Geen ligplaatsvergunning vereist als water niet openbaar is volgens VOB-definitie.

Rechtbank Amsterdam ยท 4 juli 2017 ยท Eerste aanleg - meervoudig ยท Bestuursrecht

Ligplaats is geen openbaar water meer, dus ligplaatsvergunning is niet vereist.

Rechtsvraag

Is de Verordening op het binnenwater 2010 (VOB) van toepassing op de kavel van eiser, waarvoor een ligplaatsvergunning is aangevraagd?

Regel

  • art. 1.1.1, sub b, VOB (definitie binnenwater als openbaar water)
  • art. 1.1.1, sub g, VOB (definitie openbaar water als toegankelijk voor publiek of vervoer)
  • art. 1.1.2, lid 1, VOB (toepasselijkheid VOB op binnenwater)

Toepassing

  • art. 1.1.1, sub b, VOB (definitie binnenwater als openbaar water) De rechtbank overweegt dat de kavel door fysieke maatregelen zoals een boeienrij, golfbreker en betonning van het openbaar water is afgescheiden, waardoor het niet voldoet aan de definitie van openbaar water. De maatregelen onttrekken het water aan de openbaarheid, zoals ook bevestigd door Rijkswaterstaat. Dit betekent dat het water van de kavel niet als binnenwater kan worden aangemerkt volgens de VOB.
  • art. 1.1.1, sub g, VOB (definitie openbaar water als toegankelijk voor publiek of vervoer) De rechtbank concludeert dat de getroffen maatregelen (boeienrij, golfbreker en betonning) de toegankelijkheid voor scheepvaart feitelijk verhinderen, waardoor het water niet openbaar is. Dit wordt ondersteund door de bevestiging van Rijkswaterstaat dat het om niet openbaar water gaat. Hierdoor voldoet de kavel niet aan de definitie van openbaar water.
  • art. 1.1.2, lid 1, VOB (toepasselijkheid VOB op binnenwater) Omdat de kavel niet als openbaar water kan worden beschouwd, is de VOB niet van toepassing op de kavel. Dit betekent dat er geen ligplaatsvergunning vereist is, en verweerder was niet bevoegd om op de aanvraag te beslissen.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat de VOB niet van toepassing is op de kavel omdat het water ter plaatse geen openbaar water is. Dit betekent dat geen ligplaatsvergunning nodig is en dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen.

Tijdlijn

  1. 02-12-2014 Eiser heeft een appartementsrecht verkregen van een waterkavel, gelegen aan een adres in Amsterdam, dat in erfpacht is uitgegeven.
  2. 31-03-2015 Eiser heeft een ligplaatsvergunning aangevraagd voor zijn woonschip ten behoeve van de waterkavel.
  3. 05-05-2015 Eiser is eigenaar geworden van het zelfstandig varende woonschip.
  4. 31-08-2015 Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een ligplaatsvergunning afgewezen op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 (VOB).
  5. 05-07-2016 Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
  6. 04-05-2017 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden. Eiser en verweerder waren aanwezig met hun gemachtigden.
  7. 20-04-2017 Een inspecteur van Rijkswaterstaat heeft per e-mail aan eiser bevestigd dat de afscheidingen voldoende duidelijk maken dat het water geen openbaar water is.
  8. 04-07-2017 De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder moet het griffierecht vergoeden en de proceskosten van eiser betalen.