Fiscale eenheid blijft in stand; renteaftrek slechts beperkt onder art. 10a Wet Vpb.
(i) Volgt uit de IB-procedure HR BNB 2017/222 over groot koopmanschap van de grootaandeelhouder/ beleidsbepaler van de belanghebbende dat geen fiscale eenheid heeft bestaan tussen de belanghebbende en haar (kleind)dochters omdat het economische belang bij belanghebbendes vermogensbestanddelen niet bij haar maar bij die aandeelhouder lag? Heeft HR BNB 2017/222 ook gezag van gewijsde in dit geding tussen de belanghebbende en de Inspecteur Vpb? (ii) Renteaftrek? Art. 10a(3)(b) Wet Vpb; compenserende heffing? Bij wie? Tegenbewijs zakelijkheid? De belanghebbende stelt – jaren na dato - dat ondanks haar verzoek om en aangiften als fiscale eenheid van 2002 tot 2020 toch nooit een fiscale eenheid tot stand is gekomen en dat daarom de aan haar opgelegde aanslagen alleen haar eigen resultaten kunnen omvatten en niet die van haar (klein)dochters jegens wie de aanslagtermijn is verstreken. Zij baseert zich daarbij – uitsluitend - op (de op basis van bewijslastomkering gegeven oordelen van de feitenrechters in) in de inkomstenbelastingzaak HR BNB 2017/222 over de IB-positie van haar indirecte grootaandeelhouder/beleidsbepaler, waaruit zou volgen dat niet zij, maar steeds die grootaandeelhouder/beleidsbepaler de economische eigendom van haar deelnemingen zou hebben gehad, zodat nooit aan de 95%-bezitseis zou zijn voldaan. Volgens A-G Wattel leest de belanghebbende in die zaak echter oordelen die niet gegeven zijn en feitelijke vaststellingen die niet gedaan zijn. Die IB-zaak is afgedaan op (i) omkering van de bewijslast wegens onrechtmatige weigering van informatieverstrekking door die grootaandeelhouder en (ii) groot koopmanschap van die grootaandeelhouder en diens zakenpartner. Groot koopmanschap heeft kenmerken van een fiscale eenheid voor de inkomstenbelasting, maar is geen vereenzelviging van de belanghebbende of andere door de groot koopman beheerst vennootschappen met die groot koopman. Het is evenmin toerekening van economische eigendom van belanghebbendes of andere vermogensbestanddelen aan die groot koopman. En het is evenmin fiscale transparantie van de belanghebbende. Het houdt niet meer in dan toerekening aan de groot koopman van resultaten van bepaalde transacties verricht door de groot koopman mede met of door of via de door hem beheerste entiteiten. Het zegt niets over de vraag of voor de vennootschapsbelasting al dan niet een fiscale eenheid bestaat tussen door de groot koopman beheerste vennootschappen. Anders dan zij betoogt, kan de belanghebbende volgens de A-G aan de onrechtmatige informatieweigering door de groot koopman in de IB-zaak en de daaruit voortvloeiende omkering van de bewijslast in die zaak ook geen voor haar gunstiger bewijslastverdeling in deze Vpb-zaak ontlenen. Die IB-zaak heeft geen kracht van gewijsde of derdenwerking of vermoedensgenererende werking te haren gunste in deze Vpb-procedure tussen andere partijen. Het blijft op haar weg liggen om het volgens de feitenrechter uit het dossier oprijzende en uit haar eigen f.e.-verzoek en haar consequente eenheidsaangiften en volle eigenaarsgedrag volgende bewijs(vermoeden) te ontzenuwen door aanemelijk te maken dat in de geschiljaren niet aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid was voldaan. Dat het Hof daartoe haar blote verwijzing naar en beroep op HR BNB 2017/222 onvoldoende achtte, is volgens de A-G geenszins onbegrijpelijk. Als wel een fiscale eenheid bestaat, is in geschil of door de belanghebbende aan een gelieerde vennootschap betaalde rente op een interne schuld tot financiering van een interne verhanging aftrekbaar is. ’s Hofs (bewijs)oordelen dat zich alleen een compenserende (inkomstenbelasting)heffing bij de zakenpartner van de groot koopman voordeed en niet bij de groot koopman zelf en dat de belanghebbende geen zakelijke motieven voor de interne verhanging aannemelijk heeft gemaakt, verraden volgens de A-G voor zover rechtskundig geen onjuiste rechtsoordelen en zijn, voor zover feitelijk, voldoende onderbouwd. Conclusie: ongegrond.
Partijen en standpunten
- Eiser: [X] B.V.
Wetsartikelen
- art. 236 Rv
- art. 10a Wet Vpb
- art. 8:29 Awb
- art. 3:3:171 BW
- art. 6:6:101 BW
- art. 4:2 lid 2 Awb
- art. 3:2 Awb
- art. 47 lid 1 AWR
- art. 3.92 Wet IB 2001
Tijdlijn
- 15-11-1997 [D] en [A] sloten een participatieovereenkomst voor de economische eigendom van aandelen in [I]. Daarin werd vastgelegd dat [D] 50% van haar economische belang bij de aandelen [I] voor rekening en risico van [A] hield, met afspraken over uitkeringen en verkoopopbrengsten.
- 16-08-2001 [L] kocht alle aandelen in [G] van [H] voor NLG 1.530.000. Daardoor verkreeg [L] indirect de juridische en economische eigendom van de aandelen [J] en de juridische eigendom van de aandelen [I]. Tegelijkertijd kocht [L] ook 30% van de economische eigendom van de aandelen [I] van [H].
- 00-00-0000 [2001] [D] verkocht de overige 70% van de economische eigendom van de aandelen [I] aan [L] voor NLG 8.470.000. [L] bleef beide koopsommen schuldig. In hetzelfde jaar werd het toonderaandeel van [C] ingebracht in Stichting [K].
- 05-10-2001 Via haar 100%-belang in [E] hield [C] vanaf deze datum indirect 90% van de aandelen in de belanghebbende. De overige 10% werd gehouden door [F].
- 05-11-2001 [L] en de belanghebbende kwamen overeen dat de belanghebbende alle aandelen in [G] van [L] zou kopen voor NLG 10.000.000. Tegelijkertijd verstrekte [L] aan de belanghebbende een lening van € 3.811.754 (NLG 8.400.000) tegen 8% rente per jaar.
- 29-11-2001 [L] leverde alle aandelen in [G] aan de belanghebbende. In de akte van overdracht werden garanties opgenomen over eigendom, zekerheidsrechten en winstgerechtigdheid van de aandelen.
- 01-01-2002 Op verzoek van de belanghebbende werd zij door de Inspecteur aangemerkt als moedermaatschappij van een fiscale eenheid met [G], [I] en [J] als gevoegde (klein)dochters. Vanaf dit moment deed zij aangiften vennootschapsbelasting als fiscale-eenheidsmoeder.
- 00-00-0000 [2002-2005] De belanghebbende bracht de rente op haar schuld aan [L] in aftrek in haar aangiften vennootschapsbelasting. De Inspecteur weigerde die aftrek en legde aanslagen op naar belastbare bedragen van € 750.137 (2002), € 973.576 (2003), € 774.646 (2004) en € 293.907 (2005), met heffingsrente. Voor 2001 werd het verlies vastgesteld op € 5.955.
- 17-02-2005 De Inspecteur begon in verband met de betrokken transacties schriftelijk en mondeling informatie van [A] te vragen. Dit onderzoek vormde de aanloop naar de inkomstenbelastingprocedure waarin later omkering en verzwaring van de bewijslast werd toegepast.
- 00-00-0000 [2005] [L] droeg haar vordering op [JJ] over aan Stichting [K]. Dit past in de bredere structuur van financieringen en deelnemingen die in de procedures centraal stond.
- 00-00-0000 [2011] [B] besloot om gezondheidsredenen een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst te sluiten. De advocaat van [B] en die van [A] werkten daarbij samen. In een later overgelegd memo werd vermeld dat op de vordering van de belanghebbende jaarlijks fl. 100.000 rente werd ontvangen en dat dit leidde tot een belastingbetaling tot en met 2008 van € 0,3 miljoen, terwijl de totale schikkingssom € 1,8 miljoen bedroeg.
- 21-03-2013 Een e-mail met memo van de advocaat van [B] aan [A] werd opgesteld, waarin de fiscale schikkingsonderhandelingen met de Belastingdienst werden toegelicht. Dit document speelde later een rol bij de beoordeling van compenserende heffing in de vennootschapsbelastingzaak.