Bestuurder is aansprakelijk bij niet-tijdige melding betalingsonmacht tenzij weerlegging vermoeden slaagt.

Rechtbank Den Haag · 5 november 2019 · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht; Belastingrecht

Eiser is bestuurder geweest van twee vennootschappen, die failliet zijn verklaard. In het faillissementsverslag van de curator is opgenomen dat eiser € 31.000 aan de boedel heeft betaald en aan hem dientengevolge finale kwijting is verleend. Verweerder heeft eiser na het einde van de faillissementen aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen. Volgens eiser kan hij op grond van de Leidraad Invordering 2008 niet aansprakelijk gesteld worden door verweerder, omdat er sprake is van samenloop tussen de aansprakelijkstellingen door de curator en verweerder. Eiser is naar het oordeel van de rechtbank terecht aansprakelijk gesteld door verweerder. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat er sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Er is geen sprake geweest van samenloop van de aansprakelijkstellingen tussen verweerder en de curator, aangezien de curator de aansprakelijkstellingsprocedure niet heeft doorgezet. Beroep ongegrond.

Rechtsvraag

De centrale rechtsvraag is of de eiser terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen van de vennootschappen.

Regel

  • art. 36, lid 1, Invorderingswet 1990 (IW) (bestuurdersaansprakelijkheid voor verschuldigde loonbelasting)
  • art. 36, lid 2, IW (verplichting tot melding betalingsonmacht)
  • art. 7, lid 1, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (termijn voor melding betalingsonmacht)
  • art. 36, lid 3 en 4, IW (vermoeden van onbehoorlijk bestuur bij niet tijdige melding)
  • art. 36.1 Leidraad Invordering 2008 (samenloop van aansprakelijkstellingsregelingen)

Toepassing

  • art. 36, lid 1, Invorderingswet 1990 (IW) (bestuurdersaansprakelijkheid voor verschuldigde loonbelasting) Eiser was de enige bestuurder van de vennootschappen en is daarom in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de verschuldigde loonheffingen. De naheffingsaanslagen zijn onbetaald gebleven. [Rechtsoverweging 8 en 9]
  • art. 36, lid 2, IW (verplichting tot melding betalingsonmacht) De vennootschappen hebben niet tijdig melding gemaakt van betalingsonmacht voor de naheffingsaanslagen over september 2013, waardoor het vermoeden van onbehoorlijk bestuur ontstaat. [Rechtsoverweging 8]
  • art. 7, lid 1, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (termijn voor melding betalingsonmacht) De melding van betalingsonmacht voor september 2013 was te laat. Voor oktober en november 2013 was de melding tijdig, waardoor de bewijslast voor onbehoorlijk bestuur bij de verweerder ligt. [Rechtsoverweging 8, 9]
  • art. 36, lid 3 en 4, IW (vermoeden van onbehoorlijk bestuur bij niet tijdige melding) Omdat de melding voor september 2013 te laat was en niet is weerlegd dat dit aan eiser te wijten was, wordt het vermoeden van onbehoorlijk bestuur aangenomen. Voor oktober en november 2013 heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat er sprake was van onbehoorlijk bestuur. [Rechtsoverweging 8, 9]
  • art. 36.1 Leidraad Invordering 2008 (samenloop van aansprakelijkstellingsregelingen) Er is geen sprake van samenloop met aansprakelijkstelling door de curator, omdat de betaling van € 31.000 niet in het kader van aansprakelijkstelling door de curator is gedaan en er geen procedure door de curator is doorgezet. [Rechtsoverweging 10]

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de eiser terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen van de vennootschappen. De beroepen worden ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat er geen samenloop is met aansprakelijkstelling door de curator en dat eiser niet aansprakelijk is gesteld voor invorderingsrente. Verder wordt eiser een vergoeding van immateriële schade toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [eiser]
  • Gedaagde: de ontvanger van de Belastingdienst en de Staat der Nederlanden, de Minister voor Rechtsbescherming

Eiser stelt dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld omdat de curator al een regeling heeft getroffen. Hij betwist onbehoorlijk bestuur en verzet zich tegen aansprakelijkheid voor invorderingsrente. Hij vraagt om vergoeding van proceskosten en immateriële schade wegens termijnoverschrijding.

Verweerder stelt dat eiser als bestuurder aansprakelijk is vanwege te late melding van betalingsonmacht. Er is geen samenloop met aansprakelijkstelling door de curator, en de aansprakelijkstelling omvat geen invorderingsrente.

Wetsartikelen

Tijdlijn

  1. 09-11-2015 De advocaat van eiser doet een schikkingsvoorstel aan de curator in een e-mail, waarbij [B.V. 3] € 31.000 aanbiedt om verdere aansprakelijkstellingen te voorkomen.
  2. 29-01-2016 In het faillissementsverslag wordt vermeld dat een regeling is getroffen waarbij de bestuurder € 31.000 aan de boedel betaalt zonder aansprakelijkheid te erkennen.
  3. 23-02-2016 Het faillissement van de vennootschappen eindigt vanwege de staat van de boedel.
  4. 06-09-2016 Verweerder stelt een rapport op naar de mogelijke aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990.
  5. 23-06-2017 Verweerder stelt eiser aansprakelijk voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen van de vennootschappen.
  6. 26-01-2018 Verweerder handhaaft de beschikkingen na uitspraken op bezwaar.
  7. 06-07-2017 Eiser dient een bezwaarschrift in tegen de aansprakelijkstelling.
  8. 24-09-2019 Het onderzoek ter zitting vindt plaats waarbij de gemachtigde van eiser en vertegenwoordigers van verweerder aanwezig zijn.
  9. 05-11-2019 De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en veroordeelt verweerder en de Minister voor Rechtsbescherming tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.