Geen aansprakelijkheid voor letsel bij bekendheid met open kelderluik tijdens werkzaamheden.

Rechtbank Amsterdam · 27 december 2006 · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht

kop: val in kelderluik, onrechtmatige gevaarzetting? waarschuwingsplicht?

Rechtsvraag

Is B aansprakelijk voor de schade die A heeft geleden door het open laten staan van het kelderluik, waardoor A een ongeval heeft gehad?

Regel

  • Art. 6:162 BW (Burgerlijk Wetboek) (Onrechtmatige daad): Een persoon die een ander schade toebrengt door een onrechtmatige daad is verplicht deze schade te vergoeden.
  • Art. 6:174 BW (Burgerlijk Wetboek) (Aansprakelijkheid voor opstallen): De bezitter van een opstal is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een gebrek aan die opstal, tenzij aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW ontbreekt.

Toepassing

  • Art. 6:162 BW (Onrechtmatige daad): Een persoon die een ander schade toebrengt door een onrechtmatige daad is verplicht deze schade te vergoeden. De rechtbank heeft overwogen dat B door het openlaten van het kelderluik een risico in het leven heeft geroepen voor A. Het is echter van belang om te beoordelen of het risico waaraan A werd blootgesteld groter was dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs was verantwoord. De rechtbank oordeelde dat A op de hoogte was van de werkzaamheden aan de kranen en dat het kelderluik gedurende deze werkzaamheden enige tijd open zou blijven. A had bovendien vaker in de woning gewerkt en was bekend met de situatie ter plaatse. Daarom had A rekening moeten houden met het openstaande kelderluik en voorzichtig moeten zijn. De rechtbank concludeerde dat B A niet aan een groter risico heeft blootgesteld dan redelijkerwijs was verantwoord, en dat er geen sprake was van een onrechtmatige gevaarzetting door B.
  • Art. 6:174 BW (Aansprakelijkheid voor opstallen): De bezitter van een opstal is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een gebrek aan die opstal, tenzij aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW ontbreekt. De rechtbank heeft niet expliciet art. 6:174 BW genoemd in de rechtsoverwegingen, maar de beoordeling was voornamelijk gericht op de vraag of er sprake was van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Aangezien de rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen sprake was van een onrechtmatige gevaarzetting door B, is de aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 BW niet verder onderzocht.

Conclusie

De rechtbank wijst de vorderingen van A af en concludeert dat B niet aansprakelijk is voor de schade die A heeft geleden als gevolg van het ongeval. A wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van B, begroot op € 1.064,00.

Partijen en standpunten

  • Eiser: A
  • Gedaagde: B

A vordert een verklaring voor recht dat B schadeplichtig is voor de door A geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval op 20 april 2004, en veroordeling van B tot betaling van diverse schadeposten en buitengerechtelijke kosten.

B voert aan dat hij A heeft gewaarschuwd voor het openstaande kelderluik en dat A bekend was met de situatie ter plaatse. B stelt dat het openlaten van het luik noodzakelijk was voor de werkzaamheden en dat A voorzichtig had moeten zijn.

Tijdlijn

  1. 20-04-2004 A en B verrichten werkzaamheden in de badkamer van een woning aan de Brouwersgracht 103 te Amsterdam. A is tegelzetter en B is loodgieter.
  2. 20-04-2004 A valt in een open kelderluik dat door B was opengezet, waardoor A een enkelfractuur en gekneusde ribben oploopt.
  3. 05-07-2006 De rechtbank Amsterdam heeft een tussenvonnis gewezen.
  4. 11-10-2006 Een brief met bijlagen is door mr. C ingediend bij de rechtbank.
  5. 27-10-2006 Er is een proces-verbaal van comparitie opgemaakt.
  6. 27-12-2006 De rechtbank wijst de vorderingen van A af en veroordeelt A in de proceskosten van B, begroot op € 1.064,00.