Bij overtreding Wwft moeten meldingen binnen 14 dagen worden gedaan, anders volgt een boete.

Rechtbank Rotterdam · 20 april 2023 · Bodemzaak · Bestuursrecht

Bewijs (audit en meldingen aan FIU) van Wwft overtredingen onder dwang verkregen - geen schending nemo tenetur-beginsel - overtredingen cliëntenonderzoek niet en overtredingen meldingsplicht deels wel bewezen - overtredingen toerekenbaar en verwijtbaar - boete naar evenredigheid verlaagd.

Rechtsvraag

Heeft de minister terecht een bestuurlijke boete opgelegd aan [eiseres] voor overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)?

Regel

  • art. 3, Wwft (verplichting tot cliëntenonderzoek)
  • art. 4, Wwft (tijdstip van cliëntenonderzoek)
  • art. 5, Wwft (verbod op relatie of transactie zonder cliëntenonderzoek)
  • art. 16, Wwft (meldingsplicht ongebruikelijke transacties)
  • art. 33, Wwft (vastlegging identificatie en verificatiegegevens)
  • art. 34, Wwft (bewaarplicht gegevens)
  • art. 35, Wwft (opleidingsplicht werknemers)
  • art. 5:16 en art. 5:17, Awb (bevoegdheid tot vordering van inlichtingen en inzage)
  • art. 5:20, Awb (medewerkingsplicht)

Toepassing

  • art. 3, Wwft (verplichting tot cliëntenonderzoek) De rechtbank oordeelde dat de minister niet buiten redelijke twijfel heeft aangetoond dat [eiseres] bij acht transacties geen cliëntenonderzoek heeft verricht. De bewijslast rust op de minister en de overgelegde stukken toonden niet aan dat er geen kopie van het identiteitsbewijs aanwezig was of dat de verificatiegegevens niet op andere wijze waren vastgelegd.
  • art. 16, Wwft (meldingsplicht ongebruikelijke transacties) Voor zeven van de tien transacties heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiseres] niet onverwijld heeft gemeld. De interne audit en meldingen aan de FIU toonden aan dat deze transacties niet binnen de vereiste termijn van veertien dagen waren gemeld. Voor drie transacties was het bewijs onvoldoende om een schending van de meldingsplicht aan te tonen.
  • art. 35, Wwft (opleidingsplicht werknemers) De rechtbank stelde vast dat [eiseres] op grond van artikel 35 van de Wwft de wettelijke plicht had om ervoor te zorgen dat haar werknemers bekend zijn met de bepalingen van de Wwft en periodiek opleidingen genieten. Dit is niet nageleefd, wat bijdraagt aan de verwijtbaarheid van de overtredingen.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de acht verweten overtredingen met betrekking tot het cliëntenonderzoek niet bewezen zijn en dat van de tien verweten overtredingen met betrekking tot de meldingsplicht er zeven wel en drie niet bewezen zijn. De boete van € 25.000 wordt naar evenredigheid verlaagd tot € 8.749, gezien de ernst van de overtredingen en de mate van verwijtbaarheid.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 03-10-2017 Op 3 oktober 2017 is het Bureau Toezicht Wwft een onderzoek gestart naar de naleving van de Wwft door [eiseres], betrekking hebbend op het tijdvak van 1 januari 2015 tot 1 juli 2017. Er is gesproken met vertegenwoordigers van [eiseres] over de wijze waarop de naleving van de Wwft is verankerd in het bedrijfsproces. [eiseres] is gevraagd om administratie en andere documentatie ter beschikking te stellen.
  2. 24-04-2019 Tijdens een gesprek op 24 april 2019 tussen vertegenwoordigers van [eiseres] en medewerkers van het BT Wwft zijn twee transacties besproken waarbij geen kopie van het identiteitsbewijs van de klanten aanwezig was.
  3. 11-02-2020 Volgens het definitieve onderzoeksrapport van 11 februari 2020 heeft [eiseres] bij meerdere transacties waarbij de contante betaling € 15.000,- of meer was, verschillende overtredingen van de Wwft begaan.
  4. 25-05-2020 Bij brief van 25 mei 2020 heeft de minister van Financiën het voornemen tot boeteoplegging aan [eiseres] kenbaar gemaakt.
  5. 27-11-2020 Bij besluit van 27 november 2020 heeft de minister aan [eiseres] een bestuurlijke boete van € 100.000,- opgelegd wegens diverse overtredingen van de Wwft.
  6. 07-07-2021 Bij besluit van 7 juli 2021 heeft de minister het bezwaar van [eiseres] gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 25.000,-. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
  7. 09-03-2023 De zaak is op 9 maart 2023 ter zitting van de meervoudige kamer behandeld. Namens [eiseres] is haar gemachtigde verschenen, vergezeld door zijn kantoorgenote mr. M. Coenen en [naam 1], bestuurder van [eiseres]. De minister is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. De Rond, vergezeld door [naam 2], [naam 3] en [naam 4], respectievelijk jurist, boetedwangsomfunctionaris en medewerker toezicht bij het BT Wwft.
  8. 20-04-2023 De rechtbank verklaart het beroep van [eiseres] gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de elf niet bewezen overtredingen en voor zover een hogere boete is opgelegd dan € 8.749,-. De rechtbank bepaalt dat de minister het door [eiseres] betaalde griffierecht vergoedt en veroordeelt de minister in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van € 4.302,-.