Buitengerechtelijke incassokosten imputeren; B2B-bedingen mogen ambtshalve tot redelijke BIK-norm worden gematigd.
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Buitengerechtelijke incassokosten. Vallen buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 2 onder c BW) onder het begrip ‘kosten’ in art. 6:44 lid 1 BW? Strekking art. 6:44 BW (en art. 1433 (oud) BW). Bevoegdheid rechter om in B2B-relatie buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te matigen (art. 242 Rv). Strijd met art. 6 lid 3 Richtlijn 2011/7/EU? Relevantie Wet normering vergoeding kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte en het BIK in B2B-relaties. Beoordelingsvrijheid rechter bij vaststelling omvang en matiging buitengerechtelijke incassokosten in B2B-relaties (art. 6:96 lid 5 BW). Maatstaf. Belang van in branche gebruikelijk of door schuldenaar zelf gehanteerd incassopercentage. Betekenis afspraak met rechtsbijstandverlener dat tussen schuldeiser en schuldenaar bedongen incasso-percentage van de hoofdsom verschuldigd is aan de rechtsbijstandverlener.
Partijen en standpunten
- Eiser: [appellante]
Wetsartikelen
- art. 6:6:44 BW
- art. 242 Rv
- art. 6:6:44 lid 1 BW
- art. 6:6:96 BW
- art. 6:6:43 BW
- art. 6:6:96 lid 2 BW
- art. 6:6:47 BW
- art. 6:6:86 BW
- art. 242 lid 1 Rv
- art. 6:6:96 lid 4 BW
- art. 4:92 Awb
- art. 241 Rv
- art. 6:6:96 lid 5 BW
- art. 6:6:142 BW
- art. 6:6:47 lid 1 BW
- art. 6:6:96 lid 3 BW
- art. 7 Invorderingswet
- art. 79 RO
- art. 392 lid 2 Rv
- art. 6:44 Vw
- art. 6:6:43 lid 1 BW
- art. 6:6:29 BW
- art. 6:6:142 lid 2 BW
- art. 6:6:50 lid 2 BW
- art. 6:6:51 BW
- art. 6:6:119 BW
- art. 1:1:408 lid 3 BW
- art. 1:1:408 BW
- art. 4:85 Awb
- art. 4:91 lid 1 Awb
- art. 22 lid 1 WAHV
- art. 572 Sv
- art. 6:6:248 lid 2 BW
- art. 6:6:119a BW
- art. 6:6:120 BW
- art. 3:3:92a BW
- art. 6:6:233 BW
- art. 6:6:94 lid 1 BW
- art. 308 Fw
- art. 6:6:43 lid 2 BW
- art. 8a ZW
- art. 4:92 lid 1 Awb
Tijdlijn
- 27-02-2012 [appellante] brengt een offerte uit aan [geïntimeerde] voor bouwmaterialen. Op die offerte wordt gewezen op de toepasselijkheid van de door [appellante] gehanteerde verkoop- en leveringsvoorwaarden, waarin onder meer een regeling voor rente en buitengerechtelijke kosten is opgenomen.
- 00-00-0000 [03-2012] [geïntimeerde] bestelt diverse bouwmaterialen bij [appellante]. Daarmee komen tussen partijen meerdere koopovereenkomsten tot stand. De latere levering van die materialen vindt plaats in juni en juli 2012.
- 15-06-2012 [appellante] factureert geleverde bouwmaterialen aan [geïntimeerde]. Deze factuur blijft onbetaald.
- 20-06-2012 [appellante] factureert opnieuw geleverde bouwmaterialen aan [geïntimeerde]. Ook deze factuur blijft onbetaald.
- 25-06-2012 [appellante] stuurt twee facturen met deze datum aan [geïntimeerde] voor de geleverde bouwmaterialen. Deze facturen worden eveneens niet voldaan.
- 02-07-2012 [appellante] stuurt nog een factuur met betalingstermijn van 30 dagen aan [geïntimeerde]. Ook deze blijft onbetaald.
- 13-08-2012 [appellante] sommeert [geïntimeerde] schriftelijk tot betaling van de openstaande facturen ter hoogte van in totaal € 24.821,73. Daarbij kondigt zij aan dat zij de vordering bij uitblijven van betaling vóór 17-08-2012 ter incasso uit handen zal geven.
- 20-08-2012 [appellante] geeft de vordering uit handen aan haar advocaat. Deze sommeert [geïntimeerde] per gewone post, fax en e-mail tot betaling van de hoofdsom van € 24.821,73, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten van € 3.762,47 plus € 714,87 btw, vóór 23-08-2012 16.00 uur.
- 22-08-2012 [geïntimeerde] betaalt een bedrag van € 15.525,49 op de openstaande vordering.
- 13-09-2012 Na een nieuwe sommatie van de advocaat van [appellante] betaalt [geïntimeerde] nog eens € 8.000. Volgens [appellante] blijft daarna nog een restant openstaan.
- 11-01-2013 [appellante] dagvaardt [geïntimeerde] en vordert betaling van € 5.333,10, vermeerderd met nevenvorderingen. Zij baseert haar vordering op de onbetaald gebleven facturen en specificeert hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten.
- 28-02-2013 De rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven, wijst vonnis. De kantonrechter oordeelt dat buitengerechtelijke kosten niet onder het begrip kosten van art. 6:44 BW vallen, zodat de betalingen eerst strekken in mindering op rente en hoofdsom. De resterende hoofdsom wordt vastgesteld op € 1.296,24. De buitengerechtelijke kosten worden ambtshalve gematigd tot € 300.