conclusie
De rechtbank bevestigde dat de burgemeester van Amsterdam bevoegd was om de horecagelegenheid te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De aanwezigheid van een handelshoeveelheid cocaïne, ongeacht de daadwerkelijke handel, was voldoende voor de toepassing van bestuursdwang. De sluiting werd niet beschouwd als een punitieve sanctie die onder de artikelen 6 en 7 van het EVRM viel. Het hoger beroep van de appellanten werd ongegrond verklaard.
Tijdlijn
- 22-01-2003 Bij een controle door de politie in de inrichting werd bij een persoon negen bolletjes cocaïne aangetroffen met een totaal gewicht van 1,4 gram.
- 06-02-2003 De burgemeester van Amsterdam beval de onmiddellijke sluiting van de voor het publiek toegankelijke inrichting aan de [locatie] te [plaats] op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.
- 18-06-2003 De burgemeester verklaarde het door appellanten gemaakte bezwaar tegen de sluiting van de inrichting ongegrond.
- 09-01-2004 De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellanten tegen de beslissing op bezwaar ongegrond.
- 19-02-2004 Appellanten stelden hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De gronden werden aangevuld bij brief van 13 april 2004.
- 28-05-2004 De burgemeester diende een antwoord in op het hoger beroep van de appellanten.
- 02-11-2004 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak ter zitting, waarbij een der appellanten in persoon verscheen, bijgestaan door mr. R.G. Meester, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester vertegenwoordigd door mr. J.H. Beestman.
- 05-01-2005 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam.