Afrekening inactieve dossiers conform contractuele maximale behandelduur; afwijking niet voldoende onderbouwd.
Einde aan samenwerking tussen incasso-onderneming en deurwaarder. Discussie over de wijze van afwikkeling van incassodossiers. Uitleg overeenkomst. Herstelvonnis van 31-7: ECLI:NL:RBDHA:2024:20049
Rechtsvraag
De centrale juridische vraag is of [bedrijf] juist heeft gehandeld bij de afrekening van dossiers die zij voor Intrum onder zich had, en of Intrum recht heeft op betaling van het door haar gevorderde bedrag, inclusief rente en kosten, op basis van de overeenkomst en de addenda.
Regel
- art. 28, overeenkomst (maximale behandelduur en afrekening van dossiers)
- art. 5 lid c en d, overeenkomst (afrekening bij gedeeltelijke en geen betaling in dossiers)
- art. 6, overeenkomst (kosten bij tussentijdse terugtrekking van zaken door Intrum)
- art. 19 lid 2, Gerechtsdeurwaarderswet (opschorting bij betwiste vordering)
- art. 19 lid 7 en 8, Gerechtsdeurwaarderswet (rente op bijzondere rekening)
- art. 6:96 lid 4, BW (vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten)
Toepassing
- art. 28, overeenkomst (maximale behandelduur en afrekening van dossiers) De rechtbank oordeelt dat de maximale behandelduur van zes of twaalf maanden en de daaraan gekoppelde wijze van afrekenen van toepassing zijn. [bedrijf] had geen specifieke afspraken die afweken van artikel 28 en moest afrekenen volgens de overeenkomst. [bedrijf] heeft de maximale behandelduur overschreden zonder dat Intrum haar daarop heeft aangesproken tijdens de samenwerking, maar dat betekent niet dat de afrekening op een andere manier moet gebeuren. (R.o. 4.4-4.6)
- art. 5 lid c en d, overeenkomst (afrekening bij gedeeltelijke en geen betaling in dossiers) In gevallen waarin niets is betaald, heeft [bedrijf] recht op โฌ50 per zaak. Voor gedeeltelijk betaalde zaken mag [bedrijf] alleen een percentage van het betaalde bedrag ontvangen als dat hoger is dan de kosten. [bedrijf] heeft ten onrechte meer in rekening gebracht dan toegestaan. (R.o. 4.17-4.21)
- art. 6, overeenkomst (kosten bij tussentijdse terugtrekking van zaken door Intrum) De rechtbank oordeelt dat Intrum's verzoek in 2021 om dossiers te retourneren niet dezelfde is als een tussentijdse terugtrekking en dat [bedrijf] daarom niet alle gemaakte kosten in rekening mag brengen. (R.o. 4.7)
- art. 19 lid 2, Gerechtsdeurwaarderswet (opschorting bij betwiste vordering) [bedrijf] heeft geld op haar kwaliteitsrekening gehouden omdat er een geschil was over de verschuldigde bedragen. De rechtbank oordeelt dat dit niet betekent dat er geen rente verschuldigd is over bedragen die later als ten onrechte ingehouden worden beschouwd. (R.o. 4.32-4.33)
- art. 19 lid 7 en 8, Gerechtsdeurwaarderswet (rente op bijzondere rekening) De rente zoals overeengekomen in de overeenkomst is niet in strijd met de Gerechtsdeurwaarderswet, omdat deze betrekking heeft op de relatie tussen gerechtsdeurwaarder en opdrachtgever, niet op de rente op de kwaliteitsrekening. (R.o. 4.33)
- art. 6:96 lid 4, BW (vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) Intrum vordert buitengerechtelijke incassokosten zonder voldoende te onderbouwen welke incassowerkzaamheden zijn verricht. Alleen een standaardvergoeding van โฌ40 kan worden toegekend. (R.o. 4.48)
Conclusie
De rechtbank concludeert dat [bedrijf] niet volgens de overeenkomst heeft afgerekend voor de dossiers die zij voor Intrum behandelde. [bedrijf] moet een bedrag van โฌ 454.866,55 betalen aan Intrum, inclusief rente vanaf 31 december 2021. Daarnaast moet [bedrijf] binnen veertien dagen over alle afgewikkelde zaken afrekenen volgens de overeenkomst, op straffe van een dwangsom. De vorderingen van [bedrijf] in reconventie worden afgewezen.
Partijen en standpunten
- Eiser: Intrum Nederland B.V.
- Gedaagde: [bedrijf] B.V.
Intrum vordert betaling van te weinig afgedragen bedragen door [bedrijf], afwikkeling van dossiers conform overeenkomst, vergoeding buitengerechtelijke incassokosten.
[bedrijf] stelt dat Intrum de afspraken niet goed weergeeft, verkeerde uitgangspunten hanteert en contractuele rente onrechtmatig is.
Wetsartikelen
Tijdlijn
- 30-03-2012 Intrum en [bedrijf] ondertekenden een standaardovereenkomst voor incasso van vorderingen.
- 01-05-2012 De overeenkomst tussen Intrum en [bedrijf] ging in en was aangegaan voor de duur van een jaar.
- Begin 2013 [bedrijf] ontving de eerste dossiers ter incasso van Intrum met executoriale titel.
- Eind 2013 Partijen bespraken werkzaamheden voor een portefeuille zonder executoriale titel en sloten Addendum II met afwijkende behandeltermijnen.
- 21-10-2014 [bedrijf] stelde in een e-mail aan Intrum voor om een minimumvergoeding per dossier te laten gelden.
- 03-03-2015 Partijen ondertekenden Addendum III waarbij wijzigingen in de overeenkomst werden vastgelegd.
- 01-02-2016 De overeenkomst eindigde, [bedrijf] had nog een groot deel van de dossiers onder zich.
- Februari 2021 Partijen probeerden afspraken te maken over de verdere afwikkeling van de samenwerking.
- 20-04-2021 Intrum stuurde een brief aan [bedrijf] over onenigheid betreffende behandeltermijn en afwikkelingstarieven.
- 26-05-2021 Intrum sommeerde [bedrijf] om te bevestigen dat zij zal meewerken aan de afwikkeling van de dossiers.
- 30-11-2021 Intrum stelde vast dat dossiers niet conform de overeenkomst waren afgewikkeld en eiste afdracht van gelden.
- 05-04-2023 Intrum dagvaardde [bedrijf] en diende een akte met producties in bij de rechtbank.