Nietigheid van de appeldagvaarding vergt concrete onredelijke benadeling; louter late kennisname volstaat niet.

Parket bij de Hoge Raad · 30 mei 2023 · Civiel recht; Burgerlijk procesrecht

Procesrecht. Nietigheid appeldagvaarding. Verhouding art. 66 en 122 Rv. Onredelijke benadeling in de zin van art. 122 lid 1 Rv. Valt daaronder vertraging in kennisneming van appel? 'Andere persoon'als bedoeld in art. 46 lid 1 Rv.

Partijen en standpunten

  • Eiser: [eiser 1] en [eiseres 2]

Wetsartikelen

  • art. 122 Rv
  • art. 46 lid 1 Rv
  • art. 66 Rv
  • art. 66 lid 1 Rv
  • art. 46 Rv
  • art. 122 lid 1 Rv
  • art. 94 lid 1 Rv
  • art. 94 Rv
  • art. 45 Rv
  • art. 419 lid 2 Rv
  • art. 157 lid 1 Rv
  • art. 151 Rv
  • art. 353 lid 1 Rv
  • art. 418a Rv
  • art. 65 Rv
  • art. 121 lid 1 Rv
  • art. 121 lid 2 Rv
  • art. 121 lid 3 Rv
  • art. 30a Rv
  • art. 120 Rv

Tijdlijn

  1. 01-01-2009 [eiser 1] en [eiseres 2] behartigden vanaf deze datum de financiële belangen van erflaatster [de moeder].
  2. 00-00-0000 [[overlijdensdatum]-2015] Erflaatster [de moeder] overleed in 2015. [de erfgenamen] waren samen met hun in 2016 overleden broer [de overleden broer] haar erfgenamen.
  3. 22-01-2019 [de erfgenamen] startten de procedure in eerste aanleg door indiening van de procesinleiding bij de rechtbank Gelderland. Zij vorderden veroordeling van [eiser 1] en [eiseres 2] tot betaling van € 61.037,32 wegens gestelde onrechtmatige onttrekkingen aan de bankrekening van erflaatster.
  4. 20-12-2019 De rechtbank Gelderland oordeelde in vonnis dat sprake was van onrechtmatige onttrekkingen door [eiser 1] en [eiseres 2] en dat zij onrechtmatig hadden gehandeld jegens erflaatster. De rechtbank gaf [de erfgenamen] gelegenheid bij akte de omvang van de schade nader te onderbouwen.
  5. 09-06-2020 De rechtbank begrootte de schade van [de erfgenamen] op € 45.461,43 en veroordeelde [eiser 1] en [eiseres 2] hoofdelijk tot betaling van dat bedrag aan [de erfgenamen].
  6. 08-09-2020 [eiser 1] en [eiseres 2] stelden hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen de vonnissen van 20 december 2019 en 9 juni 2020. In de appeldagvaarding werden [de erfgenamen] opgeroepen om op 22 september 2020 te verschijnen.
  7. 09-09-2020 Volgens het hof verliep op deze datum de appeltermijn. Het herstelexploot vermeldt dat de dagvaarding van 8 september 2020 per abuis niet voor de genoemde roldatum was aangebracht.
  8. 29-09-2020 Bij herstelexploot deelden [eiser 1] en [eiseres 2] mee dat de appeldagvaarding van 8 september 2020 per abuis niet tijdig was aangebracht bij het hof. Zij riepen [de erfgenamen] opnieuw op, nu om op 20 oktober 2020 in het geding te verschijnen.
  9. 14-09-2021 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bepaalde bij arrest een mondelinge behandeling op 30 november 2021.
  10. 30-11-2021 Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof deden [de erfgenamen] een wrakingsverzoek. De wrakingskamer van het hof wees dat verzoek af.
  11. 11-04-2022 De mondelinge behandeling bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd voortgezet na afwijzing van het wrakingsverzoek.
  12. 03-05-2022 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaarde de appeldagvaarding van 8 september 2020 nietig en verklaarde [eiser 1] en [eiseres 2] niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Het hof oordeelde dat het afschrift niet overeenkomstig artikel 46 lid 1 Rv was gelaten en dat [de erfgenamen] onredelijk waren benadeeld doordat zij pas veertien dagen na het verstrijken van de appeltermijn van het hoger beroep hoorden.

procesrecht · cassatie · hoger-beroep · nietigheid · ontvankelijkheid · bewijsrecht · executie