Bewind blijft gehandhaafd als noodzaak niet meer opheffing rechtvaardigt; onvoldoende zelfredzaamheid vereist voortzetting.

Rechtbank Noord-Holland · 2 juli 2024 · Beschikking · Civiel recht

Betrokkene verzoekt primair opheffing van het bewind, subsidiair ontslag en benoeming bewindvoerder. Verweer van bwv. Betrokkene heeft onvoldoende onderbouwd dat bewind niet langer noodzakelijk is. Inzicht in financiële situatie ontbreekt. Verzoek opheffing afgewezen, verzoek ontslag/benoeming ook. De enkele stelling dat het vertrouwen is beschadigd en dat de communicatie stroef verloopt is onvoldoende om te kunnen spreken van gewichtige redenen. Tevens herhaling van wat betrokkene eerder in klachtenprocedure naar voren heeft gebracht. Geen nieuwe feiten en omstandigheden.

Rechtsvraag

De centrale juridische vraag is of het bewind over de goederen van de verzoeker kan worden opgeheven omdat de noodzaak daartoe niet meer bestaat, of dat de bewindvoerders ontslagen moeten worden vanwege gewichtige redenen.

Regel

  • art. 1:449 lid 2 BW (opheffing bewind indien noodzaak niet meer bestaat of niet zinvol is)
  • art. 1:448 lid 2 BW (ontslag bewindvoerder bij gewichtige redenen)

Toepassing

  • art. 1:449 lid 2 BW (opheffing bewind indien noodzaak niet meer bestaat of niet zinvol is) De kantonrechter overweegt dat er onvoldoende bewijs is dat de verzoeker in staat is zijn financiële belangen zelf te behartigen. De gronden voor bewindvoering blijven bestaan, met name vanwege zijn psychische problematiek die het moeilijk maakt om financiën te overzien, zoals blijkt uit het verleden. Tijdens de zitting gaf de verzoeker aan dat hij zijn leefgeld snel opmaakt en extra geld nodig heeft voor basisbehoeften en sociale activiteiten, wat wijst op een gebrek aan financieel inzicht. Er is geen overtuigend bewijs dat zijn omstandigheden zodanig zijn veranderd dat het bewind niet langer noodzakelijk is. De kantonrechter concludeert dat opheffing van het bewind niet gerechtvaardigd is.
  • art. 1:448 lid 2 BW (ontslag bewindvoerder bij gewichtige redenen) De kantonrechter beoordeelt dat verzoeker niet voldoende heeft aangetoond dat de bewindvoerders hun taken niet naar behoren uitvoeren. De stelling dat het vertrouwen beschadigd is en dat de communicatie stroef verloopt, is onvoldoende om te spreken van gewichtige redenen. Eerdere klachten van de verzoeker zijn al ongegrond verklaard en er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die een andere uitkomst rechtvaardigen. Derhalve is er geen grond om de bewindvoerders te ontslaan.

Conclusie

De kantonrechter wijst zowel het verzoek tot opheffing van het bewind als het verzoek tot ontslag van de bewindvoerders af. De rechter concludeert dat de noodzaak voor bewind nog steeds bestaat en dat er geen gewichtige redenen zijn om de huidige bewindvoerders te ontslaan.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [betrokkene]
  • Gedaagde: A.C. Lakeman-Kramer en F. Lakeman

Het verzoek strekt tot opheffing van het bewind omdat de schulden zijn afgelost en betrokkene zijn geldzaken zelf kan regelen. Subsidiair wordt ontslag van de huidige bewindvoerders gevraagd wegens beschadigd vertrouwen en slechte communicatie.

De bewindvoerders stellen dat het bewind noodzakelijk blijft vanwege de geestelijke of lichamelijke toestand van betrokkene. Ze betwisten dat hij zelfstandig kan rondkomen, gezien zijn herhaalde verzoeken om extra geld.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 27-05-2021 Bij beschikking van deze datum is er een bewind ingesteld over de goederen van verzoeker vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand.
  2. 18-01-2022 De kantonrechter wijst het verzoek van verzoeker om de bewindvoerders te ontslaan af, en verklaart een klacht tegen de bewindvoerders ongegrond.
  3. 23-03-2023 De kantonrechter wijst opnieuw een verzoek van verzoeker om de bewindvoerders te ontslaan af, met dezelfde motivering als op 18 januari 2022.
  4. 28-11-2023 Verzoeker dient een verzoek in tot opheffing van het bewind of ontslag van de bewindvoerders bij de rechtbank.
  5. 13-12-2023 De bewindvoerders dienen een verweer in tegen het verzoek tot opheffing van het bewind.
  6. 19-01-2024 De gemachtigde van verzoeker, mr. G.J. Mulder, dient een stelbrief in bij de rechtbank.
  7. 07-02-2024 Verzoeker dient een reactie op het verweer van de bewindvoerders in bij de rechtbank.
  8. 29-05-2024 Er vindt een mondelinge behandeling van het verzoek plaats bij de rechtbank.
  9. 02-07-2024 De kantonrechter wijst zowel het primaire verzoek tot opheffing van het bewind als het subsidiaire verzoek tot ontslag van de bewindvoerders af. De kantonrechter acht het noodzakelijk dat verzoeker een zelfredzaamheidtraject volgt.