Overlevering toegestaan indien Europees aanhoudingsbevel voldoet aan vereisten en geen reëel risico op onmenselijke behandeling bestaat.

Rechtbank Amsterdam · 7 september 2022 · Eerste en enige aanleg,Op tegenspraak · Internationaal strafrecht

Brits vervolgings-AB, verweer genoegzaamheid verworpen, detentieomstandigheden Verenigd Koninkrijk, proportionaliteitsverweer verworpen, deel van de feiten gepleegd in derde land, maar afzien van weigering o.g.v. artikel 2 Uitvoeringswe

Rechtsvraag

Moet de rechtbank Amsterdam instemmen met de overlevering van de opgeëiste persoon aan de Britse autoriteiten op basis van het Europese aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Westminster Magistrates Court?

Regel

  • art. 3 Uitvoeringswet jo. art. 23 Overleveringswet (OLW) (beslistermijn overleveringsverzoek)
  • art. 632 Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK (HSO) (toepassing titel VII op Europese aanhoudingsbevelen)
  • art. 606 HSO (vereisten aanhoudingsbevel)
  • art. 599, eerste en tweede lid, HSO (toetsing dubbele strafbaarheid)
  • art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verbod op onmenselijke of vernederende behandeling)
  • art. 597 HSO (proportionaliteit en evenredigheid in justitiële samenwerking)
  • art. 2 Uitvoeringswet (weigeringsgrond voor strafbare feiten gepleegd buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat)

Toepassing

  • art. 3 Uitvoeringswet jo. art. 23 Overleveringswet (OLW) (beslistermijn overleveringsverzoek) De rechtbank constateert dat de beslistermijn van 90 dagen is verstreken, wat betekent dat er geen grondslag meer is voor gevangenhouding van de opgeëiste persoon. De zaak kan echter nog steeds inhoudelijk worden behandeld. (Rechtsoverweging 1)
  • art. 632 Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK (HSO) (toepassing titel VII op Europese aanhoudingsbevelen) Het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd vóór het einde van de overgangsperiode, maar de opgeëiste persoon werd pas daarna aangehouden. Daarom moet de overleveringsverzoek worden beoordeeld aan de hand van de HSO en de Uitvoeringswet. (Rechtsoverweging 3)
  • art. 606 HSO (vereisten aanhoudingsbevel) Het AB bevat voldoende informatie over tijd, plaats en mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten, waardoor het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer dat de stukken ongenoegzaam zijn. (Rechtsoverweging 4.1)
  • art. 599, eerste en tweede lid, HSO (toetsing dubbele strafbaarheid) De feiten waarvoor overlevering wordt gevraagd, zijn ook naar Nederlands recht strafbaar als feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een kind. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. (Rechtsoverweging 5)
  • art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verbod op onmenselijke of vernederende behandeling) De rechtbank concludeert dat de detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk geen reëel gevaar vormen voor een onmenselijke behandeling van de opgeëiste persoon, op basis van zowel Unierecht als EHRM-jurisprudentie. (Rechtsoverweging 6)
  • art. 597 HSO (proportionaliteit en evenredigheid in justitiële samenwerking) De rechtbank heeft geen zorgen over de proportionaliteit van het AB gezien de ernst van de verdenkingen, de strafbedreiging, en het feit dat de opgeëiste persoon zich aan vervolging heeft onttrokken. Het verzoek om aanvullende informatie wordt afgewezen. (Rechtsoverweging 7)

Conclusie

De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan het Westminster Magistrates Court (Verenigd Koninkrijk) toe voor de feiten zoals omschreven in het aanhoudingsbevel.

Partijen en standpunten

  • Eiser: Officier van justitie
  • Gedaagde: Opgeëiste persoon

De officier van justitie vordert de overlevering van de opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk op basis van een Europees aanhoudingsbevel (AB) uitgevaardigd door the Westminster Magistrates Court voor het seksueel misbruik van zijn stiefdochter.

De raadsvrouw betoogt dat de stukken ongenoegzaam zijn en verzoekt om nadere specificatie van de feiten. Zij voert tevens aan dat de detentieomstandigheden in het VK mogelijk onmenselijk zijn en dat de overlevering disproportioneel is gezien de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon.

Wetsartikelen

  • art. 4 Handvest

Tijdlijn

  1. 13-02-2019 The Westminster Magistrates Court (Verenigd Koninkrijk) vaardigt een first instance warrant uit voor de arrestatie van de opgeëiste persoon vanwege vermoedelijke strafbare feiten.
  2. 31-12-2020 Einde van de overgangsperiode na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.
  3. 15-06-2022 De opgeëiste persoon wordt in Nederland aangehouden op basis van het eerder uitgevaardigde aanhoudingsbevel.
  4. 16-06-2022 De officier van justitie dient een vordering in bij de Rechtbank Amsterdam voor de overlevering van de opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk.
  5. 24-08-2022 Openbare zitting over het overleveringsverzoek vindt plaats, waarbij de officier van justitie en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon aanwezig zijn.
  6. 07-09-2022 De Rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk toe voor de in het aanhoudingsbevel omschreven feiten.