Wanprestatie door schending koopovereenkomst leidt tot hoofdelijke schadevergoeding.
Vereenzelviging rechtspersoon. Na bedrijfsovername blijkt een overgenomen dochtervennootschap minder waard te zijn. De dochtervennootschap kan de uitstaande geldleningen aan haar moedervennootschap en een andere dochtervennootschap niet terugbetalen. Koper en verkoper sluiten een vaststellingsovereenkomst. Na ontvangst van de definitieve belastingaanslag vennootschapsbelasting dient de moedermaatschappij van verkoper een bezwaarschrift in en wenst zij de geldleningen af te waarderen. De Belastingdienst is daar grotendeels in meegegaan. Dat levert de moedermaatschappij een belastingvoordeel op, bestaande uit een teruggaaf wegens teveel betaalde vennootschapsbelasting. Volgens de koper is zij degene die tot afwaardering van de leningen hoorde te beslissen en heeft zij recht op het belastingvoordeel dat aan die afwaardering is verbonden. Koper vordert het misgelopen belastingvoordeel als schadevergoeding van de verkoper en diens moedermaatschappij. De rechtbank wijst de vordering toe wegens het in strijd handelen met de koopovereenkomst. Verkoper en de moedervennootschap worden beide veroordeeld als gevolg van vereenzelviging van de rechtspersoon.
Rechtsvraag
De centrale juridische vraag is of de gedaagden, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], gerechtigd waren om bezwaar te maken tegen een aanslag vennootschapsbelasting waardoor zij een fiscaal voordeel behaalden, of dat dit voordeel aan [eiseres] toekwam.
Regel
- Artikel 2.3 Koopovereenkomst (Effectieve datum en risico-overdracht)
- Artikel 6:102 BW (Hoofdelijke aansprakelijkheid)
- Artikel 6:119 BW (Wettelijke rente)
- Artikel 6:96 lid 2 onder c BW (Buitengerechtelijke incassokosten)
Toepassing
- Artikel 2.3 Koopovereenkomst (Effectieve datum en risico-overdracht) De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] in strijd heeft gehandeld met artikel 2.3 van de koopovereenkomst, waarin is bepaald dat de aandelen en daarmee de vennootschap economisch vanaf 1 januari 2019 voor rekening en risico van [eiseres] zijn. De economische eigenaar van de leningen en daarmee de beslissingsbevoegdheid over de afwaardering lag bij [eiseres], zeker nu de financiële problemen pas in 2020 duidelijk werden. [gedaagde 1] had [gedaagde 2] moeten weerhouden van het indienen van een bezwaarschrift tegen de VPB-aanslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn economisch verweven, en [gedaagde 2] kan zich niet verschuilen achter het feit dat zij geen partij is bij de koopovereenkomst. [eiseres] kan [gedaagde 2] met succes aanspreken op grond van wanprestatie. (Rechtsoverwegingen 5.6-5.10)
- Artikel 6:102 BW (Hoofdelijke aansprakelijkheid) De rechtbank verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding van € 1.190.008 aan [eiseres], omdat zij door het indienen van het bezwaarschrift gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de schending van de koopovereenkomst. (Rechtsoverweging 5.19)
- Artikel 6:119 BW (Wettelijke rente) De rechtbank kent de wettelijke rente toe vanaf 3 december 2021 over het bedrag van de schadevergoeding, omdat de schade is ingetreden door de beslissing op het bezwaarschrift. De wettelijke handelsrente wordt niet toegekend, omdat het hier gaat om een schadevergoeding en niet om een primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst. (Rechtsoverwegingen 5.20-5.21)
- Artikel 6:96 lid 2 onder c BW (Buitengerechtelijke incassokosten) De rechtbank wijst een bedrag van € 6.775 aan buitengerechtelijke incassokosten toe, omdat deze kosten redelijk zijn en [eiseres] deze in redelijkheid heeft mogen maken. De gevorderde € 58.000 wordt als onredelijk hoog afgewezen. (Rechtsoverwegingen 5.22-5.23)
Conclusie
De rechtbank concludeert dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door het indienen van het bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2018 artikel 2.3 van de koopovereenkomst hebben geschonden. Zij zijn daarom aansprakelijk jegens [eiseres] en moeten de schade van € 1.190.008 vergoeden, samen met de wettelijke rente en een deel van de buitengerechtelijke incassokosten.
Partijen en standpunten
- Eiser: [eiseres] B.V.
- Gedaagde: [gedaagde 1] B.V. en [gedaagde 2] B.V.
[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de schade door het bezwaar tegen de vennootschapsbelasting, hoofdelijke betaling van € 1.190.008, buitengerechtelijke incassokosten, en proceskosten.
[gedaagden] stellen dat zij niet aansprakelijk zijn, dat er geen schade is buiten de vaststellingsovereenkomst, en dat er geen causaal verband is met de vermeende schade.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 23-09-2019 [gedaagde 1] heeft haar volledige aandelenbelang in [bedrijf 1] verkocht aan [eiseres] voor € 32.600.000, met een effectieve datum van 1 januari 2019.
- 11-10-2019 [gedaagde 2] heeft de aangifte vennootschapsbelasting gedaan voor de fiscale eenheid VPB.
- 31-10-2019 De fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is beëindigd op verzoek van [gedaagde 2].
- 04-11-2019 De notariële levering van de aandelen van [bedrijf 1] aan [eiseres] heeft plaatsgevonden.
- 21-11-2019 [gedaagde 1] heeft een financiële rapportage aan [eiseres] verstrekt, waarin de leningen van [bedrijf 2] zijn vermeld.
- Zomer 2020 [eiseres] ontdekte dat de financiële positie van [bedrijf 2] veel slechter was dan voorgesteld ten tijde van de verkoop.
- 24-07-2020 [eiseres] en [gedaagde 1] hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij [gedaagde 1] een bedrag van € 6.000.000 aan [eiseres] heeft voldaan.
- 13-03-2021 De Belastingdienst heeft de definitieve aanslag vennootschapsbelasting over 2018 opgelegd aan de fiscale eenheid VPB.
- 22-04-2021 [gedaagde 2] heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting over 2018, met als argument dat de geldleningen van [bedrijf 2] in 2018 moesten worden afgewaardeerd.
- 02-12-2021 De Belastingdienst heeft het bezwaar van [gedaagde 2] gegrond verklaard en de geldleningen afgewaardeerd, wat resulteerde in een belastingteruggave van € 1.071.305.
- 22-06-2022 [eiseres] heeft een dagvaarding ingediend tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met producties 1 tot en met 28.
- 12-10-2022 De rechtbank heeft een tussenvonnis uitgesproken waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.