Geen aftrek voor oprenting en valutaverlies bij voorwaardelijke kapitaalstorting; activeren als kostprijs deelneming.

Parket bij de Hoge Raad · 5 juli 2024 · Bestuursrecht; Belastingrecht

Driehoeksfusie; voorwaardelijke informele kapitaalstorting; moedervennootschap neemt betalingsverplichting op zich voor de koopsom voor aandelen in een target die in handen komen van een (achterklein)dochtervennootschap als aan opschortende voorwaarden wordt voldaan: (i) Kan de voorwaardelijke betalingsverplichting als schuld of voorziening worden gepassiveerd? (ii) zijn de oprenting van en een valutaverlies op die betalingsverplichting aftrekbaar of kostprijs deelneming? Feiten: Op 16 september 2015 is een Agreement and Plan of Merger (APM) ondertekend op grond waarvan belanghebbendes (achter)kleindochter de aandelen in een target verkrijgt tegen betaling aan de zittende aandeelhouders van USD 34,90 per aandeel. Deze betalingsverplichting rust op belanghebbende – ook al verkrijgt zij slechts indirect de aandelen – en is renteloos. De APM bevat verschillende opschortende voorwaarden die op 21 juni 2016 alle vervuld zijn. Belanghebbende heeft toen aan haar betalingsverplichting voldaan, waarbij zij een koersverlies heeft geleden. In geschil is (i) of belanghebbendes opschortend voorwaardelijke betalingsverplichting ex de APM ultimo 2015 gepassiveerd kon worden als schuld of voorziening en (ii) of de voorwaardelijke oprenting ervan (het verschil tussen dier contante en nominale waarden) en het voorwaardelijke ongerealiseerde valutaverlies in aftrek op haar fiscale winst komen. Rechtbank Noord-Holland achtte passivering als schuld niet mogelijk, nu ultimo 2015 de opschortende voorwaarden niet vervuld waren en de voorwaardelijke betalingsverplichting dus juridisch niet afdwingbaar was. Zij achtte een voorziening evenmin mogelijk omdat het op zich nemen van de betalingsverplichting een informele kapitaalstorting inhield, door de belanghebbende gestort in haar deelneming die indirect haar verkrijgende (achter)kleindochter hield. Belanghebbendes betaling moet dus worden geactiveerd als kostprijs deelneming, zodat de betalingsverplichting geen invloed heeft op de fiscale winst. Op het hogere beroep van de belanghebbende oordeelde ook Hof Amsterdam dat de oprenting en het latente valutaverlies haar fiscale winst niet raken. Vanwege het ontbreken van juridische afdwingbaarheid is passivering als schuld niet mogelijk. Het Hof heeft vervolgens verondersteld dat een voorziening getroffen zou kunnen worden vanaf september 2015, maar meende dat dat de belanghebbende niet zou baten omdat daartegenover aan de actiefzijde van haar balans de boekwaarde van de desbetreffende deelneming met hetzelfde bedrag omhoog zou gaan. De oprentingslast en het valutaverlies hebben dan geen invloed op haar belastbare winst omdat beide moeten worden geactiveerd, hetzij als (voorwaardelijke) verhoging van de boekwaarde van haar deelneming, hetzij als transitorische actiefpost. De belanghebbende heeft principaal cassatieberoep ingesteld. Volgens haar middel (i) heeft het Hof een essentiële stelling ongemotiveerd gepasseerd, nl. dat een passiefpost mag worden gevormd: het Hof is er slechts “voor zover nodig veronderstellenderwijs” vanuit te gaan dat een passiefpost mag worden opgenomen. Volgens A-G Wattel mist middel (i) feitelijke grondslag omdat het op verkeerde lezing berust. Het Hof heeft geoordeeld dat op balansdatum geen rechtens afdwingbare verplichting bestond vanwege de nog niet vervulde opschortende voorwaarde en dat geen schuld en evenmin een voorziening gepassiveerd kon worden, maar heeft ten overvloede overwogen dat ook als dat anders zou zijn, bijvoorbeeld omdat de vroegere WIR-benadering van aangegane verplichtingen opgeld zou doen dan wel aan de eisen van het Baksteenarrest voldaan zou zijn, de belanghebbende daar niet mee gebaat zou zijn omdat alsdan een even grote actiefpost zou moeten worden opgenomen als kostprijs deelneming. Het Hof heeft bovendien wel degelijk geoordeeld dat een voorziening voor de oprenting niet mogelijk is omdat geen sprake is van lasten die de jaargrens overschrijden. Dat toekomstige valutaresultaten niet voldoen aan de ‘redelijke-zekerheids’-eis van het Baksteenarrest lijkt de A-G zo vanzelfsprekend dat het Hof dat niet expliciet hoefde te zeggen, daargelaten dat die algemene bekendheid in casu niet van belang is omdat valutaresultaten op de betalingsverplichting volgens ‘s Hofs rechtens correcte en geenszins onbegrijpelijke oordeel hoe dan ook een informele kapitaalstorting en daarmee kostprijs deelneming zijn. Middel (ii) bestrijdt ‘s Hofs feitelijke oordeel dat de belanghebbende geen recht op levering van de aandelen heeft gehad (en dat dus ook niet heeft ingebracht in haar indirecte deelneming) omdat dat recht op grond van de APM-bepalingen rechtstreeks door [C] is verkregen. Volgens belanghebbende ontstaat daardoor “een asymmetrie” omdat het valutaresultaat en de oprentingslast vast zitten aan de betalingsverplichting (die bij de belanghebbende bleef) en niet aan het leveringsrecht (dat naar de (achter)kleindochter ging). Door daar geen rekening mee te houden, heeft het Hof de totale winst ex art. 3.8 Wet IB 2001 onjuist opgevat. Dat oordeel berust volgens A-G Wattel echter op de uitleg van de APM en is niet onbegrijpelijk. De achterkleindochter verkreeg volgens die uitleg op 16 september 2015 – door belanghebbendes toedoen om niet – rechtstreeks het (voorwaardelijke) recht op de aandelen, hetgeen een (voorwaardelijke) informele storting van de contante waarde van de prijs van die aandelen, dus van de betalingsverplichting door de belanghebbende in haar deelneming impliceert. De betalingsverplichting en de daaraan vastzittende oprenting en valutarisico’s waren volgens ‘s Hofs begrijpelijke uitleg van de APM aan dezelfde opschortende voorwaarden onderworpen als het leveringsrecht ter zake van de aandelen. Zolang die niet vervuld waren, zou noch geleverd, noch betaald (kunnen) worden. De A-G ziet overigens het belang niet van belanghebbendes betoog dat de informele inbreng niet in de schuldoverneming maar in de inbreng van het leveringsrecht zit. Ook als het leveringsrecht eerst naar de belanghebbende zou zijn gegaan en terstond daarna naar de gelieerde verkrijgster, zouden de oprenting van en het valutaresultaat op de betalingsverplichting informele kapitaalinbreng zijn geweest, nu het hof feitelijk en begrijpelijk heeft vastgesteld dat de enige verklaring voor het nemen van die twee lasten ligt in de aandeelhoudersrelatie. Er doet zich dus geen ‘asymmetrie’ voor. Alle lasten die de belanghebbende op zich heeft genomen om de gratis verwerving van de aandelen door haar achterkleindoschter mogelijk te maken, op welk moment ook, zijn kostprijs deelneming en dus niet aftrekbaar, maar te activeren. Middel (iii) bestrijdt ’s Hofs oordeel dat het valutaverlies en de oprentingslast onderdeel zijn van de kostprijs van belanghebbendes deelneming. Volgens de A-G is dat oordeel echter juist, gegeven de aan het Hof voorbehouden feitenvaststelling en uitleg van de APM: de belanghebbende maakte de rentekosten en liep het valutarisico uitsluitend omdat zij indirect de verkrijgende achterkleindochter hield. Het Hof heeft, daarvan uitgaande, terecht geoordeeld dat ook als deze lasten ultimo 2015 al passiveerbaar zouden zijn, daartegenover ofwel de kostprijs deelneming met hetzelfde bedrag stijgt, ofwel een transitorische post geactiveerd moet worden die de kwalificatie van de post in het midden laat totdat duidelijk is of de opschortende voorwaarden vervuld worden en dan ofwel vrijvalt, ofwel overgeboekt wordt naar kostprijs deelneming De Staatssecretaris heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld omdat volgens hem niets gepassiveerd kan worden, ook niet veronderstellenderwijs. Dat beroep komt volgens de A-G niet aan snee. Conclusie: principaal cassatieberoep ongegrond; incidenteel cassatieberoep zonder belang.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [X] S.a.r.l.

Wetsartikelen

  • art. 3.8 Wet IB 2001
  • art. 3.25 Wet IB 2001
  • art. 6:6:22 BW
  • art. 3.30 Wet IB 2001
  • art. 3.25 Wet IB
  • art. 6:6:21 BW

Tijdlijn

  1. 16-09-2015 Ondertekening van de Agreement and Plan of Merger (APM) tussen [A] NV, [B] en [D] strekkende tot een driehoeksfusie. [D] was indirect volledig in handen van [A] NV via [B1] BV, [B2] BV, [B3] BV en [C]. In de APM werd vastgelegd dat de oude aandeelhouders van [B] contanten zouden ontvangen, te betalen door [A] NV, en dat de transactie aan opschortende voorwaarden was onderworpen, waaronder goedkeuring door de aandeelhouders van [B] en de Federal Communications Commission. Volgens de belanghebbende ontstond toen reeds een voorwaardelijke betalingsverplichting en werd het leveringsrecht aan [C] toegekend.
  2. 05-10-2015 De belanghebbende wisselde € 1.600.000.000 om voor USD 1.829.000.000 om aan haar dollarverplichting te kunnen voldoen. Daarmee ontstond voor dat deel een natuurlijke afdekking van het valutarisico. Het resterende valutarisico ter grootte van USD 222.000.000 bleef ongedekt.
  3. 31-12-2015 Ultimo 2015 waardeerde de belanghebbende de uit de APM voortvloeiende renteloze betalingsverplichting op de contante waarde en bracht zij de oprenting daarvan ten laste van het resultaat 2015. Ook het ongerealiseerde valutaverlies over het ongedekte deel van de verplichting werd in 2015 verwerkt. In geschil is of deze post toen als schuld of voorziening kon worden gepassiveerd en of de daarmee samenhangende lasten aftrekbaar waren.
  4. 17-06-2016 [A] NV voldeed deels aan de betalingsverplichting jegens de aandeelhouders van [B] door bankoverschrijvingen. De belanghebbende bracht de oprenting en het valutaverschil die samenhingen met deze betaling ten laste van het resultaat 2016.
  5. 20-06-2016 [A] NV voldeed verder aan de betalingsverplichting jegens de aandeelhouders van [B] door aanvullende bankoverschrijvingen. Ook hierbij verwerkte de belanghebbende de samenhangende oprenting en valutagevolgen in haar resultaat 2016.
  6. 21-06-2016 De opschortende voorwaarden van de APM waren vervuld en de driehoeksfusie werd afgerond. In de jaarrekening 2016 werd vermeld dat de acquisitie per deze datum succesvol was voltooid en overeenkomstig IFRS 3 in de geconsolideerde jaarrekening was verwerkt.
  7. 01-02-2018 [A] NV diende de aangifte vennootschapsbelasting 2015 in, uitgaande van een belastbare winst van € 16.674.863. De inspecteur week later van deze aangifte af.
  8. 13-03-2019 [A] NV diende de aangifte vennootschapsbelasting 2016 in, uitgaande van een belastbare winst van € -/- 67.864.332. Ook van deze aangifte week de inspecteur later af.
  9. 00-00-0000 [[datum niet vermeld]] De inspecteur stelde de belanghebbende voor de periode 1 mei 2015 tot en met ultimo 2016 aanslagen vennootschapsbelasting vast, alsmede een verzuimboete en belastingrente. Voor de periode 1 mei tot en met 31 december 2016 werd een belastbaar bedrag vastgesteld en voor 2016 eveneens een belastbaar bedrag. Later werden deze bedragen ambtshalve verminderd.
  10. 30-11-2022 De Rechtbank Noord-Holland deed uitspraak in eerste aanleg. Zij oordeelde dat de betalingsverplichting onder opschortende voorwaarden stond, zodat ultimo 2015 geen juridisch afdwingbare schuld kon worden gepassiveerd. Ook een voorziening achtte de rechtbank niet mogelijk, omdat de betaling volgens haar neerkwam op een informele kapitaalstorting die moest worden geactiveerd als kostprijs van de deelneming. Het beroep werd ongegrond verklaard en het beroep tegen de verzuimboete was inmiddels ingetrokken.
  11. 26-09-2023 Het Gerechtshof Amsterdam deed uitspraak in hoger beroep. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank met aanvulling van gronden. Het oordeelde dat de belanghebbende niet op enig moment een recht op levering van de aandelen [B] heeft gehad, dat [C] rechtstreeks het leveringsrecht verkreeg en dat de belanghebbende [C] bevoordeelde door de betalingsverplichting op zich te nemen. Daardoor moesten de oprentingslasten en het valutaverlies volgens het hof worden geactiveerd als kostprijs van de deelneming, zodat zij de fiscale winst niet raakten.
  12. 21-06-2024 De procureur-generaal bij de Hoge Raad nam conclusie in cassatie. Hij achtte de cassatiemiddelen van de belanghebbende ongegrond, meende dat het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de staatssecretaris niet tot behandeling hoefde te leiden en gaf in overweging het principale cassatieberoep met toepassing van artikel 81, eerste lid, Wet RO ongegrond te verklaren.

belastingrecht · vennootschapsbelasting · goed koopmansgebruik · voorziening · passivering · oprenting · valutaverlies · deelneming · aanslag · procesrecht