Bedrieglijke bankbreuk vereist opzet en benadeling van schuldeisers; voorwaardelijk opzet volstaat.

Rechtbank Oost-Brabant · 18 september 2023 · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht

Veroordeling voor faillissementsfraude in twee verschillende varianten (343+344 Sr). Het gaat om het privé-faillissement van de echtgenoot van verdachte en om het zakelijke faillissement van de vennootschap waarvan verdachte en haar echtgenoot (indirect) bestuurder waren. Opgelegd wordt een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast de ontzetting van het recht tot de uitoefening van het beroep bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 5 jaren. Aan de curator van het zakelijke faillissement dient schade te worden vergoed, € 7.840,00. Er is sprake van hoofdelijkheid omdat ook de echtgenoot van verdachte wordt veroordeeld voor faillissementsfraude. De redelijke termijn is overschreden met 1 jaar. Daarom wordt niet een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd maar een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Rechtsvraag

Heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk tijdens het persoonlijke faillissement van [medeverdachte] en het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk voorafgaand aan het faillissement van [bedrijf 1]?

Regel

  • art. 344, Wetboek van Strafrecht (bedrieglijke bankbreuk tijdens persoonlijk faillissement)
  • art. 343, Wetboek van Strafrecht (medeplegen van bedrieglijke bankbreuk voorafgaand aan faillissement van een rechtspersoon)

Toepassing

  • art. 344, Wetboek van Strafrecht (bedrieglijke bankbreuk tijdens persoonlijk faillissement) De rechtbank stelt vast dat verdachte wist dat haar echtgenoot, [medeverdachte], persoonlijk failliet was verklaard. De verdachte heeft een bedrag van € 63.774,64 op haar bankrekening ontvangen, afkomstig van [bedrijf 4], wat in de failliete boedel van [medeverdachte] had moeten vallen. Door dit bedrag op haar rekening te ontvangen, heeft verdachte goederen aan de boedel onttrokken. De verdachte heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers in het faillissement hierdoor in hun rechten zouden worden verkort. In rechtsoverwegingen wordt benadrukt dat verdachte ook als bestuurder van [bedrijf 5] meewerkte aan de schijnconstructies die leidden tot benadeling van de schuldeisers.
  • art. 343, Wetboek van Strafrecht (medeplegen van bedrieglijke bankbreuk voorafgaand aan faillissement van een rechtspersoon) De rechtbank acht bewezen dat verdachte als bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] wist dat een faillissement van [bedrijf 1] reëel was. Na 6 februari 2017 zijn bedragen overgeboekt van [bedrijf 1] naar [bedrijf 5], waarbij verdachte als bestuurder van laatstgenoemde betrokken was. Hierdoor werd [bedrijf 5] bevoordeeld ten opzichte van andere schuldeisers. Verdachte heeft willens en wetens de benadeling van andere schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden aanvaard. Tevens zijn contante bedragen opgenomen van de bankrekening van [bedrijf 1] in deze periode, wat een onttrekking aan de boedel vormde.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk tijdens het persoonlijke faillissement van [medeverdachte] en aan medeplegen van bedrieglijke bankbreuk voorafgaand aan het faillissement van [bedrijf 1]. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzetting van het recht om bestuurder van een rechtspersoon te zijn.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [Openbaar Ministerie]
  • Gedaagde: [verdachte]

De verdachte wordt beschuldigd van bedrieglijke bankbreuk tijdens het faillissement van haar echtgenoot en medeplegen van bedrieglijke bankbreuk voorafgaand aan het faillissement van [bedrijf 1]. Er wordt een gevangenisstraf van één jaar en een beroepsverbod van vijf jaar geëist.

Verdachte vraagt om vrijspraak, stelt dat zij slechts lichte administratieve taken heeft verricht, geen medepleger is, en geen opzet had op benadeling van schuldeisers.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 18-05-2010 De Arrondissementsrechtbank te Breda verklaart medeverdachte failliet.
  2. 18-04-2017 De Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart bedrijf 1 failliet.
  3. 01-11-2022 Het OM maakt de strafzaak aanhangig tegen verdachte door een dagvaarding uit te brengen.
  4. 23-01-2023 Een terechtzitting wordt gehouden in de strafzaak tegen verdachte.
  5. 04-09-2023 Een tweede terechtzitting wordt gehouden en de tenlastelegging wordt gewijzigd.
  6. 18-09-2023 De rechtbank Oost-Brabant doet uitspraak in de zaak tegen verdachte en legt een taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en beroepsverbod op.
  7. 18-02-2020 De FIOD doorzoekt de woning van verdachte in het kader van onderzoek naar faillissementsfraude.