Besluiten inzake wrakopruiming door onbevoegde beheerders zijn ongeldig.

Rechtbank Gelderland ยท 19 oktober 2018 ยท Eerste aanleg - enkelvoudig ยท Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Wrakkenwet. Waterwet, Waterbesluit, Scheepvaartverkeerswet. Het college van burgemeester en wethouders maakt gebruik van de bevoegdheid artikel 1, eerste lid, Wrakkenwet, opruimen van vaartuigen. Kosten opruiming. Beheer. Bevoegd gezag. Openbaar scheepvaartverkeer. Burgemeester en wethouders is niet aan te merken als beheerder en daarom is het primaire besluit onbevoegd genomen.

Rechtsvraag

Was het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen bevoegd om het besluit te nemen de gezonken vaartuigen in de haven te verwijderen op basis van artikel 1, eerste lid, van de Wrakkenwet?

Regel

  • art. 1, eerste lid, Wrakkenwet (beheerder van het water kan gezonken vaartuigen opruimen)
  • art. 1.1, eerste lid, Waterwet (definities van 'beheer' en 'waterbeheer')
  • art. 3.1, eerste lid, Waterwet (aanwijzing watersystemen in Rijksbeheer)
  • art. 1, eerste lid, onder d, Scheepvaartverkeerswet (definitie 'scheepvaartweg')
  • art. 1, vierde lid, Scheepvaartverkeerswet (definitie 'beheer' van een scheepvaartweg)

Toepassing

  • art. 1, eerste lid, Wrakkenwet (beheerder van het water kan gezonken vaartuigen opruimen) De rechtbank moest bepalen of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen als beheerder van de haven kon worden aangemerkt. Verweerder stelde dat hij beheerder was, maar de rechtbank constateerde dat het waterstaatkundig beheer van de haven bij het Rijk berust, zoals bepaald in de Waterwet en het Waterbesluit. Omdat verweerder niet als beheerder kon worden aangemerkt, kon hij niet bevoegd zijn op grond van de Wrakkenwet.
  • art. 1.1, eerste lid, Waterwet (definities van 'beheer' en 'waterbeheer') De rechtbank baseerde zich op de Waterwet voor de definitie van beheer en waterbeheer. De haven werd geclassificeerd als een watersysteem in de zin van de Waterwet, en het beheer daarvan werd geacht onder de Waterwet te vallen.
  • art. 3.1, eerste lid, Waterwet (aanwijzing watersystemen in Rijksbeheer) De rechtbank verwees naar het Waterbesluit, waarin is vastgesteld dat het beheer van de IJssel en daarmee verbonden wateren, waaronder de haven, bij het Rijk berust. Dit werd bevestigd door de Waterregeling.
  • art. 1, eerste lid, onder d, Scheepvaartverkeerswet (definitie 'scheepvaartweg') De haven werd voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand geacht, waarmee het een scheepvaartweg is volgens de definitie van de Scheepvaartverkeerswet.
  • art. 1, vierde lid, Scheepvaartverkeerswet (definitie 'beheer' van een scheepvaartweg) Er was geen besluit waaruit bleek dat het vaarwegbeheer afzonderlijk bij verweerder lag. Daarom kon verweerder niet als beheerder van de scheepvaartweg worden beschouwd.

Conclusie

De rechtbank concludeerde dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen niet bevoegd was om het besluit te nemen om de gezonken vaartuigen te verwijderen op basis van de Wrakkenwet. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het bestreden besluit werd vernietigd en het primaire besluit werd herroepen.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [Naam van de eiser]
  • Gedaagde: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen

Eiser stelt dat het besluit van de gedaagde om de gezonken vaartuigen op te ruimen onbevoegd is genomen.

Gedaagde stelt dat zij als beheerder van de haven bevoegd is om de wrakken op te ruimen volgens artikel 1, eerste lid, van de Wrakkenwet.

Tijdlijn

  1. eind 2016 Het winkelschip [B] is eind 2016 gezonken in de [haven] te [plaats].
  2. 24-02-2017 De dekschuit [A] is op 24 februari 2017 gezonken in de [haven] te [plaats].
  3. 30-03-2017 Verweerder heeft bij besluit van 30 maart 2017 aan eiser meegedeeld dat hij gebruik zal maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 1, eerste lid, van de Wrakkenwet en de twee gezonken vaartuigen zal laten opruimen.
  4. 05-04-2017 Verweerder is op 5 april 2017 begonnen met het opruimen van de gezonken vaartuigen.
  5. 06-04-2017 Verweerder heeft op 6 april 2017 het opruimen van de gezonken vaartuigen afgerond.
  6. 21-07-2017 Bij besluit van 21 juli 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
  7. onbekend Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 juli 2017. [Opmerking: exacte datum van het instellen van beroep ontbreekt]
  8. onbekend Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. [Opmerking: exacte datum van het indienen van het verweerschrift ontbreekt]
  9. 16-08-2018 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Namens eiser is [naam] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C. van Buitenen en mr. A.J. van Zwieten - de Blom.
  10. 19-10-2018 De rechtbank heeft op 19 oktober 2018 uitspraak gedaan. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit, gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot โ‚ฌ168 aan hem vergoedt, en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van โ‚ฌ2.004.