Nietige overeenkomsten wegens strijd met openbare orde; verjaring beperkt terugvordering onverschuldigde betaling.

Rechtbank Overijssel · 10 april 2024 · Eerste aanleg - meervoudig · Civiel recht

Vervolg op ECLI:NL:RBOVE:2020:4598. Eindvonnis na tussentijds hoger beroep. Het hof heeft het tussenvonnis in de ene zaak bekrachtigd en in de andere zaak vernietigd. Vanwege die vernietiging komt de rechtbank terug op haar bindende eindbeslissing dat sprake is van onrechtmatig handelen, ook in de bekrachtigde zaak en ten aanzien van de gedaagde die geen tussentijds hoger beroep heeft ingesteld. De subsidiaire grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid faalt daarom ook. Wel is sprake van onverschuldigde betaling. De overeenkomsten op grond waarvan contant geld werd geleverd in ruil voor het betalen van spookfacturen zijn nietig, zodat de op basis van die overeenkomsten verrichte prestaties ongedaan moeten worden gemaakt. De contante en girale betalingen kunnen tegen elkaar worden weggestreept, maar de ontvangen provisie moet worden terugbetaald.

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag is of [partij B 1], [partij D 1] en [partij D 2] onrechtmatig jegens [partij A] hebben gehandeld door het (laten) verzenden en (laten) betalen van spookfacturen en daarom aansprakelijk zijn voor de schade die [partij A] heeft geleden.

Regel

  • art. 6:162 BW (Onrechtmatige daad): Het artikel bepaalt dat degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht is de schade te vergoeden die de ander daardoor lijdt.
  • art. 6:163 BW (Relativiteitsvereiste): Dit artikel stelt dat er alleen sprake kan zijn van schadevergoeding bij onrechtmatige daad als de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
  • art. 3:40 BW (Nietige rechtshandeling): Een rechtshandeling die in strijd is met de goede zeden of de openbare orde is nietig.
  • art. 3:309 BW (Verjaring): Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag waarop de schuldeiser bekend is met het bestaan van zijn vordering en de persoon van de ontvanger.

Toepassing

  • art. 6:162 BW (Onrechtmatige daad): Het artikel bepaalt dat degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht is de schade te vergoeden die de ander daardoor lijdt. De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [partij B 1], [partij D 1] en [partij D 2] onrechtmatig jegens [partij A] hebben gehandeld door het (laten) verzenden en (laten) betalen van spookfacturen. Echter, het [partij C 1]-arrest noodzaakt de rechtbank om dit oordeel te heroverwegen. De rechtbank concludeert dat de handelingen van [partij B 1] en de bedrijfscultuur binnen [partij A] betekenen dat [partij A] zelf deelnam aan de constructie met spookfacturen. Hierdoor is er geen sprake van een onrechtmatige daad jegens [partij A] in de zin van art. 6:162 BW. (Rechtsoverwegingen 2.5, 2.7, 2.8)
  • art. 6:163 BW (Relativiteitsvereiste): Dit artikel stelt dat er alleen sprake kan zijn van schadevergoeding bij onrechtmatige daad als de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. In de relatie tussen [partij A] en [partij B 1] geldt dat [partij A] via toerekening van het handelen van [partij B 1] als deelnemer aan de constructie wordt gezien. Hierdoor is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW, omdat [partij A] niet beschermd wordt tegen haar eigen handelen. (Rechtsoverweging 2.7)
  • art. 3:40 BW (Nietige rechtshandeling): Een rechtshandeling die in strijd is met de goede zeden of de openbare orde is nietig. De overeenkomsten tussen [partij A] en [partij C 1] en [partij D 1] zijn nietig verklaard omdat deze in strijd zijn met de openbare orde door het opstellen van spookfacturen, wat strafbaar is. Hierdoor moeten de verrichte prestaties op grond van onverschuldigde betaling ongedaan gemaakt worden. (Rechtsoverwegingen 2.17, 2.18)
  • art. 3:309 BW (Verjaring): Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag waarop de schuldeiser bekend is met het bestaan van zijn vordering en de persoon van de ontvanger. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van [partij A] jegens [partij C 1] die gebaseerd zijn op de facturen van vóór 7 december 2013 zijn verjaard, omdat [partij A] pas op 7 december 2018 een sommatiebrief stuurde, terwijl [partij A] via [partij B 1] al eerder bekend was met de constructie. (Rechtsoverweging 2.24)

Conclusie

De rechtbank komt terug op haar eerdere oordeel dat [partij B 1], [partij D 1] en [partij D 2] aansprakelijk zijn voor de schade die [partij A] heeft geleden door betaling van de spookfacturen. De vorderingen van [partij A] op basis van onrechtmatige daad worden afgewezen vanwege het ontbreken van relativiteit en de nietigheid van de overeenkomsten. [partij C 1] en [partij D 1] moeten de ontvangen provisie terugbetalen, maar vorderingen gebaseerd op facturen van vóór 7 december 2013 zijn verjaard.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [partij A] B.V.
  • Gedaagde: [partij B 1], [partij B 2], [partij C 1] B.V., [partij C 2], [partij D 1] B.V., [partij D 2], [partij D 3]

[partij A] stelt dat [partij B 1], [partij D 1], en [partij D 2] onrechtmatig hebben gehandeld door spookfacturen te verzenden en te betalen, en zij aansprakelijk zijn voor de schade die hierdoor is ontstaan.

[partij B], [partij C], en [partij D] stellen dat [partij A] zelf deelnam aan de constructie en zich onttrok aan de bescherming van artikel 6:162 BW, en dat de vorderingen verjaard zijn.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 30-12-2020 De rechtbank oordeelt dat [partij B 1], [partij D 1] en [partij D 2] onrechtmatig jegens [partij A] hebben gehandeld door het verzenden en betalen van spookfacturen en aansprakelijk zijn voor de schade.
  2. 13-12-2023 De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van [partij A].
  3. 10-04-2024 De rechtbank oordeelt dat de eerdere beslissing over onrechtmatige daad moet worden herzien vanwege het [partij C 1]-arrest. De vorderingen van [partij A] op grond van onrechtmatige daad worden afgewezen, maar de rechtbank oordeelt dat er sprake is van onverschuldigde betaling en nietige overeenkomsten.
  4. 10-04-2024 De rechtbank bespreekt dat de vorderingen van [partij A] jegens [partij C 1] die gebaseerd zijn op facturen van vóór 7 december 2013 zijn verjaard.
  5. 10-04-2024 De rechtbank veroordeelt [partij C 1] en [partij D 1] tot terugbetaling van provisiebedragen van € 34.218,18 en € 10.703,50 respectievelijk aan [partij A].
  6. 10-04-2024 De rechtbank compenseert de proceskosten, waarbij alle partijen hun eigen kosten dragen.
  7. 10-04-2024 De rechtbank wijst de vorderingen in de vrijwaringszaak af en veroordeelt [partij C] in de proceskosten.