Feitelijk beleidsbepaler van failliete vennootschap kan aansprakelijk worden gehouden voor faillissementstekort.

Rechtbank Den Haag ยท 15 maart 2023 ยท Bodemzaak,Eerste aanleg - enkelvoudig,Tussenuitspraak ยท Ondernemingsrecht

Ondernemingsrecht. Vraag of werknemer van een failliet verklaarde BV het beleid van de vennootschap (mede) heeft bepaald in de zin van artikel 6:248 lid 7 BW. Bewijsopdracht aan de curator.

Rechtsvraag

Is [gedaagde] aansprakelijk als feitelijk bestuurder van [bedrijf 1] B.V. voor het faillissementstekort op grond van artikel 2:248 lid 7 BW?

Regel

  • art. 2:248 lid 7 BW (Aansprakelijkheid feitelijk beleidsbepaler)
  • art. 2:248 lid 2 BW (Kennelijk onbehoorlijk bestuur)
  • art. 2:10 BW (Verplichting tot het voeren van een deugdelijke boekhouding)
  • art. 2:394 BW (Verplichting tot openbaarmaking jaarrekeningen)
  • art. 6:162 BW (Onrechtmatige daad)
  • art. 6:212 BW (Ongerechtvaardigde verrijking)

Toepassing

  • art. 2:248 lid 7 BW (Aansprakelijkheid feitelijk beleidsbepaler) De rechtbank onderzoekt of [gedaagde] het beleid van [bedrijf 1] heeft bepaald als ware hij bestuurder. De curator stelt dat [gedaagde] feitelijk bestuurder was, onderbouwd met verklaringen van [naam 1] en diverse gedragingen van [gedaagde], zoals het beheren van bankrekeningen en het geven van instructies. [gedaagde] betwist dit en stelt dat hij slechts werknemer was en dat [naam 1] de feitelijke bestuurder was. De rechtbank concludeert dat de curator moet bewijzen dat [gedaagde] als feitelijk beleidsbepaler heeft gehandeld.
  • art. 2:248 lid 2 BW (Kennelijk onbehoorlijk bestuur) De rechtbank stelt vast dat het bestuur van [bedrijf 1] niet heeft voldaan aan de verplichting tot een deugdelijke boekhouding en tijdige openbaarmaking van de jaarrekeningen. Dit wordt door [gedaagde] niet betwist. Hierdoor staat vast dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, wat een belangrijke oorzaak van het faillissement is.
  • art. 2:10 BW (Verplichting tot het voeren van een deugdelijke boekhouding) De rechtbank constateert dat [bedrijf 1] niet heeft voldaan aan de boekhoudplicht volgens artikel 2:10 BW. Dit wordt door [gedaagde] niet betwist.
  • art. 2:394 BW (Verplichting tot openbaarmaking jaarrekeningen) De rechtbank stelt vast dat de jaarrekeningen van [bedrijf 1] niet tijdig openbaar zijn gemaakt, wat in strijd is met artikel 2:394 BW. Dit wordt door [gedaagde] niet betwist.
  • art. 6:162 BW (Onrechtmatige daad) De curator stelt subsidiair dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [bedrijf 1] en haar schuldeisers. De rechtbank laat de curator toe tot het leveren van bewijs van deze stelling.
  • art. 6:212 BW (Ongerechtvaardigde verrijking) De curator stelt dat [gedaagde] zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten koste van [bedrijf 1]. De rechtbank laat de curator toe tot het leveren van bewijs van deze stelling.

Conclusie

De rechtbank laat de curator toe tot het leveren van bewijs dat [gedaagde] als feitelijk beleidsbepaler van [bedrijf 1] heeft gehandeld en dat hij daardoor aansprakelijk is voor het faillissementstekort. Dit bewijs kan geleverd worden door het overleggen van bewijsstukken, het horen van getuigen, of andere bewijsmiddelen. De zaak wordt aangehouden voor verdere bewijslevering.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [Curator in het faillissement van bedrijf 1 B.V.]
  • Gedaagde: [Gedaagde]

De curator stelt dat de gedaagde feitelijk bestuurder was van de failliete vennootschap en aansprakelijk is voor het faillissementstekort wegens onbehoorlijk bestuur.

De gedaagde beweert enkel werknemer te zijn geweest en ontkent het beleid van de vennootschap te hebben bepaald of mede bepaald.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 01-10-2019 Op 1 oktober 2019 is door de rechtbank Noord-Nederland het faillissement uitgesproken van [bedrijf 1] B.V.
  2. 13-05-2021 Het faillissementstekort bedraagt per 13 mei 2021 โ‚ฌ 370.750,97.
  3. 17-05-2021 De curator heeft de dagvaarding ingediend tegen [gedaagde], waarin zij stelt dat [gedaagde] feitelijk als bestuurder optrad en aansprakelijk is voor het faillissementstekort.
  4. 23-03-2022 De rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen waarbij een mondelinge behandeling is bevolen.
  5. 27-05-2022 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waarbij procesafspraken zijn gemaakt, inclusief het gezamenlijk benoemen van een deskundige.
  6. 19-10-2022 De curator heeft een akte ingediend over het verdere verloop van de procedure, met producties 34 en 35.
  7. 09-11-2022 [gedaagde] heeft een akte ingediend met producties 32 t/m 37.
  8. 21-12-2022 De curator heeft een akte uitlaten producties ingediend.
  9. 15-03-2023 De rechtbank Den Haag heeft een tussenuitspraak gedaan waarin de curator wordt toegelaten tot het bewijs van haar stellingen en verdere instructies voor de bewijslast zijn gegeven.
  10. 29-03-2023 De zaak komt weer op de rol voor uitlating door de curator of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel.