Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijk of onvoorzichtig toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Rechtbank Den Haag Β· 4 juni 2024 Β· Eerste aanleg - meervoudig,Op tegenspraak Β· Strafrecht

Vrijspraak. Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het - al dan niet in voorwaardelijke zin - toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Geen sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen. Handgebaar opvatten als een enkele poging tot het langzamer laten rijden van de wielrenners.

Rechtsvraag

Is de verdachte schuldig aan het opzettelijk of door schuld toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer door haar armbewegingen tijdens het passeren van de wielrenner?

Regel

  • art. 302 Sr (Opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengen)
  • art. 300 Sr (Mishandeling)
  • art. 308 Sr (Schuld in de zin van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen)

Toepassing

  • art. 302 Sr (Opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengen) De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan het slachtoffer. De verdachte maakte armbewegingen om de wielrenners tot langzamer rijden te manen en hield vervolgens haar armen langs haar lichaam, waarna het slachtoffer haar raakte. Er is geen bewijs dat de verdachte opzettelijk handelde om letsel toe te brengen.
  • art. 300 Sr (Mishandeling) Ook voor mishandeling is er onvoldoende bewijs. De verdachte heeft verklaard dat ze geen opzettelijke handelingen heeft verricht die gericht waren op het vastpakken of mishandelen van het slachtoffer. De getuigenverklaringen en het proces-verbaal ondersteunen dit onvoldoende.
  • art. 308 Sr (Schuld in de zin van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen) De rechtbank overweegt dat de verdachte niet aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gehandeld. De verdachte werd plots geconfronteerd met naderende wielrenners en maakte armbewegingen om hen tot langzamer rijden te manen. Er was geen reΓ«le mogelijkheid voor de verdachte om zich aan de situatie te onttrekken. Haar handelingen kunnen niet worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend.

Conclusie

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor opzettelijk of door schuld toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [slachtoffer]
  • Gedaagde: [verdachte]

De eiser stelt dat de gedaagde opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door haar arm uit te strekken en/of de eiser vast te pakken, waardoor de eiser ten val kwam en ernstig letsel opliep.

De gedaagde ontkent opzettelijk letsel te hebben toegebracht en verklaart dat zij slechts een gebaar maakte om de naderende wielrenners tot langzamer rijden te manen, waarna de eiser tegen haar arm aanreed en ten val kwam.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 07-06-2022 Op 7 juni 2022 vond een verkeersongeval plaats op het Schelpenpad in Monster. De verdachte liep samen met haar echtgenoot aan de linkerkant van het fietspad, tegen het verkeer in. Slachtoffer en zijn partner fietsten in tegengestelde richting en passeerden de verdachte, waarbij het slachtoffer ten val kwam en zwaar lichamelijk letsel opliep.
  2. 07-06-2022 De politie voerde een onderzoek uit naar de snelheid van het slachtoffer voorafgaand aan de val. Uit het fietsnavigatiesysteem bleek dat de snelheid van het slachtoffer snel afnam van 38 km/h tot 0 km/h.
  3. 21-05-2024 De zitting vond plaats bij de rechtbank Den Haag, waar de rechtbank kennis nam van de vordering van de officier van justitie en de verdediging.
  4. 04-06-2024 De rechtbank Den Haag sprak de verdachte vrij van het ten laste gelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel had toegebracht aan het slachtoffer. De verdachte werd ook vrijgesproken van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.
  5. 04-06-2024 De rechtbank verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering van € 60.000,- schadevergoeding, aangezien de verdachte was vrijgesproken. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten die de verdachte had gemaakt voor haar verdediging, begroot op nihil.