Ontbinding arbeidsovereenkomst bij onvoldoende bescherming tegen seksuele intimidatie.

Rechtbank Midden-Nederland Β· 11 december 2014 Β· Beschikking Β· Civiel recht; Arbeidsrecht

Art. 7:646 BW en art. 1a WGB. Direct onderscheid tussen man en vrouw, sexuele intimidatie. Uit EU-Richtlijnen 2000/78, 2002/73 en 2004/113 volgt dat ook verhouding tussen collega’s bestreken wordt. Ontbinding op verzoek werknemer met C=2 op grond van kantonrechtersformule (€ 63.385,92 bruto).

Rechtsvraag

Moet de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster] worden ontbonden wegens veranderingen in de omstandigheden, en heeft [verzoekster] recht op een vergoeding?

Regel

  • art. 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) (verbod op onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsomstandigheden)
  • art. 7:646 BW (verbod op onderscheid bij arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden)
  • art. 2 lid 3 Richtlijn 2000/78/EG (intimidatie als vorm van discriminatie)
  • Richtlijn 2002/73/EG (aanpassing van Richtlijn 76/207/EEG betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen wat betreft toegang tot arbeid, beroepsopleiding en promotie, en arbeidsvoorwaarden)
  • Richtlijn 2004/113/EG (gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten)

Toepassing

  • art. 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) (verbod op onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsomstandigheden) De kantonrechter oordeelt dat [verweerster] niet adequaat heeft opgetreden tegen de intimidatie door een mannelijke collega van [verzoekster], ondanks meldingen en signalen. Dit gedrag valt onder het verbod op intimidatie zoals bedoeld in art. 1a WGB. [verweerster] had actief moeten controleren of het gedrag van de mannelijke collega was gestopt. De kantonrechter concludeert dat [verweerster] hierin tekort is geschoten.
  • art. 7:646 BW (verbod op onderscheid bij arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden) De kantonrechter stelt dat [verweerster] de verplichting had om [verzoekster] te beschermen tegen seksueel intimiderend gedrag van haar collega. Door onvoldoende actie te ondernemen na meldingen van [verzoekster], heeft [verweerster] gehandeld in strijd met art. 7:646 BW.
  • art. 2 lid 3 Richtlijn 2000/78/EG (intimidatie als vorm van discriminatie) De kantonrechter past deze richtlijn toe door te stellen dat het gedrag van de mannelijke collega jegens [verzoekster] als intimidatie moet worden gezien, wat een vorm van discriminatie is. [verweerster] had passende maatregelen moeten nemen om [verzoekster] te beschermen.
  • Richtlijn 2002/73/EG (aanpassing van Richtlijn 76/207/EEG betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen wat betreft toegang tot arbeid, beroepsopleiding en promotie, en arbeidsvoorwaarden) De kantonrechter verwijst naar deze richtlijn om te benadrukken dat de bescherming tegen intimidatie ook geldt tussen collega’s onderling, en niet alleen in de relatie werkgever-werknemer. [verweerster] had daarom een actieve rol moeten spelen in het beschermen van [verzoekster].
  • Richtlijn 2004/113/EG (gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten) De kantonrechter benadrukt dat de richtlijn ook geldt voor de werkomgeving. [verweerster] had moeten zorgen voor een veilige werkplek voor [verzoekster] en haar beschermen tegen seksuele intimidatie door haar collega.

Conclusie

De kantonrechter besluit om de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster] te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden, waarbij [verzoekster] recht heeft op een vergoeding van € 63.385,92 bruto. Dit besluit is gebaseerd op de vaststelling dat [verweerster] onvoldoende maatregelen heeft genomen om [verzoekster] te beschermen tegen intimidatie op de werkvloer, wat in strijd is met de relevante wetten en richtlijnen.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [verzoekster]
  • Gedaagde: [verweerster]

[verzoekster] verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] en een vergoeding van € 63.385,92 bruto, omdat de arbeidsverhouding door toedoen van [verweerster] verstoord is geraakt, onder andere door ontoereikende maatregelen tegen seksuele intimidatie door een collega.

[verweerster] betoogt dat zij adequaat heeft gehandeld door direct maatregelen te nemen na de melding van seksuele intimidatie in februari 2012, en dat zij daarna geen signalen meer heeft ontvangen van [verzoekster] tot maart 2014.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 07-07-1999 Verzoekster treedt in dienst van (de rechtsvoorganger van) verweerster als analist in het GC-cluster.
  2. xx-02-2012 Verweerster ontvangt een signaal van verzoekster over ongewenst gedrag door een collega. De leidinggevende onderneemt actie en maakt afspraken met beide werknemers.
  3. xx-08-2013 Verweerster ontvangt tot augustus 2013 geen verdere signalen van verzoekster over ongewenst gedrag door de collega.
  4. 10-03-2014 De mannelijke collega zoekt contact met verzoekster bij het verlaten van de kamer van een andere collega.
  5. 19-03-2014 Verzoekster stuurt een mail naar [A] waarin ze refereert aan eerdere intimidatie door de collega en vraagt opnieuw aandacht voor haar situatie.
  6. 25-05-2014 Mevrouw [A] stuurt een brief naar verzoekster waarin ze stelt nooit e-mails te hebben ontvangen over de mannelijke collega, terwijl verzoekster beweert de stukken persoonlijk te hebben afgegeven.
  7. 10-05-2014 De mannelijke collega legt een hand op de schouder van verzoekster, waarna verzoekster zich ziek meldt. De collega krijgt een formele waarschuwing.
  8. 19-05-2014 Verzoekster stuurt een bericht aan [A] waarin ze aangeeft een trauma te hebben opgelopen door de situatie en dat ze niet meer met de mannelijke collega wil samenwerken.
  9. 22-10-2014 Verzoekster dient een verzoekschrift in bij de rechtbank om de arbeidsovereenkomst met verweerster te ontbinden en vraagt een vergoeding van € 63.385,92 bruto.
  10. xx-xx-2014 Verweerster dient een verweerschrift in als reactie op het verzoekschrift van verzoekster.
  11. 18-11-2014 De zitting vindt plaats waarin het verzoek wordt behandeld. Hiervan is aantekening gehouden.
  12. 11-12-2014 De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst per 01-01-2015 en kent verzoekster een vergoeding van € 63.385,92 bruto toe. Verweerster wordt veroordeeld in de proceskosten.