Bestuurdersaansprakelijkheid faalt bij onvoldoende voorzienbaarheid en ontbreken persoonlijk ernstig verwijt.

Parket bij de Hoge Raad · 28 mei 2026 · Civiel recht

Bestuurdersaansprakelijkheid; art. 6:162 BW; Beklamelnorm; motiveringsklachten.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [eiseres] B.V.

Wetsartikelen

  • art. 215 lid 2 Fw
  • art. 233 Fw
  • art. 419 Rv
  • art. 149 lid 1 Rv

Tijdlijn

  1. 12-10-2020 [eiseres] sloot met RCCS een raamovereenkomst voor de levering van wisselgeld. Betaling geschiedde steeds handmatig op de wisselgeldrekening van RCCS.
  2. 01-01-2021 [verweerder 1] werd bestuurder van RCCS Holding, die enig aandeelhouder en enig bestuurder van RCCS was.
  3. 01-02-2021 [verweerder 2] werd bestuurder van RCCS Holding.
  4. 01-03-2019 Na overname van activiteiten van een branchegenoot ontstond tijdens het onboarding-proces van nieuwe klanten een tekort in de CiT-gelden; dit tekort bleef in de jaren daarna bestaan en vormde mede de financiële problematiek van RCCS. De exacte aanvangsdatum is uit de tekst af te leiden als eerste helft 2019, maar niet preciezer.
  5. 20-12-2019 Privatbank zegde de overeenkomst met RCCS voor de Target 2-rekeningen op tegen 1 januari 2021; die einddatum werd later meerdere malen verlengd tot uiteindelijk 24 maart 2022.
  6. 00-00-0000 [Begin 2022] RCCS had begin februari 2022 nog geen vervangende bank gevonden voor de verwerking van CiT- en SmartSafe-gelden. Zij vroeg Rabobank om tijdelijk de betaalrekening te mogen gebruiken voor CiT-gelden en verzocht DNB om in de gesprekken met Rabobank te bemiddelen. Op 11 februari 2022 liet DNB weten serieus rekening te houden met het stoppen van de dienstverlening, maar ook te willen meedenken over oplossingen en een mogelijk overnamescenario door een Duitse waardetransporteur.
  7. 15-02-2022 Rabobank wees het verzoek van RCCS af om tijdelijk gebruik te mogen maken van de betaalrekening voor CiT-gelden.
  8. 23-02-2022 DNB berichtte RCCS dat voor een tijdelijke constructie eerst de schuld uit achterstallige betalingen aan retailers moest zijn afgelost en dat uiterlijk eind die week zekerheid moest bestaan over volledige financiering. Diezelfde dag stuurde [verweerder 2] een e-mail aan [betrokkene 1] van de Ziemann Group met een plan voor een surseanceverzoek en een mogelijke overname van RCCS, inclusief voortzetting van de onderneming en betaling van achterstallige verplichtingen. Ook verzochten [verweerders] de aandeelhouders van RCCS Holding om een financiering van € 7,4 miljoen; de grootste aandeelhouder weigerde mee te werken.
  9. 25-02-2022 DNB liet RCCS weten dat de gevraagde zekerheid over funding niet was gegeven en dat, tenzij uiterlijk de daaropvolgende maandag schriftelijke zekerheid zou volgen, uit voorzorg een scenario van surseance of faillissement moest worden voorbereid.
  10. 26-02-2022 RCCS stuurde een update aan haar stakeholders waarin werd gemeld dat alle pogingen om surseance te voorkomen waren mislukt, dat een tijdelijke bankrekening noodzakelijk was, dat de voorwaarden van DNB en de Nederlandse banken niet konden worden gehaald en dat medio de volgende week surseance van betaling zou moeten worden aangevraagd. In die update werd aangekondigd dat op maandag nog een laatste overleg met DNB zou plaatsvinden en dat anders dinsdag of woensdag surseance zou volgen.
  11. 01-03-2022 Om 09:45 uur zonden RCCS en RCCS Holding per e-mail aan de rechtbank Den Haag een verzoekschrift tot surseance van betaling, zonder bijlagen, met het verzoek om later te kunnen worden behandeld en om vooraf de naam van een beoogd bewindvoerder te vernemen. Om 11:06 uur plaatste [eiseres] via het online portaal van RCCS een wisselgeldbestelling van € 500.000,- met levering op 3 maart 2022. Om 11:41 uur bevestigde RCCS dat het transport was ingepland voor 8 maart 2022. Om 13:14 uur maakte [eiseres] het bedrag handmatig over naar de wisselgeldrekening. Om 12:52 uur mailde de advocaat van RCCS aan de rechtbank dat eerst alternatieven moesten worden bezien voordat surseance openbaar zou worden. Kort daarna sprak de voorzitter van de insolventiekamer telefonisch met de advocaat, waarna deze toezegde het verzoekschrift fysiek en compleet in te dienen; vervolgens werden mr. Hoving en mr. Broeseliske als beoogd bewindvoerders genoemd en kreeg de advocaat het verzoekschrift toegestuurd.
  12. 02-03-2022 De advocaat van RCCS diende het verzoekschrift met bijlagen fysiek in bij de rechtbank Den Haag. Diezelfde dag om 16:50 uur verleende de rechtbank voorlopige surseance van betaling aan RCCS en RCCS Holding en benoemde mr. Hoving en mr. Broeseliske tot bewindvoerders. Ook stuurde [verweerder 1] een e-mail aan klanten over de surseance. De wisselgeldbestelling van [eiseres] bleef daarmee onuitgeleverd.

ondernemingsrecht · bestuurdersaansprakelijkheid · insolventierecht · faillissement · surseance · procesrecht · cassatie · bewijslast · wanprestatie