Verharding in strijd met bestemmingsplan vereist aparte beoordeling voor omgevingsvergunning.

Rechtbank Limburg ยท 11 april 2024 ยท Eerste aanleg - enkelvoudig ยท Bestuursrecht

Beroep tegen een omgevingsvergunning voor het realiseren van een verharding. Verweerder had, alvorens de aanlegvergunning te verlenen, moeten beoordelen of met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo een vergunning voor strijdig gebruik kon worden verleend. Dat heeft verweerder in het bestreden besluit niet gedaan. Tevens heeft verweerder niet onderbouwd waarom de verharding geen onevenredige aantasting van de waarden van de dubbelbestemmingen oplevert. Motiveringsgebrek. Beroep gegrond.

Rechtsvraag

Is de verleende omgevingsvergunning voor de verharding in strijd met het bestemmingsplan en heeft verweerder terecht geen proceskostenvergoeding toegekend?

Regel

  • art. 2.1, eerste lid, onder b en c, Wabo (verbod om zonder omgevingsvergunning een werk uit te voeren of gronden in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken)
  • art. 2.12, eerste lid, onder a, sub 1, Wabo (mogelijkheid omgevingsvergunning te verlenen indien niet in strijd met goede ruimtelijke ordening en regels voor afwijking)
  • art. 3:2 Awb (zorgvuldigheidsbeginsel)
  • art. 3:4 Awb (evenredige belangenafweging)
  • art. 7:15 Awb (vergoeding van proceskosten bij herroeping van een besluit)
  • art. 34.5.3 bestemmingsplan (verbod op werken/werkzaamheden die onevenredige aantasting van waarden veroorzaken)
  • art. 37.4.3 bestemmingsplan (verbod op werken/werkzaamheden die onevenredige aantasting van waarden veroorzaken)

Toepassing

  • art. 2.1, eerste lid, onder b en c, Wabo (verbod om zonder omgevingsvergunning een werk uit te voeren of gronden in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken) De rechtbank oordeelt dat voor de aanleg van de verharding een omgevingsvergunning vereist is, aangezien het in strijd is met de dubbelbestemmingen van het bestemmingsplan. De aanlegwerkzaamheden zelf vallen onder 'strijdig gebruik', waardoor ook een vergunning voor strijdig gebruik nodig is. Verweerder had dit niet correct beoordeeld. (Rechtsoverwegingen 12.1, 12.2, 12.3)
  • art. 2.12, eerste lid, onder a, sub 1, Wabo (mogelijkheid omgevingsvergunning te verlenen indien niet in strijd met goede ruimtelijke ordening en regels voor afwijking) Verweerder heeft de mogelijkheid van een vergunning voor strijdig gebruik niet onderzocht, hoewel het bestemmingsplan mogelijkheden biedt voor afwijking. Dit had moeten gebeuren alvorens de aanlegvergunning te verlenen. (Rechtsoverweging 12.3)
  • art. 3:2 Awb (zorgvuldigheidsbeginsel) Eiser stelde dat het besluit niet zorgvuldig was wegens vermeende salamitactiek van vergunninghouder. De rechtbank stelt dat alleen de huidige vergunning voor beoordeling voorligt, en geen eerdere of latere vergunningen. (Rechtsoverweging 16)
  • art. 3:4 Awb (evenredige belangenafweging) De rechtbank vond dat verweerder onvoldoende deugdelijk had gemotiveerd waarom de verharding geen onevenredige aantasting van de waarden oplevert. (Rechtsoverweging 12.3)
  • art. 7:15 Awb (vergoeding van proceskosten bij herroeping van een besluit) De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van herroeping van het primaire besluit, aangezien de wijziging van de grondslag in het bestreden besluit niet het beoogde rechtsgevolg betreft. Daarom is geen proceskostenvergoeding verschuldigd. (Rechtsoverweging 19.2)
  • art. 34.5.3 bestemmingsplan (verbod op werken/werkzaamheden die onevenredige aantasting van waarden veroorzaken) De rechtbank oordeelt dat de aanleg van de verharding een onevenredige aantasting van de waarden veroorzaakt, omdat herstel van de natuur- en landschapswaarden niet mogelijk is. (Rechtsoverweging 12.3)

Conclusie

De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is. De verleende omgevingsvergunning is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de aanleg van de verharding een onevenredige aantasting van de waarden veroorzaakt. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Er is geen grond voor proceskostenvergoeding aan eiser in bezwaar, omdat er geen sprake is van herroeping van het primaire besluit.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 16-04-2020 Vergunninghouder heeft bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een verharding op zijn bedrijfskavel.
  2. 17-06-2020 Verweerder verleent aan vergunninghouder een omgevingsvergunning voor de realisatie van verharding op het adres [adres], kadastraal bekend [kadasternummer].
  3. 18-05-2021 Verweerder verklaart het bezwaar van eiser gegrond, maar laat het primaire besluit in stand. De grondslag van het besluit wordt gewijzigd en de motivering aangevuld.
  4. 23-06-2023 Eiser dient aanvullende beroepsgronden in tegen het bestreden besluit van 18 mei 2021.
  5. 07-07-2023 De rechtbank behandelt het beroep tijdens een zitting waar eiser, gemachtigden van beide partijen en vergunninghouder aanwezig zijn.
  6. 11-04-2024 De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit van 18 mei 2021, en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.