Art. 54 Fw sluit saldering van uitgaande betalingen na het peilmoment uit.

Parket bij de Hoge Raad · 25 september 2025 · Civiel recht; Insolventierecht

Faillissementsrecht. Verbod op verrekening door de bank van inkomende betalingen op rekening van klant als bank niet te goeder trouw is (art. 54 lid 1 Fw). Kunnen wel nog uitgaande betalingen uit de inkomende betalingen worden gedaan (de zogeheten salderingsleer)? Verplichting bank om betalingsopdrachten uit te voeren. Samenhang met zaak 25/00289.

Partijen en standpunten

  • Eiser: S. Jansen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.

Wetsartikelen

  • art. 54 lid 1 Fw
  • art. 54 Fw
  • art. 53 Fw
  • art. 53 lid 1 Fw
  • art. 7:7:533 lid 4 BW
  • art. 31 Rv
  • art. 3:3:277 lid 1 BW
  • art. 54 lid 3 Fw
  • art. 7:7:523 lid 2 BW
  • art. 7:7:533 BW
  • art. 6:6:140 BW
  • art. 3:3:277 BW
  • art. 47 Fw
  • art. 42 Fw
  • art. 235 lid 1 Fw
  • art. 52 Fw
  • art. 23 Fw

Tijdlijn

  1. 28-02-2017 Rabobank financierde de vennootschap en verstrekte een kredietlimiet van € 25.000,-. De vennootschap hield een bankrekening aan bij Rabobank en stelde zekerheden, waaronder een stil pandrecht. Tussen partijen bestond een rekening-courantverhouding in de zin van art. 6:140 BW, zodat inkomende en uitgaande betalingen automatisch in het saldo werden verwerkt.
  2. 00-00-0000 [begin-03-2020] Na het uitbreken van de coronacrisis moest de vennootschap haar café-restaurant aan zee noodgedwongen sluiten. De vennootschap deed vervolgens een beroep op overheidssteun.
  3. 10-04-2020 Het UWV kende aan de vennootschap op grond van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid een tegemoetkoming toe voor maart, april en mei 2020 van € 58.042,-. Daarbij werd bepaald dat € 46.434,- als voorschot in drie maandelijkse termijnen van € 15.478,- zou worden betaald.
  4. 14-04-2020 De eerste termijn van € 15.478,- aan NOW-subsidie werd bijgeschreven op de bankrekening van de vennootschap bij Rabobank. Voorafgaand aan de bijschrijving bedroeg het saldo min € 25.569,94; na de bijschrijving en verrekening in rekening-courant bedroeg het saldo min € 10.091,94.
  5. 17-04-2020 De vennootschap diende op eigen verzoek een verzoekschrift tot faillietverklaring in.
  6. 21-04-2020 De vennootschap werd failliet verklaard. De curator trad in het faillissement op namens de boedel.
  7. 21-04-2020 [na] De curator verzocht Rabobank om het bedrag van € 15.478,- uit hoofde van de NOW-subsidie over te maken naar de boedelrekening. Rabobank voldeed niet aan dit verzoek.
  8. 01-04-2021 De curator dagvaardde Rabobank voor de rechtbank Midden-Nederland, sector kanton. Hij vorderde onder meer een verklaring voor recht dat de verrekening van de NOW-bijschrijving in strijd was met art. 54 lid 1 Fw, dat Rabobank geen beroep toekwam op de uitzondering uit Mulder q.q./CLBN, en veroordeling van Rabobank tot betaling aan de boedel.
  9. 30-03-2022 De rechtbank Midden-Nederland wees de vorderingen van de curator af. De rechtbank oordeelde wel dat Rabobank zich niet kon beroepen op het door haar gevoerde standpunt dat art. 54 Fw niet van toepassing zou zijn als de bank na het peilmoment uitgaande betalingen verricht, maar zij vond niet bewezen dat Rabobank op 14 april 2020 niet te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw.
  10. 30-03-2022 [na] De curator stelde hoger beroep in bij het hof Arnhem-Leeuwarden. In hoger beroep maakten partijen procesafspraken: vast kwam te staan dat Rabobank vóór 14 april 2020 niet meer te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw, en Rabobank liet haar verweer varen dat zij een rechtsgeldig pandrecht op de NOW-vordering had verkregen. Daarmee bleef alleen de rechtsvraag over of art. 54 Fw zich verzet tegen verrekening van inkomende betalingen met uitgaande betalingen na het peilmoment.
  11. 05-03-2024 Het hof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Het hof volgde Rabobank en oordeelde dat art. 54 lid 1 Fw niet in de weg staat aan verrekening van de schuld die ontstaat door creditering van een inkomende betaling na de peildatum met de vordering die de bank verkrijgt door daarna nog betalingsopdrachten van de schuldenaar uit te voeren. Het hof achtte van belang dat Rabobank volgens het hof niet ongerechtvaardigd werd bevoordeeld en dat onverkorte toepassing van art. 54 Fw ongewenste maatschappelijke gevolgen zou hebben. Het hof stelde vast dat Rabobank nog € 2.076,16 aan de boedel had afgedragen, zodat de vordering van de curator niet meer toewijsbaar was.
  12. 04-06-2024 De curator stelde tijdig cassatieberoep in tegen het arrest van het hof van 5 maart 2024.

faillissement · insolventierecht · verrekening · procesrecht · cassatie · bankrecht · financieel-recht